Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
FA RK 07-1788 284362
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Limitering - nieuw geval - afbouwregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer: FA RK 07-1788

zaaknummer : 284362

datum beschikking : 29 januari 2008

BESCHIKKING op het op 20 maart 2007 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. E. Schenkius,

advocaat: mr. J.M. Schamhardt te Amstelveen.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief met bijlagen d.d. 15 november 2007 van de zijde van de vrouw;

- de brief met bijlage d.d. 22 november 2007 van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 27 november 2007 van de zijde van de vrouw.

Op 4 december 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen bijgestaan door hun procureur. Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

FEITEN

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1976 tot [datum] 1995.

Uit het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [kind 1], geboren op [datum] 1979 te [plaats],

- [kind 2], geboren op [datum] 1981 te [plaats],

- [kind 3], geboren op [datum] 1986 te [plaats].

Bij beschikking van de rechtbank te Dordrecht d.d. 5 oktober 1994 is bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een alimentatie zal betalen van Hfl. 5.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij convenant door de vrouw ondertekend op 29 augustus 1997 en door de man ondertekend op

16 oktober 1997 hebben partijen afspraken gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Artikel 1 luidt: partijen hebben geen nadere afspraken gemaakt over de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zodat de man daartoe per maand Hfl. 5.500,- bij vooruitbetaling zal voldoen. Deze bijdrage is onderworpen aan de wettelijke indexering van artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 1996.

Als gevolg van de wijziging van de wettelijke indexering van artikel 1:402a BW bedraagt de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw thans € 3.321,56 per maand.

VERZOEK, GRONDSLAG EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw luidt - met wijziging van voornoemde beschikking -

- primair: te bepalen dat met betrekking tot het limiteringsregime op grond van artikel II lid 1 van de limiteringswetten (WLA) oud recht van toepassing is;

- subsidiair: te bepalen dat de alimentatietermijn gedurende welke periode de man gehouden is aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen, zal worden verlengd totdat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien dan wel de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, dan wel zal worden verlengd met een redelijke termijn,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kosten rechtens.

De vrouw stelt als grond voor dit verzoek dat de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend voor haar is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar dat te ontzeggen en subsidiair het verzoek van de vrouw af te wijzen, kosten rechtens.

BEOORDELING

Toepasselijk recht

De vrouw stelt dat de alimentatie is overeengekomen voor 1 juli 1994 en dat derhalve oud recht van toepassing is ter zake de limitering van de partneralimentatie. Zij stelt daartoe dat partijen, sinds de man de echtelijke woning op [datum] 1993 heeft verlaten, langdurig in overleg zijn geweest over de gevolgen van de echtscheiding. De vrouw legt ter onderbouwing van deze stelling correspondentie van de raadslieden van partijen uit de periode rond de echtscheiding over. Uit de brief d.d. 5 augustus 1994 leidt de vrouw af dat overeenstemming is bereikt over de hoogte van de te betalen definitieve partneralimentatie. Nu de alimentatie naar de stelling van de vrouw is overeengekomen voor 1 juli 1994, kan de man op grond van het overgangsrecht om beëindiging van zijn onderhoudsplicht verzoeken nadat deze verplichting 15 jaar heeft geduurd. De vrouw verzoekt derhalve te bepalen dat met betrekking tot het limiteringsregime op grond van artikel II lid 1 van de limiteringswetten (WLA) oud recht van toepassing is.

De man stelt dat nieuw recht van toepassing is ter zake de limitering van de partneralimentatie. De echtscheidingsprocedure is gevoerd van mei 1994 tot 22 maart 1995. In de maanden juni tot oktober 1994 is intensief gecorrespondeerd tussen de wederzijdse advocaten. De man betwist dat uit de overgelegde correspondentie blijkt dat overeenstemming is bereikt over de hoogte van de partneralimentatie. De alimentatie berust, naar de stelling van de man, op de beslissing van de rechtbank Dordrecht van 5 oktober 1994 en derhalve is artikel 1:157 lid 4 BW van toepassing.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit HR 14 mei 2004, NJ 2004, 395 volgt dat voor de toepassing van de in artikel II leden 2 tot en met 4 WLA vervatte regels van overgangsrecht voor oude gevallen (uitkeringen tot levensonderhoud die door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen voor inwerkingtreding van die wet) beslissend is de datum waarop ingevolge de rechterlijke uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen. Uit de beschikking van de rechtbank te Dordrecht d.d. 5 oktober 1994 blijkt dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van de dag waarop de beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 22 maart 1995, een aanvang heeft genomen. Derhalve is de alimentatieverplichting aangevangen na 1 juli 1994 en is artikel 1:157 lid 4 BW van toepassing. De rechtbank wijst het primaire verzoek van de vrouw derhalve af.

Limitering

De vrouw voert ter onderbouwing van haar subsidiaire verzoek het navolgende aan. De vrouw stelt dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en deze in redelijkheid ook niet kan verwerven. Indien de alimentatietermijn niet wordt verlengd, heeft dit voor de vrouw een inkomensterugval van 100 % tot gevolg, nu de vrouw geen ander inkomen heeft dan de partneralimentatie. De vrouw stelt dat ten tijde van het huwelijk sprake was van een traditionele rolverdeling. De vrouw stelt tevens dat zij en de kinderen na de echtscheiding psychologische hulp hebben gehad tot 1999, waardoor het voor haar pas vanaf 1999 mogelijk was zich op de arbeidsmarkt te gaan richten. De vrouw is in 2000 een Hbo-opleiding gaan volgen, welke zij recent met succes heeft afgesloten. De vrouw is thans 57 jaar oud en heeft geen enkele werkervaring, waardoor haar kansen op de arbeidsmarkt gering zijn. De vrouw is echter zeer actief op zoek naar een baan en heeft tevens een eigen bedrijfje opgezet waarmee zij op dit moment nog geen inkomsten genereert. Door de man wordt onterecht gesteld dat de partner van de vrouw invloed heeft op haar behoefte. De vrouw woont niet samen met haar partner en deze partner is niet in staat bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Door de man wordt eveneens onterecht gesteld dat vrouw een eigen woning heeft zonder hypotheek. Zij legt ter onderbouwing van de stelling dat op het huis een hypotheek rust een uittreksel uit het Kadaster over. Als de vrouw deze woning zou moeten verkopen, zal zij de overwaarde in zijn geheel moeten aanwenden voor het kopen van een ander huis. Daarnaast dient de overwaarde als aanvulling op het pensioen van de vrouw. Met betrekking tot de woning '[woning]' merkt de vrouw op dat zij en haar broer beiden de helft van deze onroerende zaak geschonken hebben gekregen, met de bedoeling het pand in de familie te houden. Het is voor de vrouw niet mogelijk deze woning te verkopen omdat haar broer hiervoor geen toestemming geeft. De vrouw heeft aldus geen vermogen noch inkomen uit vermogen dat haar in staat stelt te voorzien in haar eigen levensonderhoud en zij verzoekt derhalve om verlenging van de alimentatietermijn. Bovendien stelt de vrouw dat de man een riant inkomen heeft.

De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw en stelt dat het wegvallen van de alimentatie niet zo ingrijpend is, dat die naar redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden. De vrouw heeft gedurende 12 jaar een behoorlijke alimentatie ontvangen en had in die tijd de gelegenheid om een opleiding te kiezen en te volgen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de kinderen of de vrouw zodanige problemen hadden met de echtscheiding, dat het volgen van een studie door de vrouw daardoor zou zijn verhinderd of bemoeilijkt. De man erkent dat het thans voor de vrouw lastig kan zijn een baan te vinden, doch stelt dat de vrouw deze situatie zelf in het leven heeft geroepen. Daarnaast beschikt de vrouw over vermogen dat zij kan aanwenden om in haar levensonderhoud te voorzien. Dit vermogen bestaat onder andere uit de overwaarde van haar woning aan de [adres] à € 364.232,- en de woning '[woning]' die zij samen met haar broer bezit. De vrouw stelt weliswaar dat zij deze laatste woning wegens het ontbreken van de toestemming van haar broer niet kan verkopen, doch artikel 3:178 BW geeft de vrouw het recht verdeling te vorderen. De waarde van deze woning zou groot zijn. Bovendien heeft de vrouw een relatie met een nieuwe partner, hetgeen tot gevolg heeft dat tenminste een deel van de kosten van levensonderhoud tussen de vrouw en haar nieuwe partner kunnen worden gedeeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de op 1 juli 1994 in werking getreden Wet van 29 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325, zijn aan artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de leden 3 tot en met 6 toegevoegd. Ingevolge artikel 1:157, 4e lid, BW eindigt - wanneer de rechter geen termijn heeft vastgesteld - de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege, indien deze 12 jaar heeft geduurd. In het onderhavige geval staat gelet het vorenoverwogene vast dat aan de alimentatieplicht van de man door de rechter geen termijn is verbonden, alsmede dat de alimentatieplicht, die op 22 maart 1995 is aangevangen, op 22 maart 2007 twaalf jaar heeft geduurd. Derhalve is de alimentatieplicht van de man in beginsel op laatstgenoemde datum van rechtswege geëindigd.

In het 5e lid van artikel 1:157 BW is bepaald dat de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn kan stellen indien de beëindiging na 12 jaar zo ingrijpend van aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd, mits dat verzoek voor of binnen drie maanden na de beëindiging is gedaan.

Het verzoek van de vrouw is bij de rechtbank ingekomen op 20 maart 2007 en daarmee binnen bedoelde termijn, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.

Allereerst staat de vraag ter beantwoording of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Overwogen wordt dat het beëindigen van de alimentatie voor de vrouw een inkomensterugval betekent van 100 %. Een dergelijke inkomensterugval is naar het oordeel van de rechtbank ingrijpend.

Nu vaststaat dat de beëindiging van de alimentatieplicht ingrijpend is, dient de rechtbank te beoordelen of deze beëindiging zo ingrijpend is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen en in onderlinge samenhang te worden gewogen. Deze afweging geschiedt tegen de achtergrond van de limiteringsgedachte, die uitdrukkelijk in de wet is neergelegd en die zware eisen stelt voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de alimentatieplicht wordt verlengd.

Op dit punt overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat het huwelijk van partijen 19 jaar heeft geduurd en dat ten tijde van het huwelijk een traditionele rolverdeling gold. Na de echtscheiding heeft de vrouw met de drie kinderen van partijen, die destijds 16, 14 en 9 jaar oud waren, een nieuwe woning betrokken. De vrouw heeft gedurende het huwelijk noch daarna betaalde arbeid verricht. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat het voor haar na de echtscheiding door psychologische problematiek bij haar en de minderjarigen pas sinds 1999 mogelijk was zich op de arbeidsmarkt te gaan richten, maar heeft deze stelling naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrouw eerder had kunnen beginnen met studeren en dat deze studie alsdan reeds enkele jaren geleden afgerond zou zijn, waarmee haar kansen op de arbeidsmarkt groter zouden zijn geweest dan zij thans zijn. Als de alimentatie nu wordt stopgezet, heeft dat tot gevolg dat de vrouw zal moeten leven van haar vermogen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij nog ongeveer € 16.000,- aan spaargeld op haar bankrekening heeft staan, hetgeen betekent dat zij niet veel ruimte heeft ter overbrugging. Wanneer haar spaargeld op is, zal zij haar woning aan de [adres] moeten verkopen en de overwaarde te gelde moeten maken. Gelet op de limiteringsgedachte is de rechtbank eveneens van oordeel dat het aandeel van de vrouw in het onroerend goed '[woning]' zo nodig te gelde kan worden gemaakt. De rechtbank begrijpt dat de vrouw dit niet wenst, doch gelet op de limiteringsgedachte kan niet van de man worden verwacht dat hij onbeperkt alimentatie blijft voldoen. Anderzijds heeft de man niet aangetoond noch gesteld dat zijn huidige draagkracht betaling van een partnerbijdrage niet toelaat.

De rechtbank is alle omstandigheden tegen elkaar afgewogen van oordeel dat beëindiging nu te ingrijpend zou zijn voor de vrouw maar ziet aanleiding voor een gefaseerde afbouw van de alimentatie gedurende 2 jaar. De rechtbank zal de alimentatie jaarlijks verlagen, de wettelijke indexering uitsluiten en bepalen dat verlenging van de termijn niet mogelijk is.

De rechtbank zal de onderhoudsbijdrage met ingang van

22 maart 2007 vaststellen op € 2.000,- per maand;

22 maart 2008 vaststellen op € 1.000,- per maand;

en bepalen dat deze met ingang van 22 maart 2009 zal worden beëindigd.

Proceskostenveroordeling

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING met wijziging in zoverre van voormelde beschikking:

De rechtbank:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van

22 maart 2007 op € 2.000,- per maand;

22 maart 2008 op € 1.000,- per maand;

sluit op de hiervoor vastgestelde bedragen de jaarlijkse wettelijke indexering uit;

bepaalt dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw eindigt met ingang van 22 maart 2009;

bepaalt dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Herweijer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2008.