Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BP3008

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
207606 - HA ZA 03-2751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een vordering van een pluimveevangbedrijf tot terugbetaling van de premie die ten onrechte zou zijn betaald als gevolg van het feit dat de eisende partij ten onrechte aangesloten is geweest bij diverse bedrijfstakregelingen en - fondsen in de agrarische sector. Vordering deels gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207606 / HA ZA 03-2751

Vonnis van 24 oktober 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLUIMVEEVERLAADBEDRIJF [A] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Oirschot,

eiseres,

procureur: mr. G. Janssen,

tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RELAN PENSIOEN B.V.,

gevestigd te Utrecht en mede kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde,

procureur: mr. W. Heemskerk,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SGG COLLECTIEF B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde,

procureur: mr. W. Heemskerk,

3.de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Gouda,

gedaagde,

procureur: mr. H.J.A. Knijff.

Partijen zullen hierna [eiseres], Relan Pensioen, SGG en UWV genoemd worden.

1.De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van alle gedingstukken met producties in het griffiedossier, waaronder het proces-verbaal van de op 9 maart 2004 gehouden comparitie van partijen en de nadien genomen conclusies van re- en dupliek.

2.De feiten

2.1.[eiseres] exploiteert een pluimveevangbedrijf, waarin dienstverlening wordt geboden aan pluimveebedrijven.

2.2.[eiseres] is op grond van CAO's voor de agrarische bedrijfstak vanaf 1985 verplicht aangesloten geweest bij en heeft premie betaald ingevolge de volgende sociale bedrijfstakregelingen c.q. -fondsen in de agrarische sector:

A. Bedrijfstakpensioenfonds voor de Landbouw (BPL);

B. Arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP);

C. VUT-fondsen waaronder Stichting Uittreding Werknemers Agrarische Sectoren (SUWAS-I) en Stichting Uitvoering WW-aanvulling Agrarische Sectoren (SUWAS-II);

D. Scholingsfondsen waaronder Stichting ondersteuning voorlichting, vorming en scholing (Stivos) en Stichting tot ontwikkeling en scholing (Stosas);

E. Stichting Gezamenlijke Arboservice (Stigas).

2.3.Uitgangspunt voor genoemde premiebetalingen was dat genoemde bedrijfstakregelingen ook ten aanzien van het pluimveevangbedrijf van toepassing waren. In de tweede helft van de jaren negentig van de vorige eeuw ontstond echter het inzicht dat de diverse sociale regelingen in de agrarische sector niet op pluimveevangbedrijven en derhalve niet op [eiseres] van toepassing waren.

2.4.[eiseres] is lid van de Nederlandse Vereniging van Pluimvee Servicebedrijven (NVPSB). Vanaf eind 1994 tot en met medio 1996 heeft regelmatig overleg plaatsgevonden tussen een aantal werkgevers, het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan (GUO) en de Werkgeversbond FNV over de totstandkoming van een zelfstandige CAO voor de Pluimveeservicebedrijven, waarbij eveneens de verschuldigdheid van SUWAS-I premie door de betreffende werkgevers aan de orde is gekomen.

2.5.Mr. J.W.M.T. Schaminée, advocaat te Venray, heeft, nadat voornoemd overleg niet tot de totstandkoming van een zelfstandige CAO leidde, zich als advocaat van NVPSB voor de werkgevers, onder wie [eiseres], ingezet om premierestitutie te verkrijgen ter zake van de door de leden betaalde SUWAS-I premie.

2.6.Bij brief van 9 januari 1996 (prod. 10 [eiseres]) heeft mr. Schaminée aan GUO onder meer als volgt bericht:

'In het kader van het hiervoor bedoelde overleg is, kort nadat ik door de betreffende werkgevers benaderd ben om hun belangen in het kader van de onderhandelingen te behartigen, in een bespreking waar ik zelf niet bij aanwezig was, de verschuldigdheid van de VUT-premie aan de orde gesteld. Bij een aantal werkgevers was namelijk het vermoeden ontstaan dat zij waarschijnlijk niet de betreffende premie verschuldigd zijn. Voor die werkgevers die niet verplicht aangesloten zijn bij de CAO voor de Landbouw en die evenmin een dergelijke voorziening in de arbeidsovereenkomsten hebben opgenomen onderschrijf ik in elk geval die opvatting ten volle (...)

In verband daarmede wil ik hierbij namens de Nederlandse Vereniging van Pluimveeservicebedrijven en de daarbij aangesloten leden, ter veiligstelling van al hun rechten terzake van mogelijk onverschuldigd betaalde VUT-premies expliciet aan U en via U aan het bestuur van de bedrijfsvereniging kenbaar maken dat zij zich terzake van terugvordering al hun rechten wensen voor te behouden. Ik doe U deze mededeling expliciet ter stuiting van een mogelijk lopende verjaringstermijn, ook ten opzichte van de Bedrijfsvereniging. Tevens maak ik voorzover er niet reeds eerder aanspraak kan worden gemaakt op de wettelijke rente, hierbij uitdrukkelijk met ingang van heden aanspraak op de wettelijke rente over de reeds onverschuldigd betaalde bedragen en voor wat betreft de toekomstig in rekening te brengen premiebedragen vanaf het moment dat deze betaald worden.'

2.7.Bij brief van 7 februari 1997 (prod. 10 [eiseres]) heeft GUO aan mr. Schaminée medegedeeld dat het niet mogelijk is dat werkgevers die niet deelnemen aan SUWAS wel deelnemen aan BPL. De vereniging bericht in deze brief tevens dat de aansluiting BPL zal worden beëindigd per 1 januari 1998. Ten aanzien van de SUWAS premies wordt voorgesteld de aansluiting SUWAS met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 te beëindigen en de premies over 1995 alsmede de voorschotten over 1996 en 1997 te restitueren.

2.8.Mr. Schaminée heeft bij brief van 18 april 1997 (prod. 10 [eiseres]) aan GUO bericht dat de leden van NVPSB niet akkoord gaan met het voorstel als verwoord in de brief van 7 februari 1997 en heeft aanspraak gemaakt op premierestitutie over een langere periode alsmede op integrale teruggave van alle door hen in dit verband betaalde premies.

2.9.Bij brief van 20 mei 1997 (prod. 2 conclusie van repliek) heeft GUO aan mr. Schaminée bericht dat de besturen van de agrarische bedrijfstakfondsen bereid zijn een premierestitutie met terugwerkende kracht tot vijf jaar voorafgaande aan de eerste claim van NVPSB te bespreken.

2.10.Bij brief van 14 januari 1998 (prod. 1 [eiseres]) heeft GUO aan mr. Schaminée medegedeeld dat een delegatie van het bestuur van SUWAS-I heeft besloten 'de door betreffende werkgevers afgedragen SUWAS te restitueren met terugwerkende kracht tot 5 jaar, tot 1 januari 1990. Daarnaast is besloten dat de wettelijke rente zal worden vergoed aan betreffende werkgevers.'

2.11.Bij brief van 11 maart 1998 (prod. 2 [eiseres]) heeft GUO aan mr. Schaminée bericht dat over de jaren 1990 tot en met 1996 aan [eiseres] een restitutie van de SUWAS-I premie zal plaatsvinden ten bedrage van € 117.767,67 (fl. 259.525,80). Tevens is in deze brief medegedeeld dat de restituties over 1997 zullen worden verrekend met de te betalen premie over 1998.

2.12.[eiseres] heeft op 5 juni 1998 (prod. 4 [eiseres]) een verklaring ondertekend met de volgende inhoud:

'de ondergetekende verklaart hierbij namens [eiseres] b.v. dat deze accoord gaat met een restitutie aan SUWAS-I-premies van f 259.525,81 en aan rentevergoeding een bedrag van f 69.647,08, derhalve in totaal een bedrag van f 329.172,89. Indien en zodra de vorenbedoelde bedragen zijn ontvangen wordt ter zake aan GUO fondsenbeheer en aan het SUWAS-I-fonds finale kwijting verleent terzake van alle aanspraken wegens restitutie SUWAS-I voor de periode tot en met 1996.'

2.13.Vanaf 1999 zijn ter zake van de betreffende bedrijfstakregelingen bij [eiseres] geen premies meer in rekening gebracht. De bij brief van 7 februari 1997 toegezegde restitutie van de in 1995 en 1996 door [eiseres] betaalde premies heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

2.14.GUO heeft aan [eiseres] een factuur verzonden gedateerd 3 mei 1999 (prod. 5 [eiseres]) waaruit blijkt dat een bedrag aan premies over de jaren 1997, 1998 en 1999 van € 74.646,31 (fl. 164.498,81) is gereserveerd voor verrekening. Dit bedrag ziet blijkens de factuur op door [eiseres] betaalde premies WW, WAO, ZFW. BPL, AOP, aanvulling WW, Stivos en Stigas.

2.15.Bij brief van 7 juli 2000 (prod. 6 [eiseres]) heeft [eiseres] aan GUO medegedeeld dat zij naar aanleiding van de afrekening over de jaren 1998 en 1999 heeft geconstateerd dat er in eerdere jaren door haar te veel premies zijn betaald. [eiseres] stelt genoodzaakt te zijn deze premies zelf te verrekenen met de premies van komende jaren nu GUO in gebreke blijft met de terugbetaling van deze premies.

2.16.Bij brief van 16 juli 2002 (prod. 11 [eiseres]) heeft Relan Pensioen aan [eiseres] bericht dat zij erkent dat [eiseres] ten onrechte aangesloten is geweest bij de bedrijfstakregelingen in de agrarische sector. Ten aanzien van de verzochte restitutie van de onverschuldigd betaalde premies voor deze regelingen bestaat volgens Relan Pensioen geen restitutieplicht aangezien is overeengekomen dat uitsluitend de SUWAS-I premie zou worden gerestitueerd.

2.17.Bij brief van 9 augustus 2002 (prod. 7 [eiseres]) heeft de advocaat van [eiseres] aan Relan Pensioen bericht dat [eiseres] met de ondertekening van de onder rov. 2.16 bedoelde verklaring uitsluitend afstand heeft gedaan van verdere aanspraken op restitutie van de SUWAS-I premie. De advocaat van [eiseres] heeft Relan Pensioen gesommeerd om binnen zeven dagen over te gaan tot restitutie van de overige onverschuldigd betaalde premies voor de bedrijfstakregelingen in de agrarische sector ten bedrage van € 280.459,85 alsmede een bedrag aan rente over voornoemd bedrag van € 260.538,91 en een bedrag van € 4.448,-- aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.18.Met betrekking tot de instellingen welke de hierboven vermelde regelingen uitvoerden c.q. daarvoor de premies inden, hebben in de periode 1996-2002 diverse fusies en vergelijkbare mutaties plaatsgevonden. Daarop zal hieronder nog worden ingegaan.

2.19.Bij brief van 4 april 2006 (prod. 7 conclusie van repliek) heeft [B] te Zoetermeer, een samenwerkingsverband voor de agrarische en groene sociale regelingen, aan [C] Financiële diensten B.V. als volgt bericht:

'Onlangs ontvingen wij enkele brieven waarin u verzoekt om restitutie van de premies BPL, AOP, SUWAS II, Stivos en Stosas over het jaar 1997 en voorgaandejaren aan uw cliënten (...)

Besluit bestuur

U beroept zich in uw brieven op de uitspraak in de procedure van pluimveeverlaadbedrijf [D] tegen de agrarische fondsen. Hoewel het vonnis formeel-juridisch alleen betrekking heeft op deze procedure hebben de voorzitters van de agrarische fondsen besloten om ook aan andere pluimveeverlaadbedrijven premies te restitueren conform de uitspraak.

Dit houdt in dat premies gerestitueerd worden vanaf de datum van het eerste bezwaar tegen deelneming. De door de werknemers opgebouwde pensioenrechten over de betreffende periode zullen worden afgeboekt. Wanneer er sprake is van reeds ingegane pensioenuitkeringen zal de ingegane uitkering gecontinueerd worden en de contante waarde van de uitkering op het te restitueren bedrag in mindering worden gebracht. Wettelijke rente wordt conform de wettelijke eisen vergoed vanaf de datum van ingebrekestelling(...)'.

3.Het geschil

3.1.[eiseres] vordert een hoofdelijke veroordeling van Relan Pensioen, SGG en UWV tot betaling aan haar van een bedrag van € 566.579,91 (€ 280.459,85plus de wettelijke rente daarover tot en met 25 augustus 2003 ad € 281.671,33 alsmede incassokosten ad €4.448,73), althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 280.459,85 vanaf de dag der dagvaarding (8 september 2003) tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.[eiseres] voert daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - aan dat zij vanaf 1985 ten onrechte aangesloten is geweest bij verschillende bedrijfstakregelingen in de agrarische sector en dientengevolge in de periode vanaf 1985 tot en met 1996 onverschuldigd premies voor deze regelingen heeft betaald. Na overleg met de betreffende fondsen is uitsluitend de SUWAS-I premie over de jaren 1990 tot en met 1996, vermeerderd met de wettelijke rente, gerestitueerd en zijn de premies van de bedrijfstakregelingen BPL, AOP, SUWAS-II, STIVOS, STOSAS en STIGAS over de jaren 1997, 1998 en 1999 door GUO verrekend. [eiseres] is van mening dat niet kan worden volstaan met de terugbetaling van voornoemde premies en stelt zich op het standpunt dat alle premies die zij in de periode 1985 tot en met 1996 in het kader van de betreffende bedrijfstakregelingen in de agrarische sector heeft betaald, door Relan Pensioen en/of SGG en/of UWV moeten worden gerestitueerd.

3.3.[eiseres] heeft haar vordering in hoofdsom als volgt gespecificeerd:

Schema

3.4.Relan Pensioen, SGG en UWV voeren gemotiveerd verweer.

3.5.SGG stelt zich op het standpunt dat zij geen van de premies waarvan door [eiseres] terugbetaling wordt gevorderd, heeft ontvangen. [eiseres] heeft niet nader toegelicht welke rol SGG heeft gespeeld, zodat SGG van mening is dat op haar ter zake van deze premies geen terugbetalingsplicht rust.

3.6.Relan Pensioen stelt zich op het standpunt dat de aansluiting van [eiseres] bij de sociale fondsen en regelingen onder dwaling tot stand is gekomen. De vordering van [eiseres] strekt er volgens haar dan ook toe om de aansluiting te vernietigen en de premies als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Op grond van artikel 3:52 lid 1 BW geldt voor deze vordering een verjaringstermijn van drie jaar vanaf het moment dat de dwaling is ontdekt. De dwaling is blijkens de dagvaarding ontdekt in 1995 terwijl de dagvaarding is uitgebracht op 8 september 2003. Dit betekent dat de vordering op dat moment reeds was verjaard. Ingeval de verjaringstermijn ex artikel 3:308 BW vijf jaar bedroeg, was de vordering ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding eveneens verjaard. Gelet op de verjaring, dient de vordering jegens Relan Pensioen te worden afgewezen.

3.7.Relan Pensioen stelt zich daarnaast op het standpunt dat door de fondsen prestaties zijn verricht die bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Ter zake van de BPL-premies zou ongedaanmaking leiden tot een door de Pensioen- en spaarfondsenwet verboden afkoop. Ten aanzien van de premiebetaling aanvulling WW en scholingsfondsen geldt dat prestaties zijn verricht in de vorm van het lopen van een risico dat tot uitkering moest worden overgegaan, welke prestatie niet ongedaan gemaakt kan worden.

3.8.Volgens Relan Pensioen is bovendien met betrekking tot de gevorderde premies reeds een regeling getroffen in overeenstemming met mr. Schaminée, die daarbij mede optrad namens [eiseres]. Met deze regeling die een terugbetaling van SUWAS-I premies inhield, is een finale regeling tot stand gebracht, hetgeen ook blijkt uit het feit dat [eiseres] geen (uitdrukkelijk) voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de andere premies. Het alsnog terugvorderen van deze premies levert strijd op met de redelijkheid en billijkheid, terwijl ter zake tevens sprake is van rechtsverwerking.

3.9.UWV stelt zich op het standpunt dat door haar, althans haar rechtsvoorgangster GUO, premies werden geïnd in opdracht en ten behoeve van de bedrijfstakgerelateerde fondsen. Volgens UWV werden deze premies rechtstreeks doorgesluisd aan de rechthebbende fondsen. UWV stelt dat zij geen gelden onder zich heeft gehouden die aanleiding zouden kunnen geven tot het instellen van vordering tot terugbetaling uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.

4.De beoordeling

Vordering jegens UWV:

4.1.Naar aanleiding van het verweer van UWV heeft [eiseres] aangevoerd dat zij de betreffende premies destijds heeft betaald aan GUO, de rechtsvoorgangster van UWV, zodat reeds op grond hiervan UWV een terugbetalingsverplichting rust uit hoofde van onverschuldigde betaling. [eiseres] stelt dat het voor haar destijds niet duidelijk was dat UWV uitsluitend optrad namens de bedrijfstakfondsen. Volgens [eiseres] trad UWV, althans GUO op als zelfstandige partij. [eiseres] verwijst in dat kader naar de factuur van 3 mei 1999 (zie rov. 2.14) waarin UWV, althans GUO door [eiseres] betaalde premies voor verrekening heeft gereserveerd, alsmede naar GUO's brief van 11 maart 1998 (prod. 2 bij dagvaarding).

4.2.De rechtbank is van oordeel dat hoewel juist is dat met betrekking tot de instellingen die de sociale regelingen uitvoerden c.q. daarvoor de premies inden diverse fusies en vergelijkbare mutaties hebben plaatsgevonden, het enkele feit dat GUO zich blijkens haar brief van 11 maart 1998 bezig hield met de restitutie van SUWAS-I premies en zij bij factuur van 3 mei 1999 een aantal premiebetalingen voor verrekening heeft gereserveerd onvoldoende is om te kunnen concluderen dat GUO (dus) is opgetreden als zelfstandig schuldeiser van [eiseres]. Integendeel, uit de factuur van 3 mei 1999 komt duidelijk naar voren dat GUO daarbij premies in rekening brengt voor diverse regelingen én instellingen in de sfeer van de sociale zekerheid. Ook de naam - Gemeenschappelijk Uitvoerings Orgaan - geeft aan dat GUO daarbij optreedt als uitvoerder c.q. incasseerder voor dergelijke instellingen, zoals dat ook bij het GAK - Gemeenschappelijk Administratie Kantoor - het geval was. Bovendien kan ook uit de door [eiseres] overgelegde brief van GUO aan mr. Schaminée inzake de SUWAS-premierestitutieproblematiek (met als kop: 'Stichting Uittreding Werknemers Agrarische Sectoren) d.d. 14 januari 1998 (zie rov. 2.10) duidelijk worden gedestilleerd dat GUO optrad als vertegenwoordiger van het betreffende fonds, genoemde Stichting. Uit het voorgaande volgt dat UWV, althans haar rechtsvoorgangster GUO, hoewel zij de premies van [eiseres] heeft geïnd, niet kan worden aangemerkt als ontvanger van de premies in de zin van artikel 6:203 BW. Dit betekent dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, voor zover gericht tegen UWV, moet worden afgewezen.

Vordering jegens SGG:

4.3.[eiseres] heeft naar aanleiding van het verweer van SGG dat zij geen van de gevorderde premies heeft ontvangen, gesteld dat SGG in ieder geval de STIGAS-premies heeft ontvangen en gehouden is deze terug te betalen. [eiseres] heeft in dat kader verwezen naar een door haar als productie 11 overgelegde 'premiespecificatie werkgever over het premiejaar 2002' waaruit volgt dat Relan Pensioen heeft te gelden als ontvanger van de premies SUWAS I, SUWAS II, Stivos/Stosas, BPL en AOP. Uit het feit dat de STIGAS-premie in dit overzicht niet wordt vermeld, leidt [eiseres] af dat SGG van deze premie kennelijk de ontvangende instantie is. Ook in dit kader stelt [eiseres] dat de als gevolg van de vele fusies ontstane onduidelijkheid omtrent de uitvoerende instanties niet aan haar kan worden tegengeworpen en dat zij SGG daarom tot terugbetaling van alle premies kan aanspreken. Het is volgens [eiseres] aan gedaagden om onderling uit te maken wie voor de terugbetaling van de premies aansprakelijk is.

4.4.De rechtbank stelt voorop dat zelfs indien juist is dat SGG heeft te gelden als ontvangende instantie van de STIGAS-premie, dit enkele feit niet kan leiden tot een aansprakelijkheid van SGG voor alle andere premies waarvan door [eiseres] terugbetaling wordt gevorderd en waarvan, zo volgt althans uit de stelling van [eiseres], duidelijk is dat Relan Pensioen als ontvangende instantie heeft te gelden. Het feit dat tussen de uitvoerende instanties diverse fusies en vergelijkbare mutaties hebben plaatsgevonden maakt naar het oordeel van de rechtbank het voorgaande niet anders.

4.5.Daarnaast kan naar het oordeel van de rechtbank uit het door [eiseres] als productie 11 overgelegde 'premiespecificatie werkgever over het premiejaar 2002' niet worden afgeleid dat SGG daadwerkelijk als ontvangende instantie ter zake van de Stigas-premie moet worden aangemerkt, op de enkele grond dat de STIGAS-regeling niet onder Relan Pensioen ressorteert. Daarentegen valt uit de reeds genoemde GUO-factuur d.d. 3 mei 1999 af te leiden dat de STIGAS-regeling onder het Landbouwschap viel. De vordering jegens SGG zal dan ook als onvoldoende geadstrueerd in haar geheel worden afgewezen.

Vordering jegens Relan Pensioen:

Finale kwijting?

4.6.Relan Pensioen stelt zich op het standpunt dat met mr. Schaminée, die daarbij mede namens [eiseres] optrad, een regeling is getroffen inhoudende dat ter finale kwijting uitsluitend de vanaf 1 januari 1990 betaalde SUWAS-I premies zouden worden gerestitueerd. Volgens Relan Pensioen heeft [eiseres] de overige premies nimmer ter sprake gebracht en heeft zij geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van de restitutie van deze premies.

4.7.De rechtbank is van oordeel dat Relan Pensioen voor het bestaan van de door haar voorgestane regeling met [eiseres] onvoldoende heeft gesteld. Uit de overgelegde processtukken volgt immers dat [eiseres] door middel van de ondertekening van de verklaring van 5 juni 1998 (zie rov. 2.12) uitsluitend afstand heeft gedaan van verdere aanspraken op restitutie van SUWAS-I premies. Dat [eiseres] in dat kader niet expliciet aanspraak heeft gemaakt op dan wel een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van restitutie van de onverschuldigd betaalde premies voor de overige fondsen maakt niet dat zij haar rechten ten aanzien van deze premies heeft prijsgegeven. Bovendien valt de stelling van Relan Pensioen op dit punt moeilijk te rijmen met de factuur van 3 mei 1999 (zie rov. 2.14), waaruit blijkt dat premies betaald in 1997, 1998 en 1999 zijn gereserveerd voor verrekening.

4.8.Uit het feit dat [eiseres] aan GUO Fondsenbeheer en het SUWAS-I fonds finale kwijting heeft verleend ter zake van alle aanspraken op SUWAS-I premie volgt wel dat de vordering tot restitutie van de SUWAS-I premie over de jaren 1985 tot en met 1989 niet voor toewijzing vatbaar is. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

Vordering restitutie premies overige fondsen verjaard?

4.9..De rechtbank overweegt dat Relan Pensioen uitsluitend heeft gesteld maar op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat tussen [eiseres] en de betreffende fondsen een aansluitingsovereenkomst tot stand is gekomen. Indien deze overeenkomst immers daadwerkelijk tot stand was gekomen, had het op de weg van Relan Pensioen gelegen om hiervan een afschrift in het geding te brengen. Nu Relan Pensioen dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat deze overeenkomst niet bestaat. Nu geen overeenkomst tot stand is gekomen, kan van dwaling geen sprake zijn. De vordering van [eiseres] strekt dan ook niet tot vernietiging van een aansluitingsovereenkomst en is uitsluitend gegrond op onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW.

4.10.Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Een lopende verjaring kan worden gestuit door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW), door een schriftelijke aanmaning (artikel 3:317 BW) en door erkenning (artikel 3:318 BW).

4.11.[eiseres] heeft op 2 december 1996 een formulier ondertekend waarmee zij zich akkoord heeft verklaard met een poging van het bestuur van NVPSB om zoveel mogelijk betaalde SUWAS-I premie als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Uit de correspondentie die vóór 2 december 1996 tussen mr. Schaminée en GUO is gevoerd, volgt dat de betreffende werkgevers hun aanspraak op restitutie van SUWAS-I premie gronden op een vermoeden dat zij ten onrechte zijn gerangschikt onder de CAO voor de landbouw. Nu niet ter discussie staat dat de rangschikking onder bedoelde CAO eveneens heeft geleid tot de betaling van premies voor de overige fondsen, moet worden geconcludeerd dat [eiseres] eveneens op 2 december 1996 bekend is geworden met de onverschuldigdheid van de door hem voor deze regelingen betaalde premies. Dit betekent dat de verjaringstermijn voor de vordering uit onverschuldigde betaling ter zake van deze premies eveneens op 2 december 1996 is gaan lopen.

4.12.Vervolgens moet worden beoordeeld of, zoals door [eiseres] is gesteld, de verjaring van deze vordering tijdig is gestuit. In dat kader is van belang de factuur van GUO Uitvoeringsinstelling van 3 mei 1999 waaruit blijkt dat betaalde premies voor de betreffende bedrijfstakfondsen zijn gereserveerd voor verrekening, hetgeen feitelijk moet worden aangemerkt als premierestitutie. De rechtbank merkt deze factuur dan ook aan als een erkenning in de zin van artikel 3:318 BW, waardoor de verjaringstermijn is gestuit. Relan Pensioen heeft vervolgens bij brief van 16 juli 2002 erkend dat [eiseres] ten onrechte aangesloten is geweest bij de bedrijfstakregelingen in de agrarische sector en derhalve onverschuldigd premies voor deze regelingen heeft betaald. De rechtbank merkt ook deze brief aan als een erkenning in de zin van artikel 3:318 BW waardoor de verjaringstermijn die na 3 juli 1999 opnieuw was gaan lopen, wederom is gestuit. Gelet op het feit dat [eiseres] gedaagden bij exploot van 8 september 2003 heeft gedagvaard, moet worden geconcludeerd dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling van de premies voor de overige fondsen niet is verjaard.

4.13.Ten overvloede merkt de rechtbank in dit kader op dat de verjaringstermijn die na 3 mei 1999 opnieuw was gaan lopen eveneens zou zijn gestuit door de brief van de advocaat van [eiseres] van 9 augustus 2002 waarin aanspraak wordt gemaakt op restitutie van alle onverschuldigd betaalde premies. De rechtbank merkt deze brief aan als een aanmaning in de zin van artikel 3:317 BW.

Prestaties verricht?

4.14.[eiseres] heeft betwist dat haar werknemers gebruik hebben gemaakt van c.q. een beroep hebben gedaan op de betreffende regelingen en stelt zich op het standpunt dat tegenover de premiebetalingen geen enkele uitgave heeft gestaan.

4.15.De rechtbank is van oordeel dat uit het feit dat [eiseres] ten onrechte bij de betreffende regelingen aangesloten is geweest en premie heeft betaald, volgt dat zij ter zake in principe recht heeft op ongedaanmaking. Gelet op het bepaalde in artikel 6:203 lid 2 BW betekent dat in het onderhavige geval teruggave door [eiseres] van een gelijk bedrag als door haar aan premies is betaald. Dat van de betreffende regelingen gebruik is gemaakt, is door Relan Pensioen gesteld, maar bij betwisting door [eiseres] niet nader geadstrueerd. Het ligt bij uitbetaling van netto-lonen, zoals bij [eiseres] gebeurde, ook geenszins voor de hand. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat van de regelingen geen gebruik is gemaakt.

4.16.Ten aanzien van de stelling dat een prestatie is geleverd in de vorm van het bieden van een mogelijkheid om aanspraak te maken op de betreffende regelingen, overweegt de rechtbank dat deze prestatie zich naar haar aard niet leent voor ongedaanmaking. Op grond van het bepaalde in artikel 6:210 lid 2 BW treedt een vergoeding van de waarde verrichte prestatie voor de ongedaanmaking in de plaats. De rechtbank stelt de waarde van deze prestatie op nihil. Niet gebleken is immers dat [eiseres] door de prestatie is verrijkt, terwijl evenmin aan [eiseres] kan worden toegerekend dat een dergelijke prestatie is verricht.

4.17.Ten aanzien van de betaalde BPL premies overweegt de rechtbank dat vast staat dat deze ten onrechte zijn betaald. Niet gesteld of gebleken is immers dat sprake was van een verplichte pensioenverzekering voor de werknemers van [eiseres]. Dit betekent dat voor deze werknemers ten onrechte pensioenopbouw heeft plaatsgevonden. Vervolgens moet worden beoordeeld of dit ongedaan kan worden gemaakt. Relan Pensioen heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet mogelijk is aangezien artikel 32 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet afkoop van pensioen verbiedt. [eiseres] heeft dit standpunt gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat nu de werknemers van [eiseres] geen aanspraak konden maken op pensioen uit hoofde van enige CAO-bepaling en ook niet is gebleken dat [eiseres] enige pensioentoezegging aan haar werknemers heeft gedaan, van een rechtmatige pensioenopbouw geen sprake is geweest. Ongedaanmaking van deze opbouw levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen afkoop op in de zin van artikel 32 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Uit het voorgaande volgt dat het verweer dat ongedaanmaking ten aanzien van de BPL premies niet mogelijk is, faalt.

4.18.Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het principiële standpunt dat voor de premiebetalingen prestaties zijn verricht die niet of in ieder geval slechts bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt, moeilijk valt te rijmen met de factuur van 3 mei 1999 (zie rov. 2.14) en de brief van [B] van 4 april 2006 (zie rov. 2.19) waaruit volgt dat verrekening c.q. restitutie van deze premies kennelijk wel degelijk mogelijk is.

Strijd met redelijkheid en billijkheid:

4.19.Relan Pensioen meent dat het feitelijk gedrag van [eiseres] meebrengt dat het thans - na verloop van zoveel jaren - terugvorderen van de premies strijdig is met de redelijkheid en de billijkheid dan wel dat sprake is van rechtsverwerking. [eiseres] heeft een en ander gemotiveerd betwist.

4.20.De rechtbank is van oordeel dat nu de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling van deze premies niet is verjaard, van strijd met de redelijkheid en billijkheid geen sprake is. Dat [eiseres] aanvankelijk eerst de verschuldigdheid van de SUWAS-I premie heeft aangevochten en pas in een later stadium de overige premies, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als rechtsverwerking worden aangemerkt.

Conclusie:

4.21.Uit al het voorgaande volgt dat de hoofdsom, met uitzondering van de SUWAS-I premie over de jaren 1985 tot en met 1989, tot een bedrag van € 259.923,06 (€ 280.459,85 - € 20.536,79) voor toewijzing gereed ligt.

Rente:

4.22.[eiseres] maakt primair aanspraak op de wettelijke rente over de onverschuldigd betaalde premies vanaf het moment dat de premiebetalingen hebben plaatsgevonden. Subsidiair vordert zij de wettelijke rente vanaf 9 januari 1996, zijnde de datum van de in rov. 2.6 bedoelde ingebrekestelling. Relan Pensioen stelt zich op het standpunt dat wettelijke rente toewijsbaar is vanaf de datum waarop het verzuim is ingetreden. Voor dit verzuim is een ingebrekestelling vereist. Relan Pensioen merkt de in rov. 2.17 bedoelde brief van de advocaat van [eiseres] d.d. 9 augustus 2002 aan als ingebrekestelling, zodat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 16 augustus 2002.

4.23.De rechtbank overweegt dat uit artikel 6:119 lid 1 BW volgt dat wettelijke rente is verschuldigd over de periode dat de schuldenaar in verzuim is met de voldoening. Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. In de gevallen genoemd in artikel 6:83 BW treedt het verzuim in zonder ingebrekestelling. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van geen van de in laatstgenoemd artikel bedoelde situaties sprake, zodat voor verzuim een ingebrekestelling is vereist. De brief van mr. Schaminée van 9 januari 1996 heeft uitsluitend betrekking op de verschuldigdheid van VUT-premies en kan aldus niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling voor wat betreft de overige onverschuldigd betaalde premies. Ten aanzien van deze premies is Relan Pensioen pas bij brief van 9 augustus 2002 in gebreke gesteld, waarbij een termijn van zeven dagen voor nakoming is gesteld. Dit betekent dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf 16 augustus 2002.

Buitengerechtelijke incassokosten:

4.24.[eiseres] stelt buitengerechtelijke incassokosten te hebben gemaakt ten bedrage van € 4.448,73. Deze kosten zijn volgens [eiseres] niet uitsluitend gemaakt ter voorbereiding van de onderhavige procedure. Relan Pensioen heeft betwist dat deze kosten zijn gemaakt.

4.25.De rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier in voldoende mate blijkt dat kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De rechtbank acht dit deel van de vordering derhalve eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat nu de vordering jegens UWV en SGG zullen worden afgewezen, de rechtbank aanleiding ziet om deze kosten te matigen en toe te wijzen tot een bedrag van € 3.000,--.

Proceskosten:

4.26.[eiseres] zal als de jegens UWV en SGG in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van UWV en SGG. Nu SGG en Relan Pensioen in de onderhavige procedure gezamenlijk zijn opgetreden, zal de rechtbank de proceskosten van SGG begroten op de helft van het bedrag dat bij afwijzing van de vordering jegens beiden aan hen gezamenlijk zou zijn toegekend.

4.27.Relan Pensioen zal als de jegens [eiseres] in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres].

5.De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt Relan Pensioen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 262.923,06 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 259.923,06 vanaf 16 augustus 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Relan Pensioen in de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot op heden begroot op € 3.999,40 aan verschotten en € 7.740,-- aan salaris procureur.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van UWV, tot op heden begroot op € 3.863,-- aan verschotten en € 7.740,-- aan salaris procureur;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van SGG, tot op heden begroot op € 1.931,50 aan verschotten en € 3.870,-- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Punt en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.