Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BH2743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
AWB 05/7927 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit (van 6 april 2005) betreft het verlenen van een bouwvergunning onder verlening van vrijstelling als bedoeld in art. 19, tweede lid, WRO voor de bouw van een appartementencomplex aan de Johan Braakensieklaan in Rijswijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/7927 WRO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[A] en [B], wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder.

Derde partij: de Stichting Rijswijk Wonen, gevestigd te Rijswijk, vergunninghoudster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 6 april 2005 heeft verweerder aan vergunninghoudster onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex aan de Johan Braakensieklaan te Rijswijk.

Bij besluit van 27 september 2005 heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 9 november 2005, ingekomen bij de rechtbank op 10 november 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 15 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter een door eisers ingediend verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (zaaknummer AWB 06/922 WRO).

Het beroep is op 24 januari 2007 ter zitting behandeld.

Eisers zijn in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en [D].

Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [E], bijgestaan door mr. M. van Hal-Scheffer, advocaat te Den Haag en [F].

Motivering

Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 18 mei 2004 een reguliere bouwvergunning heeft aangevraagd, voorziet in de bouw van een complex van 118 appartementen, 10 stadswoningen, een voorzieningenlaag en een parkeergarage aan de Johan Braakensieklaan te Rijswijk. Het complex bestaat uit drie- en vierkamer appartementen met circa 2500 m2 voorzieningen op de begane grond en een parkeergarage in één laag ondergronds met circa 200 parkeerplaatsen. De hoogte van het bouwplan varieert van twee bouwlagen aan de noordoostzijde - zijnde ongeveer 4,8 meter - tot 40,3 meter aan de noordwestzijde.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c, van het eerste lid van artikel 44 van de Wow dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmings-plan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse waar het bouwplan is voorzien geldt het bestemmingsplan "Te Werve West". Het betrokken perceel heeft de bestemmingen "Meergezins-huizen in vier bouwlagen op onderbouw in één laag", "Gemeenschappelijke tuin" en "Weg, autopad, parkeerterrein en/of parkeerstrook, rijwielpad, trottoir, voetpad en/of plein".

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met dat bestemmingsplan.

Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ten tijde van het primaire besluit was de lijst van gevallen, bedoeld in deze bepaling, neergelegd in de Nota Planbeoordeling 2002, zoals deze is gewijzigd met ingang van 14 september 2004. Deze lijst houdt, voor zover relevant, in dat een specifieke verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor:

a. het bouwen en uitvoeren van werkzaamheden die in overeenstemming zijn met die onderdelen van een bestemmingsplan, waarover de Provinciale Planologische Commissie (PPC) een eensluidend positief advies heeft uitgebracht.

Ten tijde van het bestreden besluit was deze lijst neergelegd in de Nota Regels voor Ruimte van 8 maart 2005, die met ingang van 15 maart 2005 in werking is getreden. Dit houdt, voor zover relevant, in dat een specifieke verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor:

a. het bouwen en uitvoeren van werken en werkzaamheden die in overeenstemming zijn met die onderdelen van een bestemmingsplan, waarmee GS, in overeenstemming met de inspecteur voor de ruimtelijke ordening, kunnen instemmen.

Op 17 januari 2005 hebben GS een specifieke verklaring van geen bezwaar, uiterlijk geldig tot 10 januari 2006, verleend voor het gebruik van gronden, de bouw van gebouwen en het uitvoeren van werken in overeenstemming met het verzoek van de gemeente Rijswijk van 14 december 2004 dat op 10 januari 2005 in de Provinciale Planologische Commissie (PPC) van Zuid-Holland is behandeld. De Provinciale Planologische Commissie (PPC) heeft verweerder om verduidelijking van het plan gevraagd op een aantal onderdelen, zoals, geluid, archeologie, water, parkeerbeleid en financiële uitvoerbaarheid. Verweerder heeft daarop gereageerd. Vervolgens heeft de PPC ingestemd met het bouwplan.

Op 10 februari 2006 hebben GS wederom een specifieke verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Ten aanzien van de lijst als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Afdeling) op 5 juli 2006, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2006, no. 200506294/1, ambtshalve geoordeeld dat GS deze voor zover deze werd toegepast in 2005 niet op de voorgeschreven wijze heeft gepubliceerd (LJN: AY0377). De Afdeling heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het betreffende college van burgemeester en wethouders niet bevoegd was een vrijstellingsbesluit met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO te nemen en het bestreden besluit vernietigd.

Op 7 juli 2006 hebben GS aan de gemeentebesturen van Zuid-Holland een brief gestuurd, waaruit de rechtbank afleidt dat ook de lijsten van 14 september 2004 en 8 maart 2005 ten onrechte niet zijn gepubliceerd in het Provinciaal blad. Dit kan niet tot een andere conclusie leiden dan dat deze geen verbindende kracht toekwamen, zodat ook in het onderhavige geval verweerder niet bevoegd is geweest het vrijstellingsbesluit met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, te nemen. Verweerder kon geen gebruik maken van de specifieke verklaring van geen bezwaar.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd, bij gebreke van de bevoegdheid van verweerder om op 27 september 2005 met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, de verleende vrijstelling van het bestemmingsplan te handhaven.

Nu publicatie van de lijst alsnog heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank in het voetspoor van de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2006 (AB 2006, 336) dat moet worden bezien of aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De aan de ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, van een project te stellen eisen zijn minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op de bestaande planologische situatie geringer is.

Het bouwplan is deels in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingen en voorts gedeeltelijk strijdig met het aantal bouwlagen dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

Op de desbetreffende gronden waren overeenkomstig het bestemmingsplan drie woonblokken met meergezinshuizen gebouwd met een oppervlakte van ieder 480 m2 in vier lagen met onderbouw in één laag. Op gronden met de bestemming "Gemeenschappelijke tuin" mogen ingevolge artikel 31 van de planvoorschriften geen gebouwen worden opgericht en artikel 29 van die voorschriften bepaalt dat op gronden met de bestemming "Weg, autopad, parkeerterrein en/of parkeerstrook, rijwielpad, trottoir, voetpad en/of plein" slechts gebouwtjes met een inhoud van ten hoogste 25 m3 mogen worden gebouwd.

Gelet hierop maakt het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank een tamelijk grote inbreuk op het geldende planologische regime.

Eisers hebben gesteld dat de ruimtelijke onderbouwing tekortkomingen kent, omdat de relatie tot bestaande laagbouw en andere in de directe omgeving van dit bouwplan gelegen bouwlocaties ontbreekt.

De rechtbank overweegt, evenals de voorzieningenrechter, te dien aanzien dat het vanuit het oogpunt van eisers begrijpelijk is dat zij de voorkeur geven aan de ontwikkeling van een bestemmingsplan waarin een integrale visie is neergelegd met betrekking tot de uiteindelijke vormgeving van het integrale stedelijke knooppunt zoals dat ter plaatse zal worden gerealiseerd.

Dat neemt echter niet weg dat verweerder de bevoegdheid heeft om als aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan op grond van dat artikel een bouwvergunning te verlenen voor een project dat afwijkt van hetgeen het geldende bestemmingsplan toestaat.

Het gebied waarin het bouwplan is gelegen is onderdeel van centrumgebied Rijswijk. De ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het voorontwerp bestemmingsplan "Johan Braakensieklaan", dat op 9 maart 2004 door verweerder is vastgesteld.

Daarin wordt ingegaan op de relatie met het Streekplan Zuid-Holland West (hierna: het streekplan), het Regionaal Structuurplan Haaglanden en de Regionale Woonvisie Haaglanden (hierna: de Woonvisie). In het streekplan is het gebied aangeduid als regionale knoop. Blijkens paragraaf E.4. van het streekplan is deze knoop vooral georiënteerd op personenfuncties en heeft deze een goede relatie met het openbaar vervoer. Regionale knopen worden verder ontwikkeld door de regio. In de Woonvisie is in paragraaf 6.6 vermeld dat onder meer van de gemeente Rijswijk een inzet wordt gevergd om in bepaalde delen van de stad de aanwezige eenzijdigheid in het woningaanbod meer te differentiëren. Dit betekent voor Rijswijk stedelijk wonen met veelal ruime appartementen in de nabijheid van voorzieningen en het moderne centrum rondom winkelcentrum In de Bogaard en het station. Het in geding zijnde bouwplan wordt hierin met name genoemd en van regionaal belang geacht.

Voorts wordt in het voorontwerpbestemmingsplan verwezen naar het gemeentelijk beleid terzake van het stationsgebied. De gemeente acht het wenselijk dat er ter plaatse een variatie aan sferen, mening van functies en een differentiatie aan woonvormen wordt gecreëerd om de locatie een stedelijke uitstraling te geven. Daarnaast volgt uit paragraaf 3 van het voorontwerp dat de ter plaatse aanwezige portiekflats niet meer voldoen en gesloopt zullen worden en er belangrijke kansen liggen in het vernieuwen van de woningvoorraad gericht op specifieke doelgroepen. Uit paragraaf 5 van het voorontwerp komt naar voren dat als centraal stedenbouwkundig uitgangspunt voor deze locatie geldt dat de toekomstige ontwikkeling gericht moet zijn op het realiseren van een stedelijk dynamisch woonmilieu, gecombineerd met centrumvoorzieningen en kleinschalige vormen van bedrijvigheid. Grootschalige bouwvolumes en wandvorming ten behoeve van ruimtelijke accentuering van het verblijfsgebied dienen de stedenbouw-kundige verschijningsvorm te bepalen.

Verweerder mocht gezien deze beleidsmatige ontwikkelingen naar het oordeel van de rechtbank van het in 2000 opgestelde Wijkontwikkelingsplan Te Werve, waarin een kleinschaliger invulling van de bouwlocatie werd voorzien, afwijken.

Gesteld noch gebleken is dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het voorontwerpbestemmingsplan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit als toereikend moet worden beschouwd.

Het bestreden besluit is mede gebaseerd op een positief advies van de welstandscommissie. Aannemelijk is dat bij de totstandkoming hiervan alle relevante aspecten onder ogen zijn gezien en zijn meegewogen. Er is geen reden het advies van de welstandscommissie onjuist te achten en op grond van het voorgaande kan dan ook niet gezegd worden dat verweerder dit advies niet zonder meer had mogen volgen.

Eisers zijn van mening dat de gemeente vóór de verlening van de vrijstelling onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen ervan. Pas na het verlenen van de vrijstelling zijn een verkeersonderzoek, windonderzoek en een luchtvervuilingsonderzoek uitgevoerd.

De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat eisers moeten worden gevolgd in hun opvatting dat in beginsel moet worden verwacht dat zulks plaatsvindt voorafgaand aan het verlenen van vrijstelling, maar dat dit niet wegneemt dat verweerder die aspecten voorafgaand aan het bestreden besluit alsnog heeft onderzocht en bij de belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank wijst eisers erop dat de bezwaarschriftprocedure mede is bedoeld om gebreken aan (de voorbereiding van) het primaire besluit te herstellen.

Anders dan eisers stellen is gebleken dat in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan eveneens onderzoek is gedaan naar de schaduwhinder van het bouwplan.

Vastgesteld wordt dat eisers de inhoudelijke juistheid van de gedane onderzoeken niet hebben betwist, hoewel zij ampel de gelegenheid hebben gehad dit te doen, en geen deskundige tegenonderzoeken hebben overgelegd, zodat de rechtbank van oordeel is dat, nu haar niet is gebleken van innerlijke tegenstrijdigheden in die onderzoeken, van de juistheid van die onderzoeken moet worden uitgegaan. Bovendien hebben eisers ter zitting uitdrukkelijk verklaard niet te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van de bedoelde onderzoeken.

Dat zich ten gevolge van het bouwplan verlies van groenvoorziening zal voordoen ten opzichte van de voorheen bestaande situatie - zoals door eisers gesteld - valt niet te ontkennen, maar gezien de kwalificatie van het gebied als stedelijk knooppunt kan niet staande worden gehouden dat om die reden in redelijkheid geen vrijstelling had kunnen worden verleend.

Voorts heeft verweerder getracht dit verlies aan groen enigszins te beperken door het tunneldak te voorzien van groen.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen.

Aangezien geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder inhoudelijk op goede gronden de gevraagde bouwvergunning verleend.

De rechtbank ziet op grond van het vorenstaande aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat de gemeente Rijswijk aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 138,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en

mr. D.R. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.