Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC1322

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
KG 07-1489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzen schorsing concurrentiebeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0023
Prg. 2008, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 7 januari 2008,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1489 van:

[eiser],

wonende te [plaats A.],

eiser,

procureur mr. C. Jorritsma,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B.] Makelaardij B.V.,

statutair gevestigd te [plaats B.],

gedaagde,

procureur mr. drs. R.P. Heeren.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 december 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Gedaagde exploiteert een makelaarskantoor verspreid over drie vestigingen; een in [plaats B.], een in [plaats C.] en per 1 juli 2007 een in [plaats A.].

1.2. Eiser heeft op 15 mei 2006 een open sollicitatiebrief naar gedaagde verzonden om in aanmerking te komen voor de functie assistent-makelaar/taxateur onroerende zaken. Eiser was op dat moment bezig met zijn opleiding register-makelaar/taxateur in onroerende zaken.

1.3. Eiser is met ingang van 1 januari 2007 bij gedaagde, voor de duur van één jaar, in dienst getreden in de functie van assistent-makelaar. Het laatstelijk verdiende salaris bedraagt € 3.200,-- bruto per maand exclusief emolumenten.

1.4. Partijen zijn in de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst in artikel 18 - voor zover hier van belang - het volgende concurrentiebeding overeengekomen:

"Artikel 18

18.1

Het is de werknemer verboden, behoudens schriftelijke toestemming van de werkgever, om gedurende een tijdvak van een jaar na het beëindigen van deze dienstbetrekking werkzaam te zijn in of voor, dan wel enig financieel aandeel te verwerven in een onderneming, met gelijke of verwante activiteiten en/of bedrijfsnaam als de onderneming van de werkgever, in de gehele Duin- en Bollenstreek.

(...)".

Daarnaast zijn partijen in artikel 19 van voornoemde arbeidsovereenkomst een relatiebeding overeengekomen.

1.5. Op 11 mei 2007 heeft eiser zijn diploma register-makelaar/taxateur in onroerende zaken behaald. Vanaf die datum is hij gerechtigd zichzelf makelaar te noemen.

1.6. Eiser kan per 1 januari 2008 in dienst treden bij makelaarskantoor [P.] Makelaars B.V. (hierna: [P.]) te [plaats A.]. Nu dat kantoor valt onder het concurrentiebeding heeft eiser gedaagde verzocht om daaruit ontheven te worden.

1.7. Bij brieven van 15 november 2007 en 4 december 2007 heeft gedaagde aan eiser meegedeeld dat zij hem zal houden aan de overeengekomen relatie- en concurrentiebedingen.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert - zakelijk weergegeven - primair het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding te schorsen, althans te matigen. Subsidiair vordert eiser een vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gelijk aan zijn huidige salaris.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

Eiser wordt door het concurrentiebeding te veel beperkt in de vrije keuze om een andere dienstbetrekking aan te gaan. Zijn belang bij schorsing van het concurrentiebeding is dan ook groter dan het belang van gedaagde bij instandhouding daarvan. Door de overstap te maken naar [P.] verwerft eiser een aanzienlijke positieverbetering ten opzichte van zijn huidige functie. De verbetering zit hem in een toename van het bruto jaarsalaris van ongeveer € 41.472,-- bruto (inclusief vakantiegeld) naar € 65.000,-- bruto. Daarnaast heeft eiser meer carrièreperspectief bij [P.] nu gedaagde steeds meer een familiebedrijf aan het worden is. Bij gedaagde is er onvoldoende werk voor eiser. Hij besteedt slechts 20 à 25 procent van de tijd aan makelaarswerkzaamheden, terwijl dat bij [P.] meer zal zijn. Het concurrentiebelang van gedaagde is te verwaarlozen, nu eiser over weinig ervaring beschikt en maar kort werkzaam is geweest bij gedaagde. Eiser is bovendien voornamelijk werkzaam geweest in [plaats B.] en heeft derhalve geen zakelijke contacten in [plaats A.]. Hoewel het niet waarschijnlijk is dat particulieren binnen afzienbare tijd wederom een makelaar nodig zullen hebben, is eiser bereid het overeengekomen relatiebeding te respecteren. Voorts wil eiser in (de nabijheid van) zijn woonplaats werken in verband met zijn kinderen. Elders in de Bollenstreek, Lisse, Hillegom en Sassenheim, mag eiser wel werkzaam zijn, maar dat verschilt niet wezenlijk met [plaats A.]-[plaats B.].

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. In geschil is of eiser onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding in verhouding tot het te beschermen belang van gedaagde op grond waarvan het concurrentiebeding thans geschorst dan wel gematigd dient te worden.

3.2. Vast staat dat eiser door ondertekening van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk akkoord is gegaan met het concurrentiebeding. Gesteld noch gebleken is dat hij destijds genoodzaakt was de arbeidsovereenkomst te ondertekenen, nu hij immers zelf vanuit een bestaande dienstbetrekking is overgestapt naar gedaagde. Gedaagde heeft als belang aangevoerd dat zij haar bedrijfsdebiet wil beschermen. [P.] is een directe concurrent, omdat zij binnen hetzelfde gebied, [plaats A.]-[plaats B.], werkzaam is. Daarnaast beschikt eiser over bedrijfsgevoelige informatie van gedaagde. Eiser heeft daarentegen als belang aangevoerd dat hij door in dienst te treden bij [P.] zich een betere arbeidspositie kan verwerven. Dit belang heeft hij, gezien het gemotiveerde verweer van gedaagde, onvoldoende aannemelijk weten te maken. Zo heeft eiser niet een (concept)arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit de gestelde salarisverhoging blijkt. Daarnaast zijn, in het licht van het verweer van gedaagde dat [P.] ook een familiebedrijf is waar sinds jaar en dag slechts één aandeelhouder is en meerdere ervaren makelaars werkzaam zijn, de vermeende carrièreperspectieven evenmin voldoende onderbouwd. De stelling dat eiser bij [P.] over een grotere huizenportefeuille zal beschikken dan waarover hij thans bij gedaagde beschikt, is niet aannemelijk geworden. Gedaagde heeft - overigens onweersproken - gesteld dat de omvang van de huizenportefeuilles per makelaar bij haar en [P.] vrijwel identiek is. Ter onderbouwing daarvan heeft zij enerzijds verwezen naar de door haar overgelegde productie 3, waarin het aantal in de verkoop staande panden van [P.] wordt vermeld, en anderzijds het aantal werkzame makelaars bij [P.]. Dit brengt met zich dat genoegzaam is gebleken dat in geval van indiensttreding bij [P.] de omvang van de huizenportefeuille van eiser niet zal toenemen. Dat eiser dicht bij huis wil blijven werken in verband met zijn kinderen is vooralsnog van onvoldoende gewicht. Niet betwist is dat eiser werkzaam kan zijn in de plaatsen Lisse, Hillegom of Sassenheim. Deze plaatsen liggen in de nabijheid van [plaats A.], eisers woonplaats. Gesteld noch gebleken is dat de afstanden naar deze plaatsen een onoverkomelijke belemmering zouden opleveren voor eiser. Daarnaast wordt nog in aanmerking genomen dat gedaagde geïnvesteerd heeft in eiser door hem in dienst te nemen zonder dat hij over relevante werkervaring of een diploma beschikte.

3.3. Alle voorgaande belangen tegen elkaar afwegend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van gedaagde bij handhaving van het concurrentiebeding vooralsnog zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser bij schorsing of matiging daarvan. De primaire vordering wordt mitsdien afgewezen.

3.4. Nu het concurrentiebeding vooralsnog gehandhaafd zal blijven dient beoordeeld te worden of eiser in aanmerking komt voor een maandelijkse vergoeding op basis van artikel 7:653 lid 4 BW. Voor een dergelijke vergoeding is slechts plaats indien eiser ernstig wordt belemmerd in het vinden van een andere dienstbetrekking dan wel slechts voor minder geld elders werkzaam kan zijn. Volgens de wetsgeschiedenis, alsmede de vaste jurisprudentie, is er geen aanleiding om bij een onbeduidende belemmering van de werknemer een vergoeding toe te kennen. Dat hier sprake is van een onbeduidende belemmering is reeds onder 3.2 overwogen. Ook de subsidiaire vordering zal daarom worden afgewezen.

3.5. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 7 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

nve