Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2670

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/36737
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Associatiebesluit 1/80 / gezinsleden Turkse werknemer / rechtsgevolgen naturalisatie

De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel degelijk een beroep toekomt op het Besluit 1/80 nu dit Besluit ziet op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen (zoals ook staat vermeld in paragraaf B11/3.1 van de Vc 2000). Niet in geschil is dat eiseres bij besluit van 7 oktober 2004 rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen. Derhalve dient te worden beoordeeld of zij aanspraak kan maken op voortzetting van verblijf op grond van Besluit 1/80. De rechtbank volgt het primaire standpunt van verweerder, dat er in het kader van Besluit 1/80 sprake is van een aanvraag om eerste toelating, dan ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de echtgenoot van eiseres - voor zover hij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie. Immers, gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92), 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) worden de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

De motivering van verweerder in het bestreden besluit dat de echtgenoot van eiseres reeds ten tijde van de inreis van eiseres in Nederland de Nederlandse nationaliteit had en dat eiseres gelet hierop niet in aanmerking zou komen voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 07/36737

Datum uitspraak: 15 januari 2008

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1978,

v-nummer 070.201.0761,

van Turkse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. T. Pondaag,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 22 juni 2006 heeft eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot, de heer [echtgenoot]’ aangevraagd.

Bij besluit van 22 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 7 december 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 september 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 24 september 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 januari 2008. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Janssen.

De feiten

Eiseres is van 3 mei 2004 tot 3 mei 2005 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot, [echtgenoot]’.

Bij brief van 7 oktober 2004 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij door een ambtenaar burgerzaken of door een ambtenaar publiekszaken van de gemeente waarin zij woont, zal worden opgeroepen ter uitreiking van haar verblijfdocument.

Op 27 maart 2006 heeft eiseres een klacht ingediend omdat zij nog geen verblijfsdocument heeft ontvangen.

Deze klacht is bij brief van 9 mei 2006 gegrond verklaard. Er is toen door verweerder echter geen verblijfsdocument meer aan eiseres verstrekt nu zij geen rechtmatig verblijf in Nederland meer had.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er op grond van artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) geen sprake is van een tijdig ingediende aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiseres. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding aan eiseres kan worden toegerekend. De niet tijdig ingediende aanvraag van eiseres dient volgens verweerder gelijkgesteld te worden met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor eerste toelating. Eiseres dient dan ook te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres vervolgens afgewezen omdat zij niet beschikt over een mvv en voorts niet is gebleken dat zij behoort tot één van de categorieën genoemd in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 dan wel artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000, die voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komen. Voorts heeft verweerder geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule, zoals bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan het Turkse Associatiebesluit 1/80. Verweerder stelt zich hieromtrent primair op het standpunt dat het Turkse Associatiebesluit 1/80 niet van toepassing is op aanvragen om eerste toelating, zodat eiseres reeds hierom geen aanspraak kan maken op het Turkse Associatiebesluit 1/80. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan het Turkse Associatiebesluit 1/80 op grond van de verblijfsstatus van haar echtgenoot, nu hij door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Derhalve komt eiseres ook niet in aanmerking voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Turkse Associatiebesluit 1/80.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de weigering om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending betekent van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Tot slot is verweerder van mening dat eiseres geen aanspraak kan maken op de rechten die voortvloeien uit de Richtlijn 2003/86 van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Richtlijn 2003/86) nu haar echtgenoot valt aan te merken als een burger van de Unie.

3. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd.

Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat haar aanvraag weliswaar niet tijdig is ingediend, doch dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten nu er sprake was van een misverstand tussen haar en verweerder, dat voor rekening dient te komen van verweerder. Eiseres is dan ook van mening dat verweerder haar aanvraag had moeten aanmerken als een aanvraag voor een verblijfvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat haar aanvraag ten onrechte is afgewezen wegens het ontbreken van een mvv, nu toepassing van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ter toelichting van haar beroep op de hardheidsclausule heeft eiseres, kort samengevat en voor zover relevant, gesteld dat van haar in redelijkheid niet verwacht mag worden dat zij terugkeert naar Turkije en haar drie minderjarige kinderen in Nederland achterlaat. Immers, opvang voor haar kinderen is niet altijd voorhanden aangezien haar echtgenoot in ploegendiensten werkt. Ze kan de kinderen ook niet meenemen naar haar land van herkomst nu twee van de kinderen leerplichtig zijn en ze de Turkse taal niet zo goed beheersen dat deze kinderen in staat zijn om in Turkije lessen te volgen.

Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat haar verblijfsrecht op grond van artikel 7 van het Turkse Associatiebesluit 1/80 niet verloren is gegaan door de naturalisatie van haar echtgenoot. Eiseres verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 maart 2005 (JV 2005/205), van 31 juli 2006 (JV 2006/355) en van 19 juli 2005 (JV 2005/331). Tevens verwijst eiseres naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 16 februari 2007 (AWB 06/57872).

Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder dient te beoordelen of in haar geval artikel 8 van het EVRM noopt tot vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam van 16 maart 2007 (AWB 05/48912; JV 2007/244).

Tevens doet eiseres een beroep op de Richtlijn 2003/86 en stelt zich daarbij op het standpunt dat haar echtgenoot naast een burger van de Unie ook valt aan te merken als een langdurig in Nederland verblijvende derdelander in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn 2003/86. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de noot van prof. Groenendijk onder de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2006 (JV 2006/172). Eiseres stelt zich daarbij vervolgens op het standpunt dat indien haar echtgenoot uitsluitend als burger van de Unie zou worden aangemerkt en hij derhalve geen aanspraak kan maken op gezinshereniging op grond van de Richtlijn 2003/86 dit in strijd is met het discriminatieverbod, zoals verwoord in artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag).

Tot slot doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de zaak van de twee Turkse meisjes in Amsterdam - waaraan veel publiciteit is gegeven - die wel zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens inzake Rodrigues Da Silva en Hoogkamer (JV 2006/90).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat primair in geschil is of de termijnoverschrijding van de niet tijdig ingediende aanvraag van eiseres verschoonbaar is te achten.

6. Ingevolge artikel 3.80, eerste lid, van het Vb 2000 is de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag vóór de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 3.80, tweede lid, van het Vb 2000 wordt de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.

7. Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000, zijn, indien de niet tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, of als Nederlander, is geëindigd, de artikelen 3.71, 3.77 en 3.79 niet van toepassing en zijn de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing.

8. De rechtbank stelt vast dat de aan eiseres verleende verblijfsvergunning tot 3 mei 2005 geldig was. Op 22 juni 2006 is door eiseres de onderhavige aanvraag ingediend. Niet in geschil is dat de aanvraag niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van de stelling van eiseres, dat in haar geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 3.80, eerste lid, van het Vb 2000, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en met het beginsel van fair play. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar bij besluit van 7 oktober 2004 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier, doch dat zij nimmer een verblijfsdocument heeft ontvangen. Eiseres is van mening dat het haar niet te verwijten valt dat zij niet eerder contact heeft opgenomen met verweerder omtrent haar verblijfsdocument aangezien verweerder heeft benadrukt dat zij geen contact moest opnemen. Eiseres verwijst daarbij naar de brief van 7 oktober 2004 (behorend bij het besluit van 7 oktober 2004) waarin staat dat:

“Om de afwikkeling van de zaak zo doelmatig te laten verlopen verzoek ik jullie deze oproep af te wachten. Ik verzoek jullie met klem niet tussentijds contact op te nemen met hetzij de gemeente waar u woon- of verblijfplaats heeft, hetzij met de naburige gemeente.”

Voorts stelt eiseres dat zij vanaf maart/april 2005 meerdere malen contact heeft opgenomen met de gemeente en verweerder, maar dat haar nimmer is medegedeeld dat zij een verzoek tot verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning moest indienen. Ook toen haar kinderen op 6 juli 2005 wel in het bezit werden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (en het bijbehorende verblijfsdocument), kreeg eiseres geen verblijfsdocument. Eiseres stelt dat haar telkens enkel werd medegedeeld dat ze moest afwachten. Verweerder heeft dan ook gehandeld in strijd met de informatieplicht, aldus eiseres.

9. De rechtbank acht het niet bevreemdingwekkend dat verweerder door deze gang van zaken een dusdanige onduidelijkheid bij eiseres heeft gecreëerd dat zij heeft nagelaten tijdig een verlengingsaanvraag in te dienen, maar de rechtbank is evenwel van oordeel dat deze omstandigheid alleen onvoldoende aanleiding is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Immers, gelet op het bepaalde in paragraaf B1/1.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is het uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor het tijdig indienen van de aanvraag, desnoods met tussenkomst van derden. Nu eiseres niet betwist dat zij het besluit van 7 oktober 2004 heeft ontvangen en op dit besluit vermeld stond dat haar verblijfsvergunning regulier een geldigheidsduur had tot 3 mei 2005, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres (desnoods met tussenkomst van een derde) tijdig een verlengingsaanvraag had kunnen en moeten indienen.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de termijnoverschrijding aan eiseres kunnen toerekenen en de aanvraag van eiseres van

22 juni 2006 kunnen aanmerken als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

11. De rechtbank stelt vast dat vervolgens in geschil is of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. Evenmin is tussen partijen in geschil dat eiseres niet valt onder de in artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde categorieën vreemdelingen die van het bezit van een (geldige) mvv zijn vrijgesteld. Derhalve staat de rechtbank voor de vraag of verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat er geen reden is voor toepassing van de hardheidsclausule.

13. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Blijkens artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan onze Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze bepaling wordt aangeduid als de hardheidsclausule. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de zogenoemde hardheidsclausule toe te passen, dient de rechtbank zich terughoudend op te stellen bij de toetsing aan artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000.

14. Gelet op hetgeen door eiseres is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De enkele stelling van eiseres dat er voor haar drie minderjarige kinderen geen opvang voor handen is, heeft verweerder als onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule kunnen aanmerken. Immers, eiseres heeft geenszins onderbouwd dat er voor haar kinderen geen opvang voor handen is. Het enkele feit dat haar echtgenoot in ploegendiensten werkt is ontoereikend om deze stelling te onderbouwen. Voorts is niet door eiseres onderbouwd waarom zij haar kinderen en haar echtgenoot niet mee zou kunnen nemen naar haar land van herkomst gedurende de mvv-procedure. De enkele stelling dat haar twee schoolgaande kinderen de Turkse lessen niet kunnen volgen is daartoe onvoldoende. Derhalve heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar beroep op de hardheidsclausule onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van eiseres niet dusdanig is dat van haar niet verlangd kan worden de mvv-aanvraag in haar land van herkomst af te wachten.

15. De rechtbank stelt vast dat voorts in geschil is of eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid en onder e, van het Vb 2000, voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt.

16. Artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 bepaalt:

“Van het vereiste van een geldige mvv is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.”

17. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of eiseres rechten kan ontlenen aan artikel 7 van het Turkse Associatiebesluit 1/80.

18. Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd. De Associatieraad heeft op 19 september 1980 het Associatiebesluit 1/80 (hierna: Besluit 1/80) genomen.

19. Artikel 7 van het Besluit 1/80 bepaalt:

Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

- hebben het recht om - onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang - te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste drie jaar aldaar legaal wonen;

- hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.

20. In paragraaf B11/3.4 van de Vc 2000 is bepaald dat onder gezinsleden wordt verstaan, de echtgenoot van de Turkse werknemer, hun bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van de eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn en de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn.

21. De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel degelijk een beroep toekomt op het Besluit 1/80 nu dit Besluit ziet op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen (zoals ook staat vermeld in paragraaf B11/3.1 van de Vc 2000). Niet in geschil is dat eiseres bij besluit van 7 oktober 2004 rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen. Derhalve dient te worden beoordeeld of zij aanspraak kan maken op voortzetting van verblijf op grond van Besluit 1/80. De rechtbank volgt het primaire standpunt van verweerder, dat er in het kader van Besluit 1/80 sprake is van een aanvraag om eerste toelating, dan ook niet.

22. De rechtbank stelt vast dat het tussen partijen niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres door naturalisatie zijn Turkse nationaliteit niet heeft verloren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de echtgenoot van eiseres - voor zover hij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie. Immers, gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92), 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) worden de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

De motivering van verweerder in het bestreden besluit dat de echtgenoot van eiseres reeds ten tijde van de inreis van eiseres in Nederland de Nederlandse nationaliteit had en dat eiseres gelet hierop niet in aanmerking zou komen voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet voldoet aan artikel 7 van het Besluit 1/80 en waarom aan haar een daarmee samenhangend recht op verblijf onthouden kan worden. Verweerder dient dan ook nader te onderzoeken of eiseres niet rechtstreeks aan het Besluit 1/80 haar verblijfsrecht ontleent dan wel dat zij op grond van artikel 3.71, tweede lid en onder e, van het Vb 2000, voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking dient te komen.

23. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens eiseres tegen in is gebracht, behoeft, gelet op het bovenstaande, derhalve geen verdere bespreking.

24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het bovenstaande niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep is gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 10 september 2007;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseres € 143,-- te betalen ter vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. I.D. Jacobs en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2008 in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts als griffier.

de griffier

de rechter