Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3361

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
281096 - HA ZA 07-371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Transactie ingevolge art. 74 Sr: kan degene op wiens naam gevolg is gegeven aan een transactievoorstel van het OM, daarvan terugkomen op de grond dat hij persoonlijk onkundig was van dat voorstel van en van de daarop gevolgde betaling door zijn partner?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 281096 / HA ZA 07-371

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. E. Grabandt,

advocaat mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. C.M. Bitter.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk de Staat.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 januari 2007

- de conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van 6 juni 2007

- de akte na vonnis d.d. 6 juni 2007 van [eiser]

- de antwoordakte van de Staat

- het proces-verbaal van de comparitie van 21 augustus 2007

- de antwoordakte van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Aan dit vonnis heeft de comparitierechter niet meegewerkt, doordat zij niet meer werkzaam is in de sector civiel recht van de rechtbank.

2. De feiten

2.1. Op [datum] 2006 heeft [eiser] zijn auto, een [auto], korte tijd geparkeerd gehad bij het postkantoor te [plaats 1]. Hij had, in strijd met hetgeen ter plaatse was voorgeschreven, de daar aanwezige parkeermeter niet gevuld. Na zijn bezoek aan het postkantoor bemerkte hij dat hij een parkeerbon had gekregen. Hij is hierover in gesprek geraakt met de vrouwelijke parkeerwacht die de bon had uitgeschreven en zich nog in de nabijheid van de auto bevond. Er was ook een tweede vrouwelijke parkeerwacht aanwezig. De eerstbedoelde parkeerwacht toonde zich niet ontvankelijk voor de bezwaren van [eiser] tegen de bon.

2.2. [eiser] is vervolgens in zijn auto gestapt en weggereden. Hij heeft hiervoor enige manoeuvres moeten uitvoeren doordat de parkeerplaats krap was en zijn auto een lengte heeft van 5,1 meter. De parkeerwachten stonden achter de auto en zijn van de manoeuvres van [eiser] geschrokken. Zij hebben op diezelfde dag aangifte gedaan bij de politie [...] ter zake van 'bedreiging en belediging' door [eiser].

2.3. Op 25 mei 2006 is [eiser] over het gebeurde door de politie gehoord als getuige. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt onder meer het volgende:

'Door de beperkte ruimte om te kunnen manouvreren, werd ik genoodzaakt, om bij het wegrijden, dicht langs de geparkeerde voertuigen te rijden. Ik reed weg, zonder iets of iemand te raken.

Toen ik wegreed, zag ik dat er tussen twee geparkeerde auto's, een van de stadswachten [zijnde de parkeerwachten, toevoeging rechtbank] kwam aanlopen. Zij had donker haar. Zij kwam richting mijn auto gelopen. Ik zag dat de stadswacht met de donker haar zich heel erg schrok. Zij deed weer een pas terug, zodat ik langs kon rijden.

Ik kan mij dat voorstellen want mijn [auto] is 2 meter hoog. De 'neus' van de auto zit op borsthoogte. De [auto] is 2 meter breed. Ik kan mij echt voorstellen dat zij geschrokken is. [...]'

2.4. De officier van justitie heeft [eiser] ter afdoening van de zaak - verdenking van overtreding van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) - een transactievoorstel gezonden. Van vervolging zou worden afgezien als hij een transactie ten bedrage van € 410 zou voldoen. Dit bedrag is betaald door overmaking (via telebankieren) van een bankrekening ten name van [eiser] en/of mevrouw [A] (hierna: [A]). De Staat heeft de betaling ontvangen op 7 juli 2006. [eiser] woont ongeveer twintig jaar met [A] samen, sinds maart 2006 op basis van een geregistreerd partnerschap.

2.5. Eind december 2006 heeft [eiser] aan het openbaar ministerie (hierna: OM) verzocht om een gesprek over de transactie, die naar zijn zeggen voor hem ernstige gevolgen heeft. Dit verzoek is, evenals een later verzoek van zijn advocaat om ongedaanmaking van de transactie, niet gehonoreerd.

3. Het geschil van partijen

3.1. [eiser] vordert - kort gezegd - te verklaren voor recht dat met de betaling van 7 juli 2006 niet is voldaan aan het transactievoorstel van de officier van justitie ter zake van (de verdenking van) bedreiging door hem op [datum] 2006.

3.2. Hij legt hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Hij is, mede door persoonlijke omstandigheden, in het geheel niet op de hoogte geweest van het transactievoorstel of van de betaling. Zijn partner [A] heeft zowel de ontvangst van het voorstel als de betaling (door haarzelf) voor hem verborgen gehouden. [A] verzorgde in die tijd, toen hij medische klachten had, de administratie voor hem en heeft hem aldus willen ontlasten. In zijn visie is er rechtens geen transactie met hem tot stand gekomen. De gevolgen van de transactie zijn voor hem heel ernstig. Zo is daardoor zijn verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen ingetrokken en is zijn lidmaatschap van een schietvereniging beëindigd. Mogelijk ondervindt hij door de registratie van de transactie ook problemen bij een voorgenomen emigratie. Hij had de zaak - zo deze een strafrechtelijk vervolg zou krijgen - voor de rechter willen laten komen om zijn onschuld aan de bedreiging te kunnen laten vaststellen.

3.3. De Staat heeft zich tegen de vordering verweerd. In de kern betoogt de Staat dat de transactie onherroepelijk is en slechts met instemming van zowel het OM als de verdachte (in dit geval dus [eiser]) ongedaan kan worden gemaakt. Het OM is niet bereid tot ongedaanmaking. Volgens de Staat kan het OM zich, gelet op het karakter van een strafrechtelijke transactie, in alle redelijkheid op dit standpunt stellen.

3.4. Op hetgeen partijen verder over en weer hebben aangevoerd zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze procedure niet om de vraag of [eiser] zich op [datum] 2006 aan het misdrijf van bedreiging (artikel 285 Sr) schuldig heeft gemaakt. De kern van het geschil kan worden samengevat in de vraag of tussen het OM (als orgaan van de Staat) en hem in dit geval een rechtsgeldige transactie is tot stand gekomen.

4.2. De burgerlijke rechter is bevoegd tot kennisneming van de vordering. [eiser] kan in zijn vordering ook worden ontvangen, nu daarvoor geen andere, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang openstaat. Een 'transactie' zoals hier in de zienswijze van de Staat is tot stand gekomen, is geen beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Reeds daarom staat voor [eiser] de weg naar de bestuursrechter niet open. Ook een adequate strafrechtelijke rechtsgang ontbreekt.

4.3. Voor het tot stand komen van een transactie op basis van artikel 74 Sr is aanvaarding door de verdachte in kwestie van het desbetreffende voorstel (met de door het OM gestelde voorwaarden) vereist. Dit betekent niet dat de transactie is te kwalificeren als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Het betreft een publiekrechtelijke (strafrechtelijke) rechtsfiguur van eigen aard, die niettemin enkele kenmerken van een civielrechtelijke overeenkomst - meer in het bijzonder: de vaststellingsovereenkomst - vertoont.

4.4. In deze procedure staat (tot dusver) niet vast of [eiser], zoals hij stelt, geen weet heeft gehad van de ontvangst van het transactievoorstel of van de betaling. Voorlopig moet dus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat hij zelf geheel onkundig is gebleven van het OM-voorstel en van de volgens de Staat tot stand gekomen transactie, en het desbetreffende voorstel dus niet persoonlijk heeft aanvaard.

4.5. Ook in dat geval slaagt zijn vordering echter niet. De strafrechtelijke afdoening op basis van artikel 74 Sr is een praktische, mede in het belang van verdachten gegeven voorziening, die zich slechts in zeer bijzondere gevallen leent voor 'herziening' of ongedaanmaking. Dit betekent dat het OM er normaal gesproken op mag vertrouwen dat door voldoening aan de gestelde voorwaarden (in dit geval: betaling van het voorgestelde transactiebedrag) de zaak eindigt. In dit geval rechtvaardigen de feiten - ook bij aanvaarding van [eiser]’s lezing van het gebeurde - niet een andere conclusie. [eiser] moest redelijkerwijs rekening houden met de mogelijkheid dat er enig vervolg zou worden gegeven aan zijn handelen op [datum] 2006, waarover hij een week later door de politie was gehoord. Het aangehaalde proces-verbaal vermeldt weliswaar dat hij als getuige is gehoord (en dus niet als verdachte), maar ter comparitie heeft hij verklaard dat bij het verhoor ook is gesproken over de verdenking dat hij zich tegenover een van de parkeerwachten schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. Het betrekkelijk kort daarna gedane voorstel van het OM was aan het juiste - en werkelijke - adres van [eiser] gezonden (en is daar ook aangekomen) en de betaling is geschied van een rekening die mede op zijn naam was gesteld. Wat hij heeft gesteld over zijn gezondheidstoestand in die periode houdt niet in dat hij toen niet thuis verbleef of niet in staat was kennis te nemen van het voorstel of van de betaling. Onder deze omstandigheden dient het door hem gestelde handelen (met inbegrip van het verzwijgen) van zijn vaste levenspartner [A] aan hemzelf te worden toegerekend.

4.6. Opmerking verdient nog dat [eiser] ook uit het door hem ontvangen bankafschrift betreffende deze betaling had kunnen opmaken dat er een transactie met het OM was tot stand gekomen. Het staat vast dat hij ook daarop niet heeft gereageerd ten opzichte van het OM. Hij stelt dat hij geen kennis heeft genomen van de afschriften, maar ook dit is een omstandigheid die voor zijn rekening met komen.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] niet wordt gevolgd in zijn stelling dat er geen transactie is tot stand gekomen. Voor een bewijsopdracht aan hem is geen plaats, nu hij geen feiten heeft gesteld die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. De door hem gevorderde verklaring voor recht is dus niet toewijsbaar.

4.8. De rechtbank leest in het betoog van [eiser] niet de stelling dat het OM, gegeven de totstandkoming van een rechtsgeldige transactie, in verband met de bijzondere omstandigheden van dit geval gehouden is de transactie ongedaan te maken. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel niet kan worden gezegd dat de Staat zich tegenover hem onrechtmatig gedraagt doordat het OM vasthoudt aan de transactie en niet bereid is tot ongedaanmaking daarvan. Aan het OM komt in dit opzicht een zekere mate van beleidsvrijheid toe, die in deze zaak niet is overschreden.

4.9. Onbesproken kan blijven of de gevolgen van de transactie zo ernstig zijn als [eiser] stelt. Hij heeft niets aangevoerd over (mogelijkheden van) bezwaar of beroep tegen de maatregelen waardoor hij als gevolg van de transactie is getroffen.

4.10. Bij deze uitkomst dient [eiser] te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Op verzoek van de Staat wordt deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met bepaling dat [eiser] over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is. Voor de eveneens gevorderde veroordeling van [eiser] tot betaling van nakosten bestaat geen grond. Daarvoor biedt artikel 237 lid 4 Rv een voldoende basis.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 904 voor salaris van de procureur en op € 248 voor verschotten.

- bepaalt dat [eiser] over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.