Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3358

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 08/1085
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / presentatie bij de Surinaamse autoriteiten

De presentatie van eiser in persoon bij de Surinaamse autoriteiten staat thans gepland op 30 juli 2008. Naar het oordeel van de rechtbank kan hiermee niet worden gezegd dat nog zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. De stelling van verweerder dat eiser mogelijk eerder kan worden gepresenteerd, vanwege fluctuaties in de presentatiewachtlijst dan wel vanwege een verzoek van eiser aan de Surinaamse autoriteiten om eerder te kunnen worden gepresenteerd, leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarmee de presentatie van eiser dusdanig kan worden vervroegd dat nog wel sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 08/1085

V-nummer: 120.700.3163

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. L. de Roode, advocaat te Gouda,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C Prins.

I Procesverloop

1 Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1972 en de Surinaamse nationaliteit te bezitten.

2 Op 8 januari 2008 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 januari 2008 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 Gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is omdat er geen zicht op uitzetting bestond en verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet aan zijn inspanningsverplichting te voldoen. Eiser heeft van 11 september 2007 tot 9 januari 2008 in strafrechtelijke detentie gezeten. Eiser heeft zijn paspoort uit Suriname laten opsturen naar de vreemdelingendienst, die het begin november 2007 heeft ontvangen. Verweerder heeft vervolgens pas op 29 november 2007 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en pas op 17 december 2007 actie ondernomen ten aanzien van de laissez-passeraanvraag, terwijl bekend is dat bij de Surinaamse autoriteiten een lange wachtlijst voor de presentaties bestaat. Verweerder had veel eerder een presentatie bij de Surinaamse autoriteiten kunnen aanvragen. Voorts geeft de gemachtigde aan dat de ongewenstverklaring van eiser dateert uit 1997 en dat op 5 oktober 2007 is getracht de ongewenstverklaring op te heffen. In het dossier van verweerder bevinden zich hier geen stukken van. Ten slotte stelt de gemachtigde dat ten tijde van de inbewaringstelling geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond, nu verweerder er toen reeds mee bekend was dat eiser pas op 30 juli 2008 kan worden gepresenteerd. Gemachtigde merkt op dat in de voortgangsrapportage is aangegeven dat eiser sneller een reisdocument zal kunnen bemachtigen indien hij zelf met zijn verlopen paspoort naar de Surinaamse ambassade gaat. Eiser wil zo spoedig mogelijk terug naar zijn vriendin en kind in Suriname. Eiser is bereid te voldoen aan een vrijwillige meldplicht en kan bij een vriendin in Nederland verblijven.

3 Namens verweerder is aangevoerd dat de gronden van de maatregel niet zijn betwist zodat de maatregel rechtmatig is opgelegd. Eiser heeft pas na twee maanden in strafrechtelijke detentie zijn paspoort uit Suriname laten opsturen. Vervolgens is een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is op 17 december 2007 de laissez-passeraanvraag doorgestuurd naar de Lp-kamer, die de aanvraag op 21 december 2007 heeft verzonden naar de autoriteiten van Suriname. Op 4 januari 2008 is bekend geworden dat eiser op

30 juli 2008 zal kunnen worden gepresenteerd bij de Surinaamse autoriteiten. Verweerder merkt op dat eiser de Surinaamse ambassade kan verzoeken eerder te worden gepresenteerd. Bovendien is niet uitgesloten dat eiser eerder kan worden gepresenteerd nu de wachtlijst aan verandering onderhevig is. Verweerder is ten aanzien van de presentaties afhankelijk van de Surinaamse autoriteiten. Het is op grond van afspraken met de Surinaamse autoriteiten niet mogelijk om een in bewaring gestelde vreemdeling eerder dan op het moment van presentatie te begeleiden naar de Surinaamse ambassade om zijn paspoort te laten verlengen. Verweerder ziet gelet op de gronden van de maatregel geen aanleiding een lichter middel op te leggen. Eiser is met een vals paspoort Nederland ingereisd terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard en heeft vervolgens een misdrijf met betrekking tot de Opiumwet gepleegd. Het gevaar bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan zijn uitzetting.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 Ten aanzien van de stelling van eisers gemachtigde dat verweerder niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft van 11 september 2007 tot 9 januari 2008 in strafrechtelijke detentie gezeten en is aansluitend in bewaring gesteld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 februari 2002 (JV 2002/141) is overwogen dat paragraaf A5/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 een inspanningsverplichting van verweerder behelst om gedurende de strafrechtelijke detentie handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting, zodat de inbewaringstelling ingevolge de Vw 2000 zoveel mogelijk wordt voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in onderhavige zaak hieraan voldaan. Immers eiser is op 29 november 2007 gehoord, waarbij de laissez-passeraanvraag is ingevuld. Toen het Lp-formulier niet goed bleek te zijn, is op 4 december 2007 opnieuw een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is de laissez-passeraanvraag opnieuw ingevuld. Op 21 december 2007 is de laissez-passeraanvraag naar de autoriteiten van Suriname verzonden en op 4 januari 2008 is het bericht ontvangen dat eiser op 30 juli 2008 kan worden gepresenteerd bij de Surinaamse autoriteiten. Voorts heeft op 3 januari 2008 opnieuw een vertrekgesprek plaatsgevonden.

4.2 De presentatie van eiser in persoon bij de Surinaamse autoriteiten staat thans gepland op 30 juli 2008. Naar het oordeel van de rechtbank kan hiermee niet worden gezegd dat nog zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. De stelling van verweerder dat eiser mogelijk eerder kan worden gepresenteerd, vanwege fluctuaties in de presentatiewachtlijst dan wel vanwege een verzoek van eiser aan de Surinaamse autoriteiten om eerder te kunnen worden gepresenteerd, leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarmee de presentatie van eiser dusdanig kan worden vervroegd dat nog wel sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

4.3 Nu verweerder ten tijde van de inbewaringstelling reeds op de hoogte was van de geplande presentatiedatum, is de rechtbank, op grond van het voorgaande, van oordeel dat de maatregel van bewaring van aanvang af in strijd is met de Vw 2000. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank derhalve niet toe.

4.4 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 21 januari 2008.

4.5 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige bewaring (van 9 januari 2008 tot 21 januari 2008) ten bedrage van 12 x € 70,-- = € 840,--.

4.6 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

rechtdoende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 januari 2008;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 840,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A van ‘t Laar, rechter, en door deze en mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier, ondertekend.

De griffier:

De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 21 januari 2008.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op: