Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3242

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/35612
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM6093, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tamils risicogroep / vrees voor vervolging / art. 3 EVRM / vlucht- of vestigingsalternatief

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verweerder het beleid voert dat Tamils een kwetsbare groep zijn in de zin van hoofdstuk C14/4.5 Vc 2000. Wel blijkt uit WBV 2007/32, dat een Tamil, indien hij aannemelijk maakt dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten wordt verdacht van banden met de LTTE, in aanmerking kan komen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw 2000. Blijkens het landgebonden asielbeleid wordt de veiligheidssituatie in het noorden en het oosten van Sri Lanka dermate onveilig geacht, dat de terugzending van Tamils naar deze delen van het land niet opportuun is. Tamils uit het noorden en oosten hebben evenwel een verblijfsalternatief elders in het land. Kennelijk wordt ten aan aanzien van het noorden en het oosten van Sri Lanka een beleid van categoriale bescherming gevoerd, maar wordt aan Tamils een verblijfsalternatief tegengeworpen. Voornoemd WBV geeft ook aanleiding voor die conclusie. Voor zover verweerder aan eiser een vlucht- of vestigingsalternatief heeft tegengeworpen, heeft verweerder dit naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd. In dit verband wijst de rechtbank naar Hoofdstuk C4/2.2.2. Vc 2000 waar staat dat bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, rekening wordt gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder voornoemd beleid heeft betrokken bij het bestreden besluit. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Meervoudige kamer

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: Awb 07/35612

uitspraak: 17 januari 2008

inzake:

[eiser],

geboren op [..],

van [..],

IND dossiernummer: [...],

V-nummer: [...]

eiser,

gemachtigde: mr. E. Ebes, advocaat te Lemmer,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage.

Procesverloop

Op 10 september 2007 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij beschikking van 14 september 2007, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 14 september 2007 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Aan eiser is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Het in dit verband door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 5 oktober 2007 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats toegewezen. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft geen (inhoudelijk) verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 december 2007. Eiser noch zijn gemachtigde is daarbij verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Standpunten van partijen

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Manipay in Sri Lanka en behoort tot de bevolkingsgroep van de Ceylon Tamils. In 2001 is eiser gearresteerd en gedetineerd, omdat twee zonen van eiser zich hadden aangesloten bij de LTTE. In oktober 2006 is de middelste zoon omgekomen en heeft eiser de begrafenisceremonie bijgewoond. In verband hiermee werd eiser wederom gearresteerd. Onder de voorwaarde dat hij zijn oudste zoon zou aangeven is eiser in vrijheid gesteld. Naar aanleiding van het voorgaande heeft eiser zijn oudste zoon uit Sri Lanka laten vertrekken. In augustus 2007 heeft eiser zelf het land verlaten.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd. Verweerder meent dat het niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de autoriteiten of enige andere groepering in zijn land van herkomst, omdat eiser in 2006 na 17 dagen detentie is vrijgelaten en hij vervolgens met zijn oudste zoon op eigen naam en zonder problemen naar Colombo heeft kunnen reizen, hij daar heeft gewerkt en zich heeft gemeld bij de autoriteiten. Naar de mening van verweerder zijn de problemen van eiser terug te brengen tot de gevolgen van de algehele onveilige situatie in het noorden en oosten van Sri Lanka. In zijn pleidooi heeft verweerder tijdens het verhandelde ter zitting het besluit in die zin toegelicht dat de verklaringen van eiser met betrekking tot de feiten niet ongeloofwaardig worden geacht, maar de vrees voor vervolging is door eiser niet aannemelijk gemaakt.

Eiser wijst op zijn in 2001 opgelopen littekens, Hij vreest thans weer vervolging dan wel een onmenselijke behandeling vanwege de omstandigheid dat twee zonen zich hebben aangesloten bij de LTTE. Eiser meent dat hem ten onrechte het ontbreken van documenten is tegengeworpen, omdat hij afhankelijk was van de reisagent. Naar de mening van eiser twijfelt verweerder niet aan zijn verklaringen, maar wordt het niet geloofwaardig bevonden dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een onmenselijke behandeling. Eiser meent in dit verband dat het aan geluk is te danken dat hij en zijn oudste zoon naar Colombo hebben kunnen reizen en aldaar hebben verbleven. Volgens eiser zijn de autoriteiten in Colombo er niet van op de hoogte wie worden gezocht in het noorden van Sri Lanka. Voorts wijst eiser naar de verslechterde situatie in Sri Lanka. Hij verwijst in dit verband naar het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van april 2007, de brief van de staatssecretaris van Justitie van 12 juli 2007, de berichten van Human Rights Watch, Amnesty International en de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Salah Sheekh. Volgens eiser kan hem geen vlucht- of vestigingsalternatief worden tegengeworpen. Eiser doet voorts een beroep op artikel 15c van de Definitie Richtlijn 2004/84/EG en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2007. Volgens eiser is in Sri Lanka sprake van een gewapend conflict in de zin van voornoemd artikel 15 c zoals omschreven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 20 juli 2007.

Beoordeling van het beroep

Volgens vaste jurisprudentie behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

De rechtbank stelt vast, blijkens het besluit en de toelichting daarop tijdens de behandeling ter zitting, dat de verklaringen van eiser met betrekking tot de feiten door verweerder niet ongeloofwaardig worden geacht. Gelet op het besluit acht verweerder de aan de feiten ontleende vrees van eiser niet geloofwaardig en is het daarom niet aannemelijk dat eiser in het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen in de zin van het Verdrag. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat verweerder meent dat de kwalificatie van de feiten niet met zich brengt dat geoordeeld moet worden dat eiser gegronde vrees heeft in de zin van het Verdrag.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vraag of verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen, geen beoordeling behoeft.

Het voorgaande brengt met zich dat thans ter beoordeling staat of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet op juiste gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor voornoemde verblijfsvergunning. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2007, JV 2007/ 531, blijkt dat uit het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh, AB 2007/76, niet kan worden afgeleid dat het zogenoemde individualiseringsvereiste is verlaten. Wel valt uit dit arrest af te leiden dat, indien een vreemdeling deel uitmaakt van een specifieke minderheidsgroep die doelwit is van ernstige mensenrechtenschendingen en sprake zou kunnen zijn van bijzondere omstandigheden als aan de orde waren in de zaak Salah Sheekh, informatie over de situatie van die groep en de mate waarin die bescherming kan bieden of vinden tegen zodanige mensenrechtenschendingen, uitdrukkelijk meegewogen moet worden bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en die informatie een groter gewicht moet krijgen naarmate bedoelde situatie ernstiger is gebleken.

In het landgebonden asielbeleid, zie in dit verband hoofdstuk C14/4.5 van de vreemdelingencirculaire (Vc 2000), kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als:

a. Risicogroepen;

b. Kwetsbare minderheidsgroepen;

c. Specifieke groepen die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel;

d. Specifieke groepen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verweerder het beleid voert dat Tamils een kwetsbare groep zijn in de zin van hoofdstuk C14/4.5 Vc 2000. Wel blijkt uit het besluit Wijziging vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/32 van 22 oktober 2007, dat dateert van na het bestreden besluit doch is gebaseerd op voornoemd algemeen ambtsbericht van april 2007, dat het enkele feit dat iemand Tamil is, niet leidt tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Een Tamil kan echter, indien hij aannemelijk maakt dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten wordt verdacht van banden met de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE), in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw 2000. In die zin vormen Tamils een risicogroep die, zoals in WBV 2007/32 staat genoemd, een verhoogde aandacht vraagt. Het enkele feit dat WBV 2007/32 van na het bestreden besluit is, brengt niet met zich mee dat dit op het moment van het besluit nog anders zou zijn.

Blijkens voornoemd landgebonden asielbeleid wordt de veiligheidssituatie in het noorden en het oosten van Sri Lanka dermate onveilig geacht, dat de terugzending van Tamils naar deze delen van het land niet opportuun is. Tamils uit het noorden en oosten hebben evenwel een verblijfsalternatief elders in het land. Kennelijk wordt ten aan aanzien van het noorden en het oosten van Sri Lanka een beleid van categoriale bescherming gevoerd, maar wordt aan Tamils een verblijfsalternatief tegengeworpen. Voornoemd WBV geeft ook aanleiding voor die conclusie.

Vaststaat dat eiser in het verleden in de negatieve belangstelling heeft gestaan van de Sri Lankaanse autoriteiten en de met hen samenwerkende Tamil groeperingen. Nu eiser in oktober/november 2006 opnieuw vanwege zijn bij de LTTE betrokken zoons is gearresteerd en hij onder voorwaarden is vrijgelaten, is de rechtbank van oordeel, gelet op de verslechterde situatie in Sri Lanka en hetgeen eiser daaromtrent heeft aangevoerd en gelet op eisers littekens, dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen vrees voor vervolging heeft, dan wel dat hij geen reëel risico loopt op schendingen als bedoeld in artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten wordt verdacht van banden met de LTTE en loopt hij daarom een risico als voornoemd.

Dat eiser en zijn oudste zoon op eigen naam en zonder problemen naar Colombo hebben kunnen reizen, daar hebben gewerkt en zich hebben gemeld bij de autoriteiten, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank acht in dit verband van belang dat uit voornoemd algemeen ambtsbericht op pagina 43 blijkt dat een ieder die niet (meteen) zijn identiteit kan aantonen, het risico loopt om opgepakt te worden voor verdere ondervraging. Aangezien Tamils vaak geen identiteitskaart bezitten, lopen zij een groter risico. Voorts wijst de rechtbank in dit verband op een schrijven van Amnesty International van 12 juli 2007, waaruit blijkt dat een ieder die zich zonder geldige reden in Colombo ophoudt, wordt opgepakt en naar huis wordt gestuurd. De omstandigheid dat eiser lange tijd heeft gewoond en gewerkt in Colombo, hij in oktober/november 2006 bij de controleposten zijn naam en het woon- en werkadres in Colombo heeft opgegeven zodat hij een geldige reden had om in Colombo te verblijven, en de omstandigheid dat eiser een beetje Singalees spreekt, maken naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, dat niet is uitgesloten dat eiser in voornoemde periode op eigen naam en zonder problemen naar Colombo heeft kunnen reizen en daar 10 dagen heeft kunnen verblijven. De omstandigheid dat eiser, nadat de veiligheidssituatie in zijn land van herkomst verslechterde, van juli 2007 tot aan zijn vertrek in augustus 2007 in Colombo verbleef, maken het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank evenmin anders, omdat eiser in deze periode ondergedoken heeft gezeten.

Voor zover verweerder aan eiser een vlucht- of vestigingsalternatief heeft tegengeworpen, heeft verweerder dit naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd. De in het besluit in dit verband genoemde brief van de staatssecretaris van 12 juli 2007, waar wordt gesteld dat er een verblijfsalternatief aanwezig is in verband met de algehele onveilige situatie in het noorden en oosten, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. In dit verband wijst de rechtbank naar Hoofdstuk C4/2.2.2. Vc 2000 waar staat dat bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, rekening wordt gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder voornoemd beleid heeft betrokken bij het bestreden besluit. In dit verband acht de rechtbank van belang, hoewel eiser in oktober/november 2006 gedurende 10 dagen met medeweten van de autoriteiten in Colombo heeft verbleven, dat eiser zich vlak voor zijn vertrek in augustus 2007 niet heeft gemeld en enkel bij de reisagent heeft verbleven vanwege de op dat moment verslechterde situatie in zijn land van herkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen vrees voor vervolging heeft, dan wel dat hij geen reëel risico loopt op schendingen als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Het beroep is derhalve gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. L.J Hofstra, leden, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Buikema als griffier.

Afschrift verzonden: