Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BF1061

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
09/757220-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan inbraken in auto's waarbij invalidenparkeerkaarten zijn weggenomen. Verdachte en zijn mededader hebben slechts het oog gehad op hun eigen financiële gewin zonder zich te bekommeren om de gevolgen die de feiten meebrachten voor de slachtoffers. Gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 2 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bijzondere voorwaarde: gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften van de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757220-07

's-Gravenhage, 20 juli 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1987,

adres: [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Rijnmond, Huis van Bewaring De IJssel' te Krimpen aan den IJssel.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 juli 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Mantz, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Willemse heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 5 en 7 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 6, 8 en 9 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1, 4, 5, 7 en 8 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 2, 3, 6 en 9 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan inbraken in auto's waarbij invalidenparkeerkaarten zijn weggenomen. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving en berokkenen schade aan de rechtstreeks benadeelden van deze feiten.

Verdachte en zijn mededader hebben slechts het oog gehad op hun eigen financiële gewin zonder zich te bekommeren om de gevolgen die de feiten meebrachten voor de slachtoffers. Door de bewezenverklaarde feiten ondervonden de slachtoffers niet alleen materiële schade, bestaande uit ingegooide autoruiten, maar zijn zij ook in hun dagelijks leven in aanzienlijke mate beperkt. Steeds betroffen de slachtoffers immers minder valide mensen die veelal afhankelijk zijn van hun auto en de aan hen persoonlijk verleende parkeerkaart. Door het wegnemen van de invalidenparkeerkaarten neemt de mobiliteit van deze mensen aanmerkelijk af, omdat zij niet meer op de speciaal voor hen gereserveerde plaatsen kunnen parkeren met alle vervelende gevolgen van dien.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen feiten als de onderhavige slechts worden afgedaan door de oplegging van een gevangenisstraf. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 april 2007, reeds meermalen ter zake van diefstal werd veroordeeld. Ondanks de hem daarvoor opgelegde straffen heeft verdachte zich kennelijk niet laten weerhouden opnieuw vermogensdelicten te begaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij wil proberen op het rechte pad terecht te komen door te werken en weer naar school te gaan. Hij heeft echter nog geen stappen ondernomen die daartoe kunnen leiden. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte, die nooit begeleiding heeft gekregen van de (jeugd)reclassering, hulp wordt geboden om zijn leven een positieve wending te geven. Zonder die hulp acht de rechtbank de kans van slagen om na detentie de goede weg in te slaan gering. Ondanks het feit dat er geen reclasseringsrapport is opgemaakt over verdachte, acht de rechtbank het gelet op het voorgaande aangewezen een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 4, 5, 7 en 8 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 2, 3, 6 en 9 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit:

diefstal door twee of meer verenigde personen

ten aanzien van de onder 3, 6 en 9 bewezenverklaarde feiten:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 2 (twee) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 11 april 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 13 april 2007;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Rossum, voorzitter,

De Jong en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Nijpels, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2007.

Mr Van Rossum is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.