Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2217

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/47469
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / lichter middel / vijf maanden verstreken na redelijk vermoeden van illegaal verblijf

Op 17 juli 2007 werd eiser aangehouden wegens openbare dronkenschap, waarna de politie hem naar zijn verblijfadres in Amsterdam heeft gebracht. Uit het dossier blijkt dat op dat moment reeds een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Wegens capaciteitsgebrek (geen celruimte) besloot de politie op een later moment terug te gaan naar het pand. Pas op 12 december 2007, vijf maanden later, is de politie teruggekeerd naar het pand met als doel eiser staande te houden. Verweerder dient te motiveren waarom in dit geval, waarin eiser eerst vijf maanden na het ontstaan van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is staande gehouden, niet had kunnen worden volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling. Het enkele verwijzen naar het capaciteitsgebrek en het immer blijven bestaan van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/47469

V-nr.: 914.023.4200

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1966, van gestelde Indiase nationaliteit, verblijvende op het Detentieplatform Zaandam, eiser,

gemachtigde: mr. R.K. Uppal, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.X. Cozijn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 12 december 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 21 december 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 4 januari 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S.P. Baksoelah-Rauf, tolk in de taal Hindi. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de maatregel disproportioneel is, omdat verweerder ook had kunnen volstaan met het toepassen van een lichter middel dan bewaring. Immers, eiser is op 17 juli 2007 aangehouden wegens openbare dronkenschap, waarna de politie hem naar zijn vaste verblijfadres in Amsterdam heeft gebracht. Uit de stukken blijkt dat op dat moment reeds een redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van eiser bestond. Echter, verweerder heeft eerst vijf maanden later dat adres opnieuw bezocht en vervolgens eiser die aldaar werd aangetroffen in bewaring gesteld. Met het voorgaande is tevens aangetoond dat eiser wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daarnaast heeft verweerder in onvoldoende mate onderzocht of eiser voldoende middelen van bestaan heeft. Aan eiser is slechts de vraag gesteld of hij geld had.

Daarop heeft eiser vermeld hoeveel geld hij op dat moment bij zich had, hetgeen niet tevens betekent dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser beschikt namelijk wel degelijk over voldoende middelen van bestaan. Eiser heeft immers een baan. Ten slotte heeft verweerder niet onderzocht of het paspoort van eiser zich bevond bij de ambassade van de Indiase autoriteiten in Duitsland.

Verweerder heeft in reactie hierop het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. De oplegging en voortduring van de bewaring zijn rechtmatig. De grond dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft kan aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, nu eiser niet is ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Eveneens kan de grond dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Immers, uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat eiser over enig inkomen beschikt. Daarnaast bestond er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Dit vermoeden was ontstaan bij het incident op 17 juli 2007. Destijds was er onvoldoende capaciteit om eiser in bewaring te stellen. Echter, het redelijk vermoeden is immer blijven bestaan, hetgeen de aanleiding was om thans de betreffende woning te bezoeken en eiser aan te houden. Daar komt bij dat sprake is van criminele antecedenten. Immers, eiser verklaart zelf driemaal met politie in aanraking te zijn geweest. Ten slotte verblijft eiser hier reeds vele jaren zonder zijn verblijf te legaliseren.

De rechtbank overweegt het volgende.

Blijkens paragraaf A6/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dient de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel, vanwege het ingrijpende karakter, beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Steeds zal nagegaan moeten worden of met een lichter middel volstaan kan worden. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) dienen voortdurend in acht genomen te worden.

Niet in geschil is dat het redelijk vermoeden van illegaal verblijf reeds op 17 juli 2007 is ontstaan. Wegens capaciteitsgebrek is destijds besloten op een later stadium naar dit pand terug te gaan. Op 12 december 2007, vijf maanden later, is de politie teruggekeerd naar dit adres, met als doel de staande houding van eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder in het geval als het onderhavige, waarin eiser eerst vijf maanden na het ontstaan van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is staande gehouden, te motiveren waarom desondanks niet met een lichter middel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder heeft dit met de enkele verklaring dat er destijds sprake was van een capaciteitsgebrek en dat er immer sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, in onvoldoende mate gedaan.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De overige gronden kunnen daarom onbesproken blijven. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring met onmiddellijke ingang bevolen.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 95,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, te weten twee dagen, en € 70,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, te weten vierentwintig dagen, derhalve in totaal € 1870,--.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring met onmiddellijke ingang wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1870,-- (zegge: eenduizend achthonderdzeventig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 7 januari 2008 door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Talsma , griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: LT

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.