Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2973

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/38065
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heropening onderzoek / schorsing / afwachten beantwoording prejudiciële vragen / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / ernstige individuele bedreiging / ongeloofwaardig asielrelaas

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en vervolgens geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn die door de AbRS bij uitspraak van 12 oktober 2007 zijn gesteld aan het HvJ EG. De tweede prejudiciële vraag van de AbRS is ruim geformuleerd. Het HvJ EG is met deze vraag in wezen verzocht zich uit te laten over de vraag hoe de te onderscheiden deelelementen van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dienen te worden begrepen en toegepast. Eén van die deelelementen is het criterium “ernstige individuele bedreiging”. Eiser meent dat met zijn onbestreden herkomst uit Noord-Irak en Koerdische etniciteit, bezien in het licht van de situatie in Noord-Irak, voldaan is aan het criterium “ernstige en individuele bedreiging”. Verweerder meent dat dit niet zo is en dat een verband met het (overige) relaas van eiser dient te worden gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het volgen van één van beide standpunten zou neerkomen op het invullen en duiden van genoemd deelelement uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat daarmee vooruit zou worden gelopen op de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ EG. De rechtbank acht het niet wenselijk om op een dergelijke wijze vooruit te lopen op beantwoording van de prejudiciële vragen. De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat, blijkens de onderdelen 1,2 en 7 van de Preambule van de Definitierichtlijn, één van de doelstellingen hiervan is de harmonisatie van bepalingen inzake de erkenning van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming te bewerkstelligen teneinde secundaire migratie van asielzoekers tussen de EU-lidstaten te beperken. Als eerstelijnsrechters in verschillende EU-landen hun eigen interpretaties en invullingen (blijven) geven aan (een) (deel)element(en) van het centrale artikel inzake de subsidiaire bescherming van de Definitierichtlijn, terwijl de hoger beroepsrechter over de betekenis en toepassing van dat/die (deel)element(en) vragen aanhangig heeft gemaakt bij het HvJ EG, ontstaat het risico dat er verschillende rechterlijke interpretaties en invullingen worden gegeven, en dat er van de Definitierichtlijn dan geen harmoniserende, maar integendeel, divergerende, werking zal uitgaan.

Dat, in eisers eerste asielprocedure, het asielrelaas van eiser door verweerder ongeloofwaardig is geacht en dat dit standpunt van verweerder vervolgens is bevestigd door de rechtbank, leidt niet tot een ander oordeel. Van belang daarbij is naast de ruime formulering van de prejudiciële vragen, de omstandigheid dat ook in de zaak waarin de AbRS prejudiciële vragen heeft gesteld, sprake was van een door verweerder ongeloofwaardig geacht asielrelaas.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:64
Algemene wet bestuursrecht 8:68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam.

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Heropening onderzoek

artikel 8:68 en artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht

reg.nr.: AWB 07/38065

inzake:

[Eiser], van Iraakse nationaliteit, geboren op [geboortedatum] 1986, eiser,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder

zittingsdatum: 21 november 2007

BESLISSING

De rechtbank bepaalt dat het onderzoek wordt heropend en verder zal worden geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN: BB5841) zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) in Luxemburg.

MOTIVERING

Standpunten partijen

1.1 Verweerder heeft zich ten aanzien van eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn - samengevat - op het volgende standpunt gesteld. Voor zover al kan worden gezegd dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn nieuw recht is, is geen sprake van een voor eiser relevante rechtswijziging. Er is immers in het geheel niet voldaan aan het individualiseringsvereiste van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het oorspronkelijke asielrelaas van eiser is in eisers eerste asielprocedure door verweerder als manifest bedrog van de hand gewezen. Het tegen die beslissing door eiser ingestelde beroep is vervolgens ongegrond verklaard. De ongeloofwaardigheid van dit relaas staat dan ook thans niet meer ter discussie en kan ook niet meer ter discussie staan. De enkele

- in de eerste procedure niet bestreden - gegevens dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak en dat hij de Koerdische etniciteit heeft, levert onvoldoende “individualisering” op voor een geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Gelet op de door de AbRS bij uitspraak van

12 oktober 2007 gestelde prejudiciële vragen is het op dit moment niet duidelijk welke betekenis artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn precies zou moeten hebben. Duidelijk is wel dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen vorm van categoriaal beleid in het leven heeft geroepen, en dat een zekere mate van individualisering vereist is, hetgeen ook deze rechtbank en zittingsplaats Amsterdam eerder heeft geoordeeld. Dat enige mate van individualisering vereist is, volgt ook uit de artikelen 2, aanhef en onder e, en 4 van de Definitierichtlijn.

1.2 Verweerder heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat de vraag of sprake is van een intern gewapend conflict in Noord-Irak voor verweerder geen geschilpunt is geweest.

2. Eiser heeft zich in zijn gronden van beroep en ter zitting ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn - samengevat - op het volgende standpunt gesteld.

Het onderzoek in onderhavige zaak dient gelet op de door de AbRS bij uitspraak van 12 oktober 2007 gestelde prejudiciële vragen te worden aangehouden. Hierbij verwijst eiser met name naar de ruime formulering van de tweede prejudiciële vraag. Eiser volgt niet verweerders standpunt dat, nu in rechte is komen vast te staan dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is, er dus ook niet aan het individualiseringsvereiste van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is voldaan. Immers, ook in de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 maart 2007 (AWB 07/9531 en 07/9527), die ten grondslag lag aan de uitspraak van de AbRS van 12 oktober 2007, was sprake van een door verweerder ongeloofwaardig geacht asielrelaas. Nu voorts niet in geschil is dat sprake is van een intern en gewapend conflict in Noord-Irak en niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak en de Koerdische etniciteit bezit, kan niet op voorhand worden gezegd dat eiser niet onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt.

Motivering van de beslissing van de rechtbank

3. Nu er sprake is van een herhaalde asielaanvraag dient de rechtbank in de eerste plaats ambtshalve haar toetsingskader en wijze van beoordeling vast te stellen. Door eiser is gesteld dat artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn relevant nieuw recht is, waardoor de rechtbank een volledige, inhoudelijke beoordeling van het beroep dient te verrichten, en niet het beoordelingskader dient te hanteren zoals dat ingevolge artikel 4:6 van de Awb en inmiddels bestendige jurisprudentie van de AbRS geldt. De eerste vraag waar de rechtbank zich dan ook voor geplaatst ziet is of artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in dit geval relevant nieuw recht is.

4. De AbRS heeft bij uitspraak van 12 oktober 2007 de volgende prejudiciële vragen ten aanzien van de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn aan het Hof gesteld:

1. Dient artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming, aldus te worden uitgelegd dat die bepaling uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarop ook artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, betrekking heeft, of biedt eerstgenoemde bepaling in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming?

2. Indien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming biedt, wat zijn in dat geval de criteria om te beoordelen of een persoon die stelt voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn?

5. De rechtbank stelt vast dat, in eisers eerste asielprocedure, het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden door verweerder, hetgeen vervolgens door de rechtbank is bevestigd. Niet was en is in geschil echter dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak en de Koerdische etniciteit heeft.

6.1 De tweede prejudiciële vraag is ruim geformuleerd. Het Hof is met deze vraag in wezen verzocht zich uit te laten over de vraag hoe de te onderscheiden deelelementen van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dienen te worden begrepen en toegepast. Eén van die deelelementen is het criterium “ernstige individuele bedreiging”.

6.2 Eiser meent dat met zijn onbestreden herkomst uit Noord-Irak en Koerdische etniciteit, bezien in het licht van de situatie in Noord-Irak, voldaan is aan het criterium “ernstige en individuele bedreiging”. Verweerder meent dat dit niet zo is en dat een verband met het (overige) relaas van eiser dient te worden gelegd. Beide partijen geven hiermee een eigen uitleg en invulling aan genoemd criterium van de “ernstige individuele bedreiging” van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

6.3 De rechtbank is van oordeel dat het volgen van één van beide standpunten zou neerkomen op het invullen en duiden van genoemd deelelement uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat daarmee vooruit zou worden gelopen op de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof. De rechtbank acht het niet wenselijk om reeds thans op een dergelijke wijze vooruit te lopen op beantwoording van genoemde prejudiciële vragen. De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat, blijkens de onderdelen 1,2 en 7 van de Preambule van de Definitierichtlijn, één van de doelstellingen hiervan is de harmonisatie van bepalingen inzake de erkenning van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming te bewerkstelligen teneinde secundaire migratie van asielzoekers tussen de EU-lidstaten te beperken. Als eerstelijnsrechters in verschillende EU-landen hun eigen interpretaties en invullingen (blijven) geven aan (een) (deel)element(en) van het centrale artikel in de Richtlijn inzake subsidiaire bescherming, terwijl de hoger beroepsrechter over de betekenis en toepassing van dat/die (deel)element(en) vragen aanhangig heeft gemaakt bij het Hof, dan ontstaat hiermee het risico dat er verschillende rechterlijke interpretaties en invullingen worden gegeven, en dat er van de Richtlijn dan geen harmoniserende, maar integendeel, divergerende, werking zal uitgaan.

Dat, in eisers eerste asielprocedure, het asielrelaas van eiser door verweerder ongeloofwaardig is geacht en dat dit standpunt van verweerder vervolgens is bevestigd door de rechtbank, leidt niet tot het oordeel dat daarmee en daardoor de onderhavige zaak buiten de reikwijdte valt van de door de AbRS gestelde prejudiciële vragen. Van belang daarbij is wederom de ruime formulering van de vragen die de AbRS aan het Hof heeft voorgelegd, alsmede de omstandigheid dat ook in de zaak waarin de AbRS prejudiciële vragen heeft gesteld over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, sprake was van een door verweerder ongeloofwaardig geacht asielrelaas. In haar uitspraak van 12 oktober 2007 heeft de AbRS overwogen dat verweerder eisers asielrelaas ongeloofwaardig heeft bevonden, maar heeft de AbRS zich vervolgens zelf hieromtrent geen oordeel gevormd, waarna de prejudiciële vragen zijn gesteld.

6.4 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek op de voet van artikel 8:64 van de Awb schorsen totdat door het Hof op de prejudiciële vragen over de interpretatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is beslist.

Deze beslissing is genomen op 2 januari 2008 door mr. drs. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mrs. G.S. Crince le Roy en R.H.G. Odink, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. Lindeboom als griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll.: SL/DB/GCR/RO

D: B

Tegen deze beslissing staat geen zelfstandig hoger beroep open.