Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC1909

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/48085
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Irak / geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn / geen concrete termijn

Gebleken is dat in januari 2007 voor het laatst een persoon gedwongen is uitgezet op grond van een EU-staat. De Iraakse autoriteiten hebben in februari 2007 aangegeven dat zij verwijdering op basis van een EU-document opnieuw willen bespreken. Dit is op 16 april 2007 gebeurd. Afgesproken is dat de zaak ook ter beoordeling naar de autoriteiten in Irak wordt gezonden. Inmiddels zijn er op 25 juni en 22 augustus 2007 twee lijsten van personen doorgezonden naar de autoriteiten in Noord-Irak ter vaststelling van de afkomst van die personen. Hierop is nog geen bericht ontvangen. Door DT&V wordt maandelijks en steeds indringender gerappelleerd. Inmiddels worden zaken van Iraakse vreemdelingen ook individueel aangeboden en worden vreemdelingen bij de ambassade in Irak gepresenteerd. Indien de autoriteiten weer akkoord geven voor verwijderingen dan zal dit wederom op een EU-staat gebeuren. Er gaan regelmatig vluchten van Frankfurt naar Arbil en Sulaymanya. DT&V werkt onverkort aan het voorbereiden van terugkeer van personen naar Noord-Irak. Verweerder streeft er naar de uitzettingen naar Noord-Irak op zo kort mogelijke termijn te hervatten. De voorbereidingen hiervoor bevinden zich in een zeer ver gevorderd stadium. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het bovenstaande weliswaar worden afgeleid dat de Iraakse autoriteiten in beginsel weer bereid zijn medewerking te verlenen aan gedwongen verwijdering van vreemdelingen naar Noord-Irak en dat verweerder van zijn kant er alles aan doet om tot uitzetting over te gaan. Daar staat echter tegenover dat een feit blijft dat er ondanks de hernieuwde besprekingen met de Iraakse autoriteiten na januari 2007 geen uitzettingen naar Irak meer hebben plaatsgevonden, terwijl in het faxbericht van 8 januari 2008 geen melding wordt gemaakt van een concrete termijn, waarbinnen daadwerkelijk tot uitzetting kan worden overgegaan. Verweerders beschouwingen dienaangaande blijven steken in goede voornemens en hoopvolle verwachtingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij deze stand van zaken niet worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/48085

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2008

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1984,

nationaliteit Iraakse,

verblijvende te Dordrecht in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. R.E. Temmen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.R. Berkhout.

Procesverloop

Op 13 december 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 28 december 2007 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 januari 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van nadere informatie te verstrekken door verweerder.

Bij fax van 9 januari 2008 heeft verweerder de rechtbank nader in de zaak bericht en daarvan een afschrift gezonden aan de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd bij fax van 9 januari 2008.

Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten op 10 januari 2007.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat zicht op uitzetting naar Irak ontbreekt. Voorts is aangegeven dat eiser een asielaanvraag wil indienen.

3. In het door verweerder ingezonden faxbericht van 8 januari 2008 wordt vermeld dat in januari 2007 voor het laatst een persoon gedwongen is uitgezet op grond van een EU-staat. De Iraakse autoriteiten hebben in februari 2007 aangegeven dat zij verwijdering op basis van een EU-document opnieuw willen bespreken en op 16 april 2007 heeft een Nederlandse missie met de Iraakse autoriteiten gesproken. Daarbij is afgesproken dat, nadat de Iraakse afkomst van een persoon hier te lande aannemelijk is geworden, de zaak ook ter beoordeling naar de autoriteiten in Irak wordt gezonden. Inmiddels zijn er op 25 juni en 22 augustus 2007 twee lijsten van personen doorgezonden naar de autoriteiten in Noord-Irak ter vaststelling van de afkomst van die personen. Naar aanleiding daarvan is nog geen bericht ontvangen. Door de Dienst Terukeer en Vertrek (DT&V) wordt maandelijks en steeds indringender gerappelleerd. Inmiddels worden zaken van Iraakse vreemdelingen ook individueel aangeboden en worden vreemdelingen bij de ambassade in Irak gepresenteerd. Indien de autoriteiten weer akkoord geven voor verwijderingen dan zal dit wederom op een EU-staat gebeuren. Er gaan regelmatig vluchten van Frankfurt naar Arbil en Sulaymanya. DT&V werkt onverkort aan het voorbereiden van terugkeer van personen naar Noord-Irak. Verweerder streeft er naar de uitzettingen naar Noord-Irak op zo kort mogelijke termijn te hervatten. De voorbereidingen hiervoor bevinden zich in een zeer ver gevorderd stadium.

4. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het bovenstaande weliswaar worden afgeleid dat de Iraakse autoriteiten in beginsel weer bereid zijn medewerking te verlenen aan gedwongen verwijdering van vreemdelingen naar Noord-Irak en dat verweerder van zijn kant er alles aan doet om tot uitzetting over te gaan. Daar staat echter tegenover dat een feit blijft dat er ondanks de hernieuwde besprekingen met de Iraakse autoriteiten na januari 2007 geen uitzettingen naar Irak meer hebben plaatsgevonden, terwijl in het faxbericht van 8 januari 2008 geen melding wordt gemaakt van een concrete termijn, waarbinnen daadwerkelijk tot uitzetting kan worden overgegaan. Verweerders beschouwingen dienaangaande blijven steken in goede voornemens en hoopvolle verwachtingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij deze stand van zaken niet worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

5. Nu de uitzetting van eiser van meet af aan onmogelijk is geweest, dient de bewaring om die reden ook van meet af aan voor onrechtmatig te worden gehouden. De rechtbank acht termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

7. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 10 januari 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser in beginsel over de periode van 13 december 2007 tot en met 9 januari 2008 schadevergoeding toekomt.

8. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 4 x € 95,00 en 24 x € 70,00 is € 2.060,00.

9. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

10. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

11. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 10 januari 2007;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 2.060,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier op 10 januari 2008.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.060,00 (ZEGGE: TWEEDUIZEND ZESTIG EURO)

Aldus gedaan op 10 januari 2008 door mr. A.B.M. Hent.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: