Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2429

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/47440
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / toevoegen (andere) raadsman

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tegemoet te komen aan eisers ter zitting gedane verzoek alsnog aan hem een andere raadsman toe te voegen omdat hij een andere raadsman zou hebben. De rechtbank heeft hierbij mede in overweging genomen dat eisers proceshouding ter zitting zich kenmerkte door steeds andere dingen te beweren en hij op de vraag wie zijn raadsman dan was, te kennen gaf dat niet meer te weten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

Proc.nr.: AWB 07/47440

Inzake:

[Eiser],

volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1977 en van Algerijnse nationaliteit, verblijvende in op de Detentieboot Stockholm te Rotterdam,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 19 december 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft volgens de gedingstukken op 19 december 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, waarna hij op diezelfde datum in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Bij beroepschrift van 21 december 2007 is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 januari 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.A. Hansen. Als tolk in de Franse taal was aanwezig mevrouw H. Kapar.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de Vw 2000 en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 2 januari 2008 heeft de behandeling van het beroep van eiser ter zitting plaatsgevonden.

Nadat de behandeling was geopend en de tolk in de Franse taal zich aan eiser had voorgesteld, gaf eiser aan in het Arabisch te willen worden gehoord. Tijdens de gehoren in het kader van de inbewaringstelling is eiser steeds in het Frans gehoord. Volgens de processen-verbaal van die gehoren sprak en verstond eiser die taal goed. Ook het verloop van de behandeling ter zitting, alwaar eiser diverse malen het woord heeft gevoerd, heeft de rechtbank geen enkele aanleiding gegeven om te veronderstellen dat eiser het Frans onvoldoende machtig was.

Ter zitting is door eisers gemachtigde vervolgens het volgende aangevoerd. Eiser verblijft sinds 2001 in België en heeft zich aldaar in 2006 gemeld zonder een verblijfsvergunning aan te vragen. Eiser is naar Nederland gekomen om alhier een asielaanvraag in te dienen, aangezien hij in Algerije als Berber wordt gediscrimineerd en hij voor een verboden organisatie demonstraties heeft georganiseerd. Gelet op de inmiddels door eiser ingediende asielaanvraag kan worden volstaan met een lichter middel, zijnde overplaatsing naar een aanmeldcentrum, en dient de bewaring te worden opgeheven.

Vervolgens heeft eiser ter zitting zelf verklaard dat hij, anders dan door verweerder en zijn gemachtigde is gesteld geen asielaanvraag heeft ingediend. Eiser was immers op doorreis naar Duitsland teneinde aldaar een asielaanvraag in te dienen. Eiser heeft in dit verband verder verklaard dat de IND hem een blanco vel papier ter tekening heeft voorgehouden dat hij gedwongen moest tekenen. Met die handelwijze is eiser het niet eens.

De rechtbank heeft eiser vervolgens gedingstuk 4, zijnde een aanvraag van 19 december 2007 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, voorgehouden en hem gevraagd of hij dat stuk kende. Eiser gaf in reactie hierop allereerst aan dat in dat stuk fouten stonden, waarna hij vervolgens aangaf niet te kunnen zeggen of hij het eerder had gezien omdat het in het Nederlands was. Desgevraagd gaf hij verder aan niet te weten of het zijn handtekening was die op dat formulier stond. Uit het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van een gehoor van 19 december 2007 blijkt verder dat eiser het volgende heeft verklaard:

“Ik ben voor het eerst in Nederland. Ik heb sinds 2001 in België gewoond. Ik heb mij pas in 2006 gemeld in België. Ik wilde geen politiek asiel aanvragen in België omdat het politieke klimaat daar niet goed is op het moment. Ik ben in Nederland omdat ik asiel wil aanvragen en om te zien hoe dit gaat in verband met de Nederlandse wet. Ik heb pas nu het idee om asiel aan te vragen.”

Uit het dossier blijkt overigens niet dat eiser bekend is in België bij de Belgische autoriteiten.

In het licht van hetgeen eiser heeft verklaard bij het voormelde gehoor op 19 december 2007, een van dezelfde datum daterende asielaanvraag, de wisselende verklaringen van eiser omtrent de reden van zijn komst naar Nederland en zijn reisdoel en de ongeloofwaardigheid van eisers verklaring dat hij niet weet of het zijn handtekening op de bedoelde asielaanvraag is, acht de rechtbank eisers ontkenning dat hij een asielaanvraag heeft ingediend eveneens ongeloofwaardig. Wat daarvan overigens ook moge zijn, zelfs indien er geen asielaanvraag zou zijn dan wordt daardoor de bewaring niet onrechtmatig.

De rechtbank overweegt vervolgens nog het volgende.

Op schriftelijk verzoek van mr. Van Overloop is zij bij last van 27 december 2007 met toepassing van het bepaalde in artikel 100, tweede lid, van de Vw 2000 toegevoegd aan eiser als raadsman. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat voormeld verzoek van mr. Van Overloop ten tijde van de indiening daarvan niet is ingediend namens de vreemdeling. Te meer niet nu de gemachtigde ter zitting een toelichting heeft gegeven met betrekking tot de door eiser in Algerije ondervonden problemen, welke toelichting door eiser niet is bestreden. Eerst nadat voormelde raadsman ter zitting vervolgens het standpunt aangaande de inbewaringstelling namens eiser nader heeft toegelicht en de gemachtigde van verweerder daarop had gereageerd, heeft eiser aan wie het laatste woord werd gegeven, onder meer aangegeven een andere raadsman te hebben en niet bijgestaan te willen worden door mr. Van Overloop. Nadat eiser werd gevraagd wie die raadsman dan was, gaf eiser te kennen dat niet meer te weten. De rechtbank heeft in het voorgaande, eisers proceshouding ter zitting - die zich kenmerkte door steeds andere dingen te beweren - daarbij mede in aanmerking nemende, geen aanleiding gezien alsnog een andere raadsman aan eiser toe te voegen en/of in dit verband de behandeling ter zitting te schorsen. Voorts heeft de rechtbank in de gang van zaken ter zitting evenmin aanleiding gezien om te veronderstellen dat mr. Van Overloop eiser niet adequaat in rechte heeft bijgestaan. Eiser is verder in staat gesteld en heeft van die mogelijkheid ook uitdrukkelijk gebruik gemaakt om zijn standpunt ten aanzien van de opgelegde maatregel kenbaar te maken.

Vervolgens wordt als volgt overwogen.

Verweerder heeft eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel over voldoende middelen om zijn terugreis te bekostigen.

Bovenstaande gronden zijn onbestreden gebleven en vormen bovendien voldoende grond ernstig te vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

De rechtbank overweegt, dat het aan verweerder is om te beoordelen of een beoogde uitzetting met een minder belastend middel veilig is te stellen. Als er gronden voor inbewaringstelling zijn, kan de rechtbank het oordeel of verweerder met een lichter middel kan volstaan slechts zeer terughoudend toetsen. Nu door of namens eiser geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen heeft verweerder kunnen stellen dat niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan.

Aangezien eiser volgens de aan verweerder ter beschikking staande gegevens op 19 december 2007 een asielaanvraag heeft ingediend en eiser eerst ter zitting kenbaar heeft gemaakt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te wensen, heeft verweerder tot dat moment kunnen afzien van het verrichten van verwijderingsactiviteiten en kan dan ook niet worden gezegd dat geen reëel zicht op uitzetting bestaat of dat met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Het vorenstaande maakt dat de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 in rechte stand kan houden en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Vorenstaand oordeel brengt met zich dat een grondslag voor toekenning van schadevergoeding ontbreekt.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 8 januari 2008