Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC1974

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
277031 - HA ZA 06-3841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige wet-/regelgeving; Staat (Ministerie LNV, varkens); OD/verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 277031 / HA ZA 06-3841

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] cs en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 30 oktober 2006 met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, tevens akte houdende vermeerdering van eis;

- de conclusie van dupliek met producties;

- het vonnis van 10 oktober 2007 waarin het verzoek om pleidooi is afgewezen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In februari 1997 heeft, rond Venhorst in Noord-Brabant, een uitbraak van de klassieke varkenspest plaatsgevonden.

2.2. Op 2 juni 1997 is door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de Regeling fokverbod varkens I uitgevaardigd, waarmee voor een beperkt gebied een fokverbod is gaan gelden. Het gebied waarvoor het fokverbod gold, is op 24 juni 1997 met de Regeling fokverbod varkens II uitgebreid. Op 12 november 1997 zijn beide regelingen ingetrokken. De Regelingen fokverbod varkens I en II worden hierna tezamen'de Regeling genoemd.

2.3. Bij uitspraken van 3 augustus 2001 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de Regeling fokverbod varkens II 1997 onverbindend verklaard omdat hogere regelgeving, met name de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, daarvoor geen grondslag bood.

2.4. Naar aanleiding van deze uitspraken hebben vele varkenshouders de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de werking van de Regeling. De Staat is, zonder erkenning van aansprakelijkheid, met de varkenssector in overleg getreden. Daaruit is de Schaderegeling Bedrijven met vermeerderingszeugen en Gesloten bedrijven d.d. 7 oktober 2003 voortgekomen. Deze behelst voor zover relevant:

'(...) 1. Inleiding

(...)

De Staat heeft onder ogen gezien dat aan de hand van de uitspraak Staat/Van Gelder van de Hoge Raad in rechte verdedigd zou kunnen worden dat hij door uitvaardiging van de fokverboden onrechtmatig heeft gehandeld. Tegen die achtergrond heeft hij ervoor gekozen om - zonder overigens aansprakelijkheid te erkennen - te bezien of met enkele categorieën claimanten tot een minnelijke regeling kan worden gekomen, langs de hierna weergegeven schaderegeling (waarbij het begrip 'regeling' geen publiekrechtelijke basis heeft noch bedoelt te hebben). Daarbij is inderdaad geen onderscheid gemaakt tussen diegenen die zijn getroffen door de Regeling fokverbod varkens II 1997 en de Regeling fokverbod varkens I 1997.

Claimanten kunnen worden onderscheiden in vijf categorieën:

- basisfokbedrijven;

- subfokbedrijven;

- bedrijven met vermeerderingszeugen;

- gesloten bedrijven;

- k.i.-stations.

De regeling kent geen uitwerking voor de eerste twee categorieën claimanten. Via de hierna te noemen deskundigen wordt onderzocht of ook voor die categorieën een regeling kan worden ontworpen. (...)

Tot slot speelt nog het punt van verjaring. (...)

De door de fokverboden getroffen varkenshouders waren op de dag van uitvaardiging van die verboden (3 resp. 24 juni 1997) bekend met de (rechts)persoon die daarvoor in geval van onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden gehouden, nu die uitvaardiging door de minister van LNV, orgaan van de Staat, heeft plaatsgevonden.

De schade is echter later geleden, te weten - zoals hierna wordt uitgewerkt - tussen 8/29 december 1997 en 19 mei 1998. Ter vermijding van discussie zal de Staat uitgaan van laatstgenoemde datum, hetgeen meebrengt dat die claimanten die hun vordering niet vóór 19 mei 2003 hebben gestuit of door tussenkomst van een vertegenwoordiger hebben doen stuiten, niet voor vergoeding onder de regeling in aanmerking komen.

(...)'

2.5. [eiser sub 1] cs exploiteren varkensbedrijven op verschillende locaties. [eiser sub 1] cs hebben de Staat bij brief van 11 juli 2006 aansprakelijk gesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] cs vorderen, na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I verklaart voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de door [eiser sub 1] cs geleden schade als gevolg van het bij de Regeling ingestelde verbod tot het laten bevruchten of insemineren van varkens;

II de Staat veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser sub 1] cs geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het instellen van het verbod;

III de Staat veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser sub 1] cs stellen daartoe, in het licht van voornoemde feiten, dat de door hen geëxploiteerde varkensbedrijven onder de werking van de Regeling vielen. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld jegens hen door het instellen van het fokverbod en het dreigen met strafvervolging bij overtreding hiervan. Immers, vast is komen te staan dat het instellen van een dergelijk verbod, bij het ontbreken van een grondslag in hogere regelgeving, onverbindend is. De Staat dient derhalve de door hen geleden en nog te lijden schade te vergoeden.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst komt aan de orde het verweer van de Staat dat eiser sub 2 (hierna te noemen: '[eiser sub 2]') niet ontvankelijk is in zijn vordering aangezien het door hem geëxploiteerde varkensbedrijf niet onder de werking van de Regeling viel. De Staat voert in dat verband aan dat het adres waar destijds door [eiser sub 2] zeugen werden gehouden niet in het gebied was gelegen waar de Regeling gold. Voorts dat het vorderingsrecht niet aan [eiser sub 2] alleen toekomt aangezien het door hem geëxploiteerde varkensbedrijf een maatschap was. [eiser sub 1] cs weerspreken dit en betogen dat het desbetreffende adres wel binnen het gebied van de Regeling was gelegen en verder dat de medevennoot van [eiser sub 2] in 1999 is overleden zodat hij gerechtigd is om alleen de vordering in te stellen.

4.2. Wat daar ook van zij, nu het beroep van de Staat op verjaring slaagt, laat de rechtbank uit praktisch oogpunt de eventuele niet-ontvankelijkheid van [eiser sub 2] in het midden.

4.3. Partijen twisten over de vraag wanneer de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. De Staat voert in dat verband aan dat de betrokken varkenshouders reeds op het moment van het uitvaardigen van de fokverboden (respectievelijk 3 juni 1997 en 24 juni 1997) bekend waren met de (rechts)persoon die voor die fokverboden aansprakelijk zou kunnen worden gehouden. De schade was in ieder geval op 19 mei 1998 bekend aan de betrokken partijen. De verjaringstermijn is derhalve verstreken op 19 mei 2003. [eiser sub 1] cs betwisten niet dat de schade aan hen bekend was op 19 mei 1998, maar zij weerspreken dat zij op dat moment bekend waren met de aansprakelijke (rechts)persoon. In dat verband betogen zij dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen nadat aan hen bekend was geworden dat zij een civiele vordering op de Staat hadden, dus na de uitspraken van het CBB op 3 augustus 2001 (r.o. 2.3). Het beroep op verjaring achten zij in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.4. Op de onderhavige vordering is de verjaringsbepaling van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek van toepassing. Daarin is bepaald dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. In de jurisprudentie is het criterium 'bekend is geworden' aldus opgevat en uitgewerkt dat deze verjaringstermijn pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen (Hoge Raad 31 oktober 2003 (NJ 2006, 112). Voorts volgt uit Hoge Raad 26 november 2004 (NJ 2006, 115) en 5 januari 2007 (NJ 2007, 320) dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet vereist is dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

4.5. Niet in geschil is dat de Regeling in de Staatscourant is gepubliceerd. De minister van LNV, die de Regeling heeft uitgevaardigd, is een orgaan van de Staat. Een en ander betekent naar het oordeel van de rechtbank dat [eiser sub 1] cs al in de loop van 1997 daadwerkelijk bekend waren met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de aansprakelijke rechtspersoon. Toen zij bovendien bekend waren geworden met de schade, waren zij daadwerkelijk in staat een rechtsvordering in te stellen en de (on)verbindendheid van de Regeling door de rechter te laten toetsen. Weliswaar stond tegen de Regeling als algemeen verbindend voorschrift op grond van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht geen rechtstreeks beroep op de bestuursrechter open, maar dat neemt niet weg dat zij zich tot de burgerlijke rechter hadden kunnen wenden. Ook hadden zij ervoor kunnen kiezen een appellabel besluit in de zin van de Awb uit te lokken en dit vervolgens ter toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen, zoals is gedaan in de zaken die tot meergenoemde CBB-uitspraken hebben geleid. De verjaring is dus niet later aangevangen dan op 19 mei 1998, de door de Staat aangehouden en door [eiser sub 1] cs niet betwiste datum van bekendheid met de schade. Op 11 juli 2006, toen de Staat door [eiser sub 1] cs aansprakelijk werd gesteld, was de verjaringstermijn mitsdien verstreken.

4.6. Het voorgaande betekent tevens dat de verjaring op 3 augustus 2001, toen het CBB zijn uitspraken deed, nog niet was voltooid. Desgewenst hadden [eiser sub 1] cs op dat moment kunnen volstaan met stuiting van de lopende verjaring. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.7. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan de inhoudelijke

beoordeling van het door [eiser sub 1] cs aan hun vordering ten grondslag gelegde. De vorderingen worden afgewezen.

4.8.[eiser sub 1] cs zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Op verzoek van de Staat zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met bepaling dat [eiser sub 1] cs over die kosten de wettelijke rente verschuldigd zullen zijn. Voor de eveneens gevraagde veroordeling tot betaling van nakosten bestaat geen grond.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser sub 1] cs in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 248,- aan verschotten en op € 904,- aan procureurskosten;

- bepaalt dat [eiser sub 1] cs over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd zullen zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op

16 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.