Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2220

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
09/650032-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Het onderzoek ter terechtzitting wordt heropend en geschorst. De rechtbank acht zich omtrent de persoon van de verdachte niet voldoende ingelicht en volgt het advies van de psycholoog en psychiater om de verdachte nader te observeren in een setting als die van het Pieter Baan Centrum. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen, dat het hier gaat om verdenking van een zeer ernstig feit. Verdachte heeft in het verleden al eens de maatregel van plaatsing in inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) opgelegd gekregen. Toen zou sprake zijn geweest van een gedragsstoornis. De vraag rijst of bij verdachte nu nog sprake is van een stoornis en zo ja, op welke wijze dat van invloed zou kunnen zijn geweest op de telastgelegde feiten. De rechtbank acht het voorts van belang, dat het eerste en tweede politieverhoor van verdachte, die met audioapparatuur zijn opgenomen, letterlijk worden uitgewerkt. De rechtbank verzoekt de officier van justitie deze aan het dossier toe te voegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(TUSSENVONNIS)

parketnummer 09/650032-07

's-Gravenhage, 18 januari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland" Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 juli 2007, 08 oktober 2007 en 04 januari 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. Szegedi, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. Beliën heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder impliciet primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder impliciet subsidiair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (ad € 6.839,00) en [benadeelde partij 2] (ad € 1.116,42) met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1 zal worden onttrokken aan het verkeer, en dat de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2 t/m 5 zullen worden teruggegeven aan verdachte.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.

Na de sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De rechtbank acht zich omtrent de persoon van de verdachte niet voldoende ingelicht.

In dit verband heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychologisch rapport d.d. 28 september 2007 van drs. H.C. Both. Verdachte maakte in de twee gesprekken met de psycholoog een verschillende indruk. De combinatie van impulsiviteit, achterdocht en agressie die bij verdachte in het tweede gesprek werd waargenomen en die ook in het testonderzoek naar voren kwam geeft, volgens de psycholoog, aanleiding tot zorg. In het psychiatrisch rapport d.d. 29 oktober 2007 meent de psychiater, drs. A.M.M. van der Reijken, onvoldoende gegevens te hebben om een uitspraak te doen omtrent de persoonlijkheid van verdachte. De psychiater geeft aan dat er meer kanten zijn bij verdachte dan dat zij te zien heeft gekregen.

Beide deskundigen achten het van belang dat verdachte nader wordt geobserveerd in een setting als die van het Pieter Baan Centrum.

De rechtbank zal dit advies volgen en heeft daarbij in aanmerking genomen, dat het hier gaat om verdenking van een zeer ernstig feit. Verdachte heeft in het verleden al eens de maatregel van plaatsing in inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) opgelegd gekregen. Blijkens het rapport van de GZ-psycholoog drs. E.M. van Engers, van 8 juli 2007, waarbij hij zijn opdracht retourneerde, zou toen sprake zijn geweest van een gedragsstoornis. De vraag rijst of bij verdachte thans nog sprake is van een stoornis en – zonder vooruit telopen op enig te nemen bewijsbeslissing - zo ja, op welke wijze dat van invloed zou kunnen zijn geweest op de telastgelegde feiten.

Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst.

De rechtbank acht het voorts, gelet op het verhandelde ter terechtzitting van 4 januari 2008, van belang, dat het eerste en tweede politieverhoor van verdachte op 09 april 2007, welke verhoren met audioapparatuur zijn opgenomen, letterlijk worden uitgewerkt.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie deze aan het dossier toe te voegen.

De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van één maand, doch niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt en dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid.

Beslissing.

De rechtbank,

heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting binnen 3 maanden na heden;

beveelt, omdat zij zich gelet op het vorenstaande omtrent de persoon van verdachte onvoldoende voorgelicht acht, op grond van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering dat verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke vragen omtrent de persoonlijkheid, verdachtes geestvermogens en toerekeningsvatbaarheid en de aan te bevelen straf en/of maatregel ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, van welk persoonlijkheidsonderzoek door twee gedragsdeskundigen op de gebruikelijke wijze rapport zal worden uitgebracht;

benoemt in deze zaak tot deskundige:

De geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum te Utrecht, of een ander beëdigd deskundige verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, die door het Gerechtshof te Amsterdam beëdigd is als gerechtelijk deskundige, teneinde een onderzoek in te stellen naar de geestvermogens van verdachte ter beantwoording van de vragen:

a. welke de persoonlijkheid van de verdachte is;

b. of, ten tijde dat de telastgelegde feiten zouden zijn begaan, bij verdachte gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke storing van haar geestvermogens bestond en, zo ja, of die feiten aan verdachte dientengevolge niet of niet ten volle kunnen worden toegerekend;

c. welke straf en/of maatregel, uit psychiatrisch oogpunt beschouwd, aanbeveling verdient;

bepaalt dat dit onderzoek zo spoedig mogelijk zal aanvangen en zal plaatsvinden te Utrecht en/of elders;

verzoekt de deskundige een met redenen omkleed schriftelijk verslag uit te brengen;

stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde uitvoering te geven aan hetgeen in dit tussenvonnis is aangegeven;

beveelt de oproeping van de verdachte, tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting;

beveelt de kennisgeving aan de raadsman van de verdachte van het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Bockwinkel en Lips, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hardon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 januari 2008.