Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BJ9727

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
AWB 06/5964
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5964 OB

Uitspraakdatum: 12 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiseres voor een bedrag van € 268.290 aansprakelijk gesteld voor aan [A] B.V. opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonbelasting, aanslagnummers [nummer 1] en [nummer 2]. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aansprakelijkstelling.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2006 de beschikking aansprakelijkstelling verminderd tot een bedrag van € 215.176. Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 22 juni 2006, beroep ingesteld.

Het beroep is nader gemotiveerd bij brief van 14 juli 2006.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2007 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is verschenen [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en mr. [D], bijgestaan door [E] en [F]. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de volgende beroepen:

-van [Y] tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001, zaaksnummer 06/1655 IB/PVV;

-van [Y] tegen de aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2001, zaaksnummer AWB 06/1658 WAZ;

-van [Y] tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002, zaaksnummer AWB 06/1660 IB/PVV;

-van eiseres tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002, zaaksnummer AWB 06/1648 IB/PVV.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 20 april 1990 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg (hierna: het handelsregister) ingeschreven de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [G] concept & Copy BV, welke vennootschap is opgericht op [datum 1] 1990. De statutaire naam van die BV is op 17 maart 2000 gewijzigd in [A] BV en op 26 mei 2000 in [H] International BV. Met ingang van 8 februari 2002 is de naam van de BV (terug)gewijzigd in [A] BV (hierna: de BV). Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van 8 augustus 2006 is de BV op 5 september 2002 in staat van faillissement verklaard.

2.2. Van 25 april 2000 tot 13 december 2001 was Stichting [I] enig aandeelhouder van de BV. [Y] was voorzitter, penningmeester en secretaris van die stichting.

2.3. Bij een op 8 augustus 2000 opgemaakte en ondertekende akte is eiseres een arbeidsovereenkomst aangegaan met de BV waarbij zij werd aangesteld in de functie van assistent controler. De arbeidsovereenkomst is namens de BV getekend door haar directeur, [Y].

2.4. Van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2002 stond eiseres in het handelsregister ingeschreven als algemeen directeur (alleen/zelfstandig bevoegd) van de BV.

2.5. Gedurende het jaar 2001 heeft eiseres met [Y] een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Op [datum 2] 2001 is uit hun relatie een kind geboren. In september 2002 zijn eiseres en [Y] gehuwd.

2.6. Op 26 februari 2002 heeft de BV een (suppletie)aangifte omzetbelasting ingediend voor het jaar 2001 volgens welke een bedrag van € 124.171 is verschuldigd. Met dagtekening 24 april 2002 heeft de inspecteur voor dat bedrag een naheffingsaanslag opgelegd met aanslagnummer [nummer 1].

2.7. Op 22 juli 2002 heeft de BV een (suppletie)aangifte loonbelasting ingediend voor de periode januari 2001 tot en met mei 2002, volgens welke een bedrag van € 144.119 is verschuldigd. Met dagtekening 27 september 2002 heeft de inspecteur voor dat bedrag een naheffingsaanslag opgelegd met aanslagnummer [nummer 2].

2.8. Op 22 juli 2002 dient de BV tevens een (suppletie)aangifte omzetbelasting in voor de periode januari 2001 tot en met mei 2002,volgens welke recht op teruggaaf bestaat voor een bedrag van € 242.044. Met dagtekening 21 augustus 2002 vraagt de inspecteur toelichting op deze (suppletie)aangifte omzetbelasting waarbij hij ondermeer verzoekt aan te geven hoe deze suppletie aan de verschillende tijdvakken moet worden toegerekend en hoe deze suppletie zich verhoudt tot een eerder voor het tijdvak 2001 ingediende aangifte. Hierop is niet gereageerd. De inspecteur heeft het verzoek om teruggaaf wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk verklaard en ambtshalve is geen teruggaaf verleend.

2.9. De naheffingsaanslagen genoemd onder 2.6. en 2.7. zijn onbetaald gebleven. Bij beschikking van 18 januari 2006 heeft verweerder eiseres aansprakelijk gesteld voor deze aanslagen.

2.10. Met dagtekening 28 maart 2006 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage (BK-04/02455) geoordeeld dat de BV de op het loon van eiseres ingehouden loonbelasting (€ 53.114) niet heeft afgedragen en dat eiseres slechts het door haar gestelde nettoloon, dat wil zeggen het bedrag dat overblijft nadat de volgens de wet voorgeschreven inhoudingen op het brutoloon hebben plaatsgevonden, heeft genoten. Naar aanleiding van die beslissing heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar de aansprakelijkstelling verlaagd met voornoemd bedrag van € 53.114.

3. Geschil

3.1. In geschil is primair of eiseres terecht aansprakelijk is gesteld voor de schulden van de BV. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aansprakelijkstelling ten onrechte heeft plaatsgevonden en voert daarvoor - zakelijk weergegeven - de volgende argumenten aan. Er was geen sprake van betalingsonmacht zodat er ook geen verplichting bestond tot het melden daarvan. Voorts was er ten tijde van haar bestuursperiode geen sprake van onbehoorlijk bestuur en droeg zij in 2001 geen daadwerkelijke bestuurdersverantwoordelijkheid. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor aanslagen die na haar formele bestuursperiode zijn vastgesteld dan wel materieel zijn opgekomen na haar formele bestuursperiode.

3.2. Subsidiair is de hoogte van de aansprakelijkstelling in geschil. Eiseres stelt zich op het standpunt dat materieel geen sprake is van een omzetbelastingschuld van de BV en dat de aansprakelijkstelling daarom moet worden verminderd met het bedrag dat betrekking heeft op de omzetbelasting. De naheffingsaanslag waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld had vernietigd moeten worden omdat uit latere door de BV ingediende (suppletie)aangiften omzetbelasting over het betreffende tijdvak zou blijken dat geen sprake was van verschuldigdheid van omzetbelasting maar van een recht op teruggaaf. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat de aansprakelijkstelling moet worden verminderd met het in de naheffingsaanslag loonbelasting begrepen bedrag dat betrekking heeft op het loon dat is uitbetaald aan de echtgenoot van eiseres, indien en voor zover die loonbelasting voor de heffing van inkomstenbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen.

3.3. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat een bedrag van € 47.000 van de aanslagen waarvoor zij aansprakelijk is gesteld, betrekking heeft op de periode na 31 december 2001 in welke periode zij in ieder geval geen directeur meer was van de BV.

3.4. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

3.5. Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aansprakelijkstelling. Subsidiair concludeert eiseres tot vermindering van de aansprakelijkstelling met € 124.171 (het bedrag aan omzetbelasting) en met € 43.403 (het bedrag aan loonheffing dat kan worden toegerekend aan de echtgenoot van eiseres). Meer subsidiair concludeert eiseres tot vermindering van de aansprakelijkstelling met een bedrag van € 47.000 (het bedrag dat moet worden toegerekend aan de periode na 31 december 2001).

3.6. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. aansprakelijkstelling bestuurder

4.1.1.Eiseres heeft aangevoerd dat zij in 2001 als gevolg van ziekte en zwangerschap geen daadwerkelijke bestuurdersverantwoordelijkheid heeft gedragen en dat zij feitelijk steeds verantwoording diende af te leggen aan een andere medewerker van de BV.

4.1.2. Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2001 als bestuurder stond ingeschreven in het handelsregister. Aldus staat vast, gelet op het bepaalde in artikel 36, vijfde lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet), dat eiseres bestuurder was van de BV in de zin van dat artikel. Het betoog van eiseres maakt dit niet anders.

betalingsonmacht

4.1.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) moeten de omzetbelasting en loonbelasting binnen één maand na het einde van een belastingtijdvak aan de ontvanger worden betaald. Vaststaat dat de BV eerst op 26 februari 2002 een aangifte heeft ingediend voor de omzetbelasting die zij is verschuldigd over het jaar 2001 en dat zij eerst op 22 juli 2002 een aangifte heeft ingediend voor de over het jaar 2001 verschuldigde loonbelasting. Tevens staat vast dat de volgens die aangiften verschuldigde bedragen niet zijn betaald. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het er voor moet worden gehouden dat de BV niet tot betaling in staat was. De rechtbank gaat in dit verband voorbij aan de stelling van eiseres dat geen sprake is van betalingsonmacht, nu eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan betaling desalniettemin achterwege is gebleven.

meldingsplicht

4.1.4. Nu is geoordeeld dat de BV niet tot betaling van de door haar verschuldigde loon- en omzetbelasting voor het tijdvak 2001 in staat was, had de BV ingevolge het bepaalde in artikel 36, tweede lid, van de Wet daarvan mededeling moeten doen aan verweerder. Tussen partijen is niet in geschil dat die melding niet heeft plaatsgevonden.

4.1.5. Aldus brengt het bepaalde in artikel 36, vierde lid, van de Wet mee dat wordt vermoed dat de niet-betaling van door de BV verschuldigde loon- en omzetbelasting aan eiseres is te wijten, tot weerlegging van welk vermoeden eiseres slechts wordt toegelaten indien zij aannemelijk maakt dat het niet aan haar is te wijten dat de BV niet aan haar in artikel 36, tweede lid, bedoelde meldingsverplichting heeft voldaan.

4.1.6. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres dit laatste naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Dat zij zich als gevolg van gezondheidsklachten minder intensief met de gang van zaken binnen de BV bemoeide, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Het ligt op de weg van eiseres in een dergelijke situatie maatregelen te treffen om de continuïteit van het bestuur van de BV te verzekeren. Dat zij dergelijke maatregelen heeft genomen is gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat het eiseres niet mogelijk was om die maatregelen te nemen.

4.1.7. Het vorenoverwogene heeft tot gevolg dat eiseres niet wordt toegelaten tot weerlegging van het vermoeden dat het niet betalen van loon- en omzetbelasting is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van haar kant. Derhalve is zij ingevolge artikel 36, derde en vierde lid, van de Wet naar het oordeel van de rechtbank terecht aansprakelijk gesteld voor de door de BV verschuldigde loon- en omzetbelasting.

4.2. hoogte van de aansprakelijkstelling omzetbelasting

4.2.1. Eiseres stelt zich onder verwijzing naar de onder 2.8. omschreven (suppletie) aangifte op het standpunt dat de BV voor het jaar 2001 per saldo recht had op teruggaaf van omzetbelasting zodat de naheffingsaanslag omzetbelasting waarvoor zij aansprakelijk is gesteld dient te worden verminderd tot nihil. De rechtbank volgt dit standpunt niet nu de betreffende teruggaaf niet is verleend door de inspecteur en eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er desondanks recht op die teruggaaf zou bestaan.

loonbelasting [Y]

4.2.2. Bij uitspraak van heden met kenmerk AWB 06/1655 IB/PVV heeft de rechtbank geoordeeld dat de loonbelasting die door de BV is ingehouden op het loon dat aan [Y] is uitbetaald, terecht door de inspecteur niet als voorheffing in aanmerking is genomen. Als gevolg daarvan is bij [Y] inkomstenbelasting geheven over zijn brutoloon. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in zoverre daarom geen ruimte meer voor aansprakelijkstelling voor de niet door de BV afgedragen loonbelasting. De aansprakelijkstelling dient dan ook te worden verminderd met een bedrag van € 43.403.

belasting die betrekking heeft op de periode na 31 december 2001

4.2.3. De naheffingsaanslag loonbelasting waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld ziet op de periode januari 2001 tot en met mei 2002. Eiseres stond per 1 januari 2002 niet langer in het handelsregister als directeur van de BV ingeschreven. Gesteld noch gebleken is dat zij desondanks ook na die datum als bestuurder dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich mee dat de aansprakelijkstelling dient te worden verminderd voor zover deze betrekking heeft op belasting verschuldigd over de periode na 31 december 2001. Eiseres heeft dit bedrag zonder nadere onderbouwing gesteld op € 47.000. Uit de door verweerder als bijlage 22 bij het verweerschrift overgelegde specificatie blijkt dat de BV over het jaar 2001 een bedrag van € 141.883 aan loonbelasting is verschuldigd. Nu de naheffingsaanslag een bedrag van € 144.119 beloopt, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat ten hoogste een bedrag van € 2.236 (€ 144.119 - € 141.883) moet worden toegerekend aan de periode na 31 december 2001. De aansprakelijkstelling dient dan ook met dat bedrag te worden verminderd.

slotsom

4.3. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal de aansprakelijkstelling vaststellen op € 215.176 minus € 43.403 en € 2.236, dat is € 169.537.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Andere kosten zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 169.537 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,--, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 141 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, mr. J.P.F. Slijpen en mr. J.M. van Kempen in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.