Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC1873

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
KG 07-1456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verwijderen bewijs uit strafdossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 15 januari 2008,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1456 van:

1. mr. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. mr. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. A.H. Westendorp,

advocaat mr. C. Grondsma te Leeuwarden,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie, het Openbaar Ministerie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. R.W. Veldhuis.

Eiseres sub 1 zal hierna worden aangeduid als 'mr. [eiseres sub 1]', eiseres sub 2 als 'mr. [eiseres sub 2]', eiseres sub 3 als '[eiseres sub 3]' en eiser sub 4 als '[eiser sub 4]'. Gedaagde zal worden aangeduid als 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 januari 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] hebben een affectieve relatie. Uit deze relatie is op [datum] 2007 geboren [kind]. De grootouders van [kind] zijn de heer [stiefvader van eiser sub 4] (hierna: [stiefvader van eiser sub 4]), stiefvader van [eiser sub 4], mevrouw [moeder van eiser sub 4] (hierna: [moeder van eiser sub 4]), moeder van [eiser sub 4], en mevrouw [moeder van eiseres sub 3] (hierna: [moeder van eiseres sub 3]), moeder van [eiseres sub 3].

1.2. Op 1 augustus 2007 is [kind], nadat hij door zijn grootouders bij het ziekenhuis was gebracht, opgenomen in het Medisch Centrum te Leeuwarden in verband met geconstateerde blauwe plekken en striemen. De behandelend kinderarts heeft vervolgens bij Bureau Jeugdzorg een melding gedaan van vermoedelijke mishandeling van [kind].

1.3. Op 10 augustus 2007 hebben [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [moeder van eiseres sub 3] een bespreking gehad met mr. [eiseres sub 1] in verband met het door de Raad voor de Kinderbescherming bij de rechtbank Leeuwarden ingediende verzoekschrift om [kind] voorlopig onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. Tijdens deze bespreking hebben [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] een door hen opgesteld 'verslag' van de gebeurtenissen die volgens hen hebben plaatsgevonden rond [kind] in de periode van 13 juli tot en met 7 augustus 2007 (hierna: het verslag) aan mr. [eiseres sub 1] overhandigd. Het verslag heeft als aanhef '13 juli, [plaats]' en is niet ondertekend.

1.4. Op 13 augustus 2007 heeft de secretaresse van mr. [eiseres sub 1] op verzoek van [moeder van eiseres sub 3] aan haar een kopie van het verslag verstrekt.

1.5. Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de kinderrechter van de rechtbank Leeuwarden bij beschikking van 16 augustus 2007 [kind] voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg [...] te [plaats].

1.6. Op 29 augustus 2007 heeft de behandeling van het verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling alsmede de uithuisplaatsing van [kind] plaatsgevonden bij de Rechtbank Leeuwarden. [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] werden bijgestaan door mr. [eiseres sub 2].

1.7. Op 1 en 2 oktober 2007 zijn [stiefvader van eiser sub 4] en [moeder van eiser sub 4] gehoord op het politiebureau te [plaats] respectievelijk te [plaats 2] in verband met de mogelijke mishandeling van [kind].

1.8. In het proces-verbaal van verhoor van [stiefvader van eiser sub 4] van 1 oktober 2007, omstreeks 9.00 uur, is voor zover thans van belang het volgende opgenomen:

'(...) Met [moeder van eiseres sub 3], de moeder van [eiseres sub 3] hebben we gesproken over een brief die [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] bij een advocaat hebben laten opstellen over wat er allemaal gebeurd is. In deze brief stonden wat fouten die [moeder van eiser sub 4] [[moeder van eiser sub 4], toevoeging voorzieningenrechter] en ik hebben besproken met [moeder van eiseres sub 3]. Ik heb met [moeder van eiser sub 4] op papier gezet wat er voor fouten in deze brief stonden. Ook [moeder van eiseres sub 3] die ik [moeder van eiseres sub 3] noem heeft op papier gezet wat voor fouten [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] op papier gezet hadden.'

1.9. In het proces-verbaal van verhoor van [moeder van eiser sub 4] van 2 oktober 2007, omstreeks 10.00 uur, is onder meer het volgende opgenomen:

'(...). Ja, [eiser sub 4] en [eiseres sub 3] zijn naar een advocaat geweest. Bij de advocaat hebben zij verteld dat zij maandag 30 juli 2007 naar de [bouwmarkt] zijn geweest, om wat spulletjes te halen. (...).

Via [moeder van eiseres sub 3] hebben wij een brief gekregen die [eiser sub 4] en [eiseres sub 3] hebben geschreven. Ook hebben wij van [moeder van eiseres sub 3] een brief gekregen met haar verhaal erin. [...] heeft ons verhaal ook opgeschreven. Onze brief is nergens heengegaan. Maar dit hebben wij voor onszelf opgeschreven. Ik overhandig u de stapel met brieven. Dan kunt u dit bij uw proces-verbaal voegen.'

1.10. Op 8 oktober 2007 zijn [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] aangehouden door de politie te [plaats] op verdenking van mishandeling van [kind]. [eiseres sub 3] werd in verzekering gesteld en verhoord in het bureau van politie te [plaats 2] en [eiser sub 4] in het politiebureau van [plaats].

1.11. Op 17 oktober 2007 is [moeder van eiseres sub 3] aangehouden door de politie te [plaats] op verdenking van mishandeling van [kind]. In het proces-verbaal van verhoor van [moeder van eiseres sub 3] van 18 oktober 2007, omstreeks 9.30 uur, is onder meer het volgende opgenomen:

'Ik wil terug komen op die brief aan de advocaat. In die tijd dat [eiser sub 4] en [eiseres sub 3] die brief hadden geschreven, had ik veel contact met hun. [eiser sub 4] en [eiseres sub 3] deden heel geheimzinnig over die brief. Ik had hun gevraagd om een kopie van die brief. Ik ging toen naar hun toe en toen hadden ze geen kopie. Ik ben naar de secretaresse gegaan van hun advocaat, van haar kreeg ik een kopie van die brief. Ik heb [eiseres sub 3] later geconfronteerd met de inhoud van de brief. Ik wees haar erop dat er dingen in stonden die niet klopten. (...).'

1.12. De Rechtbank Leeuwarden heeft [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] op 24 oktober 2007 in vrijheid gesteld.

1.13. Bij brief van 26 oktober 2007 heeft mr. Grondsma de Officier van Justitie bij de rechtbank Leeuwarden aangeschreven en gesommeerd het verslag en alle daaruit voortvloeiende verklaringen en stukken uit het proces-verbaal te verwijderen en te vernietigen.

1.14. Bij brief van 9 november 2007 heeft de Officier van Justitie het onder 1.13 genoemde verzoek van mr. Grondsma afgewezen, omdat hij van mening is dat 'de politie en/of justitie zich niet schuldig heeft gemaakt aan schending van het beginsel van vertrouwelijkheid van communicatie tussen cliënt en advocaat. Ik zie dan ook geen aanleiding het document alsmede de daarop gebaseerde verhoren uit het procesdossier te doen verwijderen en ben van mening dat ook geen andere beginselen van behoorlijk procesrecht hier aan in de weg staan.'

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen -zakelijk weergegeven- vernietiging van het verslag en alle daaruit voortvloeiende of daarop voortbouwende verklaringen en / of andere stukken, een en ander op straffe van een dwangsom.

Daartoe voeren eisers -samengevat- het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig jegens eisers. De Staat schendt het verschoningsrecht van mrs. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] door het verslag op te nemen in het proces-verbaal en te weigeren het verslag en de daaruit voortvloeiende verklaringen en stukken te vernietigen, in de wetenschap dat het verslag bestemd was voor een advocaat. Hierdoor handelt de Staat eveneens onrechtmatig jegens [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] die door die inbreuk in hun belangen, in het bijzonder hun belang om zich in het tegen hen lopend strafrechtelijk onderzoek adequaat te kunnen verdedigen, worden geschaad. De Staat wist in ieder geval vanaf 18 oktober 2007 toen [moeder van eiseres sub 3] bij de politie heeft verklaard op welke wijze zij het verslag had gekregen, dat het verslag was bestemd voor een verschoningsgerechtigde. Alhoewel de onderhavige casus niet letterlijk in de wet beschreven is, is het onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever ook in casu het verslag onder het verschoningsrecht te laten vallen. Artikel 126aa Sv kan naar analogie worden toegepast.

Mrs. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] hebben een spoedeisend belang bij een zo spoedig mogelijke eerbiediging van hun verschoningsrecht. [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] hebben belang bij een zo spoedig mogelijke uitspraak wegens het tegen hen lopend strafrechtelijk onderzoek.

De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding- gegeven. Zij hebben bij hun vordering ook een voldoende, op zichzelf ook niet betwist, spoedeisend belang. Ook in dit opzicht is de voorzieningenrechter dus bevoegd tot kennisneming van de vordering.

3.2. In deze zaak gaat het kort gezegd om de vraag of de weigering van de Staat om het verslag te vernietigen onrechtmatig is jegens eisers.

3.3. Vooropgesteld wordt dat de algemene regel is dat de officier van justitie stukken behelzende de resultaten van een opsporingsonderzoek aan het strafdossier toevoegt en dat de rechter-commissaris een soortgelijke taak heeft gedurende het gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van de resultaten van dat gerechtelijk vooronderzoek. Daarbij geldt dat stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor de verdachte hetzij in belastende hetzij in ontlastende zin in beginsel in het strafdossier dienen te worden gevoegd.

De beslissing om van voornoemde regel af te wijken en te bepalen dat bepaalde stukken (voorlopig) niet in het strafdossier worden gevoegd is eveneens voorbehouden aan de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris. Bij die beslissing komt hen een zeer ruime beleidsvrijheid toe. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter zich zeer terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat in dit verband. Voorts geldt dat de beoordeling en waardering van het door het openbaar ministerie vergaard bewijsmateriaal exclusief is opgedragen aan de strafrechter en dat voor de civiele rechter in beginsel geen taak is weggelegd.

3.4. In Artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

'1. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc, dan wel door de toepassing van artikel 126ff, voor zover die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.

2. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere vernietigd.'

3.5. Artikel 218 Sv ziet op het verschoningsrecht van getuigenissen of vraagbeantwoording van onder meer advocaten en artsen die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn.

3.6. In artikel 98 lid 1 Sv is het volgende bepaald:

'Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld bij artikel 218, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.'

3.7. Vast staat dat de Staat het verslag niet onder zich heeft verkregen door toepassing van enige bijzondere opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126aa lid 1 Sv. Het verslag is evenmin in beslag genomen bij mr. [eiseres sub 1] of mr. [eiseres sub 2] zoals bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv. Het verslag is door [stiefvader van eiser sub 4], [moeder van eiser sub 4] en later ook door [eiseres sub 3] zélf tijdens een verhoor aan de politie overhandigd.

3.8. Ook voor zover eisers gevolgd zouden moeten worden in hun stelling dat de artikelen 126aa lid 2 Sv en 98 Sv in de onderhavige zaak naar analogie moeten worden toegepast, geldt het volgende.

3.9. Anders dan eisers stellen is niet in hoge mate aannemelijk geworden dat het verslag 'onmiskenbaar' onder het verschoningsrecht van mrs. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] valt. Het verslag bevat geen enkele vermelding omtrent het vragen van juridisch advies of het raadplegen van een advocaat. Ook aan het uiterlijk van het verslag valt niet zonder meer te zien dat dit is opgesteld met het uitsluitende doel om in het kader van de uitoefening van de verdediging juridisch advies aan een advocaat te vragen. Zo heeft het verslag als enige aanhef '13 juli, [plaats]' en is het niet ondertekend. Het enkele feit dat het verslag aan een advocaat is overhandigd is in dit kader onvoldoende. Ook uit de onder 1.8, 1.9 en 1.11 genoemde verklaringen volgt niet zonder meer dat de politie/openbaar ministerie wist dan wel behoorde te begrijpen dat het verslag (uitsluitend) bestemd was voor een advocaat. Hierbij dient mede in aanmerking genomen te worden dat [eiser sub 4] tijdens zijn verhoor bij de politie op 22 oktober 2007 (zie proces-verbaal verhoor [eiser sub 4] van 22 oktober 2007, omstreeks 10.00 uur, productie 2 eisers) zelf heeft verklaard dat het verslag diende als 'geheugensteun' en dat hij dit op advies van zijn vader heeft opgesteld. [eiser sub 4] heeft het verslag ook aan zijn vader gemaild, die daar vervolgens weer zijn commentaar op heeft gegeven. Ook [moeder van eiseres sub 3] heeft [eiseres sub 3] er op gewezen dat er dingen in het verslag stonden die niet klopten. Vervolgens is het verslag aangepast en deze aangepaste versie is eveneens overhandigd aan de advocaat van [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] (zie proces-verbaal van verhoor van [eiseres sub 3] van 22 oktober 2007, omstreeks 10.45 uur, productie 2 eisers). De Staat is niet in het bezit van deze aangepaste versie van het verslag. [eiseres sub 3] heeft overigens tijdens het verhoor bij de politie op 22 oktober 2007 een kopie van het (ongewijzigde) verslag aan de verbalisanten overhandigd. Dat dit onder 'dwang' gebeurd zou zijn is niet gebleken. Daarnaast geldt nog dat de secretaresse van mr. [eiseres sub 1] op 13 augustus 2007 een kopie van het verslag aan [moeder van eiseres sub 3] heeft gegeven, dat [moeder van eiseres sub 3] vervolgens een kopie van het verslag aan [stiefvader van eiser sub 4] en [moeder van eiser sub 4] heeft gegeven en dat [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] nimmer hebben getracht een kopie van het verslag terug te krijgen toen zij van het voorgaande op de hoogte waren.

3.10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in aanmerking genomen de voornoemde omstandigheden, noch uit de inhoud van het verslag, noch ook overigens - de door eisers gegeven toelichtingen en geproduceerde gegevens, afzonderlijk dan wel in hun geheel bezien, daaronder begrepen - in hoge mate aannemelijk is geworden dat het verslag door [eiseres sub 3] en [eiser sub 4] is opgesteld met het uitsluitende doel om in het kader van de uitoefening van de rechten van verdediging juridisch advies aan een advocaat te vragen.

3.11. Daarnaast geldt nog dat in het ter zake van de selectie en waardering van bewijsmateriaal in strafzaken geldende stelsel de beoordeling en waardering van het bewijsmateriaal steeds achteraf geschiedt, nadat de bewijsgaring heeft plaatsgevonden. De sanctie op onrechtmatigheid van bewijsgaring door het openbaar ministerie is dat in principe het daardoor verkregen bewijsmateriaal buiten beschouwing gelaten moet worden. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook een eventuele inbreuk op het verschoningsrecht van mrs. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] in de (mogelijke) strafzaak afdoende kan worden hersteld. Het door eisers genoemde (algemeen) belang dat een ieder zich zonder vrees tot geheimhouders moet kunnen wenden is hierdoor voldoende gewaarborgd. Het voorgaande wordt niet anders nu niet duidelijk is of, dan wel wanneer, er een strafzaak zal dienen.

3.12. Uit het voorgaande volgt dat niet in hoge mate aannemelijk is geworden dat de Staat onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld. Gelet hierop, alsmede gezien het ingrijpende (definitieve) karakter van de door eisers gevraagde vernietiging, zal de vordering worden afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G. Kok en uitgesproken ter openbare zitting van 15 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

az