Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:25207

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2008
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
AWB 07/9559
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuursrecht

militair ambtenarenrecht

Ontslag wegens wangedrag militair, toetsingskader. Zie voorts uitspraak in hoger beroep CRvB 29 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6967

.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 105
Wet militair tuchtrecht
Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen
Algemeen militair ambtenarenreglement 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/9559 MAWKMA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 21 augustus 2007 is aan eiser met ingang van 15 september 2007 ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.


Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 december 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 17 juli 2008 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. H.J.G. Dudink.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,
mr. P. Verkroost.

II. Motivering

1.

De rechtbank dient te beoordelen of het betreden besluit, waarbij eisers bezwaren tegen het verleende ontslag wegens wangedrag ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

2.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een militair geneeskundig onderzoek (MGO) te laten verrichten naar eisers geschiktheid voor de dienst. Voorts is het onbegrijpelijk dat verweerder eiser niet heeft toegestaan een cursus conflictbeheersing te laten volgen. Eiser is door verweerder onvoldoende begeleid en is door de behandeling door verweerder begrijpelijkerwijs gefrustreerd geraakt. Ten slotte heeft verweerder de vraag naar de toerekenbaarheid van de handelingen onvoldoende zorgvuldig onderzocht, aldus eiser.

3.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, Algemeen Militair Ambtenaren Reglement (AMAR) kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2

Naar vaste jurisprudentie (CRvB, 28 september 2000, TAR 2000/154) hanteert de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim terzake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. De rechtbank acht deze maatstaf evenzeer aangewezen voor het onderhavige ontslag dat is gebaseerd op wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, indien de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

4.3

Uit de gedingstukken blijkt dat eiser op 11 februari 2005 een tuchtrechtelijk vergrijp heeft begaan. Er is hem daarbij geen tuchtrechtelijke maatregel opgelegd, omdat het de eerste keer was dat laakbaar gedrag werd vastgesteld. Op 16 februari 2006 is eiser berispt vanwege de overtreding van een dienstvoorschrift en is hem strafdienst opgelegd. Op 31 oktober 2006 is eiser in verband met ongeoorloofde afwezigheid in de periode tussen 20 juni 2006 en 13 juli 2006 een administratieve maatregel opgelegd inhoudende dat het hem niet is toegestaan zijn aanstelling te verlengen.

Op 30 mei 2007 is eiser op grond van de Wet Militair Tuchtrecht bestraft met een geldboete in verband met ongeoorloofde afwezigheid en het weigeren van een dienstbevel, waarbij eiser zou hebben uitgeroepen “ik heb schijt aan gezag en weiger bevelen op te volgen”.

4.4

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de hiervoor beschreven gedragingen van eiser als wangedrag aangemerkt kunnen worden.

4.5

De rechtbank stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 oktober 1997 (TAR 1997, 232), voorop dat de vraag of de door eiser gepleegde handelingen hem zijn toe te rekenen, een vraag is naar een juridische kwalificatie van een feitencomplex, welke vraag door de rechtbank beantwoord dient te worden.

4.6

De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat eiser met eerstgenoemd tuchtrechtelijk vergrijp nadien nog regelmatig is gepest en daar last van heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er echter geen aanknopingspunten dat er bij eiser sprake is van een psychisch defect, waardoor eiser niet in staat moet worden geacht zijn wil in vrijheid te bepalen, zodat hij voor de gevolgen van zijn handelen niet zonder meer te allen tijde verantwoordelijk gehouden zou mogen worden. Van aandoeningen – psychiatrisch of anderszins - die ten grondslag zouden kunnen liggen aan het gedrag van eiser, is de rechtbank niet gebleken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser geen enkel stuk – bijvoorbeeld van een behandelaar - heeft overgelegd waaruit het tegendeel zou kunnen blijken.

4.7

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat eisers gedragingen en handelwijzen zijn aan te merken als verregaande nalatigheid in de vervulling van eisers plichten en dat deze hem waren toe te rekenen. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser te ontslaan.

4.8

Ingevolge artikel 105, eerste lid, van het AMAR kan de militair in werkelijke dienst, van wie op goede gronden wordt verondersteld dat hij blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst, in opdracht van Onze Minister, worden onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld in het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.

4.9

Vast staat dat bij eiser driemaal is verzocht om een individueel geneeskundig onderzoek (IGO) en dat eiser naar aanleiding hiervan op 21 april 2005 en 4 september 2006 geschikt is bevonden voor uitoefening van de dienst. Nu er derhalve geen aanknopingspunten aanwezig waren dat eiser blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren een MGO te laten verrichten.

4.10

Met betrekking tot eisers standpunt dat hij door verweerder nimmer juist is begeleid, overweegt de rechtbank dat deze stelling niet slaagt. Immers, niet is gebleken dat de ondersteuning van verweerder niet naar behoren is geweest. Zo hebben diverse gesprekken met eiser plaatsgevonden, waarbij afspraken zijn gemaakt ter verbetering van de situatie en zijn eiser diverse nieuwe kansen geboden.

4.11

De rechtbank zijn geen ook overigens omstandigheden gebleken waaruit geconcludeerd moet worden dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslag op grond van verregaande nalatigheid in de vervulling van eisers plichten gebruik kon maken.

Niet kan worden gezegd dat het onredelijk is dat verweerder het belang van de dienst betreffende het op goede wijze uitoefenen van de functie zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser bij behoud van zijn functie. Gelet op dit belang van de dienst acht de rechtbank het ontslagbesluit niet onevenredig aan de door eiser vertoonde gedragingen.

5.

Het beroep is ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E.S.G. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.G. Egter van Wissekerke.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: