Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD2058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
286885 - HA ZA 07-1439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vordering is gestoeld op de stelling dat de Staat in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het willekeurverbod en aldus jegens eiseres onrechtmatig handelt door haar niet op gelijke wijze te behandelen als de huurders van andere mosselpercelen. Vordering tot veroordeling van de Staat om aan eiseres als compensatie vervangende mosselpercelen uit te geven wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 286885 / HA ZA 07-1439

Vonnis van 12 december 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOSSELKWEEKBEDRIJF [A.] & ZN B.V.,

gevestigd te [plaats A.],

eiseres,

procureur mr. A.H. Vermeulen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. J.P. Heinrich.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 april 2007;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 4 juli 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] exploiteert een mosselkweekbedrijf. De sector van mosselkwekers in Nederland omvat circa 87 bedrijven.

2.2. De Staat geeft in de Zeeuwse wateren en de Waddenzee percelen in huur uit ten behoeve van de mosselkweek. Deze verhuur valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister).

2.3. Als gevolg van de aanleg van de Deltawerken zijn in de Zeeuwse wateren gebieden voor de mosselcultuur verloren gegaan. Mosselkwekers hebben daardoor schade geleden in de vorm van productieachteruitgang. In het kader van een tot en met 1995 gevoerd interimbeleid heeft de Staat voornoemde schade gecompenseerd door ruil van percelen of uitgifte van nieuwe percelen. Waar mogelijk werd ook productieachteruitgang gecompenseerd die natuurlijke oorzaken had. Het interimbeleid was gericht op instandhouding van de productie- en exploitatiemogelijkheden van de bestaande mosselkweekbedrijven. Daartoe hebben in de jaren 1979, 1982 en 1985 periodieke ‘doorlichtingsronden’ plaatsgevonden. De toekenning van nieuwe percelen was tijdelijk, te weten tot de ‘finale ronde’ in 1995. Bij de finale ronde was tevens gelegenheid om (rekenkundige) omissies, gemaakt bij de eerdere doorlichtingsronden, te herstellen.

De productiecapaciteit van een perceel werd bij deze rondes uitgedrukt in TPW (theoretische productiewaarde). Deze TPW is door natuurlijke oorzaken aan verandering onderhevig.

2.4. De minister heeft het beleid dat zou gaan gelden ná de finale ronde van 1995 neergelegd in de Structuurnota Zee- en kustvisserij getiteld “Vissen naar Evenwicht”, die is aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van 21 januari 1993 (TK 1992-1993, 22 993, nr. 1). In deze nota is onder meer te lezen (pagina 64-65):

“Alvorens tot een nieuw uitgiftebeleid van mosselpercelen kan worden overgegaan, dient eerst het bestaande interimbeleid te worden afgerond. De finale doorlichting van mosselpercelen moet als afronding gezien worden. De finale doorlichting heeft enerzijds tot doel erkende Deltaschade zoveel mogelijk te compenseren in de vorm van percelen. Anderzijds zullen reeds verleende tijdelijke compensaties in de vorm van percelen beoordeeld worden op hun uiteindelijke waarde. Tevens zal worden bezien of er ruimte is voor compensatie van produktie-achteruitgang van percelen door natuurlijke oorzaken. Bij deze finale doorlichting zal tevens gestreefd worden naar een optimalisatie van de perceellokaties binnen de huidige kweekgebieden (Oosterschelde, Westelijke Waddenzee). Na afronding van de finale doorlichting zal het overheidsbeleid zich richten op optimalisatie van het percelenareaal als geheel.”

Met betrekking tot optimalisatie is te lezen (pagina 67):

“In de Oosterschelde en de Westelijke Waddenzee zal de ligging van de schelpdierpercelen worden geoptimaliseerd.

Doel van deze optimalisatie is het verbeteren van de produktiemogelijkheden in de bestaande kweekgebieden. Het gaat hier met name om een kwalitatieve verbetering waardoor een hogere produktie-efficiency bereikt kan worden. (…) Bij deze optimalisatie zal het totale areaal niet worden uitgebreid. (…) Gezien het feit dat de produktiecapaciteit van een percelenblok geen statisch gegeven is zal de vraag of verschuiving hiervan noodzakelijk is, ook na optimalisatie, periodiek aan de orde blijven. Een dergelijke verschuiving danwel herschikking van percelen zal in principe op initiatief van en in overeenstemming tussen betrokken huurders tot stand kunnen komen. De visserij (…) zal nadrukkelijk worden betrokken bij de wijziging van de ligging van percelen.”

2.5. Een door [eiseres] tegen de Staat aangespannen procedure over haar in de finale ronde vastgestelde aanspraken is geëindigd met een afwijzing bij arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 21 september 2000.

2.6. Een verzoek van [eiseres] tot het in ruil geven van het perceel Slenk 20 nabij Harlingen is door de directeur Visserij bij brief van 1 maart 2004 afgewezen. Uitsluitend de problematiek rond de percelen ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak zou nog als voortvloeiend uit de finale ronde worden beschouwd.

2.7. Ook bij brief van 26 april 2005 aan de vereniging “Algemeen Vissersbelang” te [plaats A.] heeft het ministerie van LNV het onder 2.6 vermelde standpunt ingenomen.

2.8. [eiseres] heeft begin 2006 een kort geding tegen de Staat aangespannen dat erop was gericht vervangende mosselgrond te verkrijgen als compensatie voor de percelen Inschot 32 en Balgen 8 in de Zeeuwse wateren. Deze vordering is bij vonnis van 28 maart 2006 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen.

2.9. De Staat heeft in het najaar van 2006 vervangende percelen uitgegeven aan de huurders van de percelen ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak 51-64.

2.10. De minister heeft bij brieven van 8 juni 2006 en 24 november 2006 afwijzend beslist op verzoeken van, respectievelijk namens [eiseres] om op grond van bijzondere omstandigheden eveneens voor uitgifte van vervangende mosselgrond in aanmerking te komen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair:

de Staat te veroordelen aan [eiseres] als compensatie of optimalisatie voor de mosselpercelen Inschot 32 en Balgen 8 vervangende mosselpercelen uit te geven met een bezaaibare oppervlakte ter grootte van 29,25 hectare, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- subsidiair:

de Staat te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- meer subsidiair:

de Staat te bevelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de huurovereenkomsten met de mosselkwekers aan wie vervangende mosselgrond is uitgegeven voor de percelen ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak 51-64 te beëindigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2. Deze vordering is gestoeld op de stelling dat de Staat in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het willekeurverbod en aldus jegens [eiseres] onrechtmatig handelt door haar niet op gelijke wijze te behandelen als de huurders van de percelen ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak 51-64. Uit het feit dat aan hen na de finale ronde vervangende percelen zijn aangeboden, leidt [eiseres] af dat de finale ronde niet echt finaal was en dat het interimbeleid voor een beperkte groep mosselkwekers nog steeds toepassing vindt. Het beleid om bij compensatie uitsluitend percelenblokken als geheel te verplaatsen of verschuiven, leidt tot rechtsongelijkheid en willekeur. De bijzondere omstandigheden die de Staat heeft ingeroepen om buiten het optimalisatiebeleid om tot het uitgeven van vervangende percelen over te gaan, gelden ook in de situatie van [eiseres]. Aan de percelen ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak 51-64 is bij uitgifte in 1995 een TPW toegekend. De TPW is als norm voor de vaststelling van schade aan mosselpercelen niet betrouwbaar, maar deze is volgens de rechtspraak wel de norm die gehanteerd moet worden. [eiseres] heeft in het kader van de finale ronde het perceel Inschot 32 toegewezen gekregen met een bezaaibare oppervlakte van 19,25 hectare. De TPW van Inschot 32 is gedaald van 2.413 mosselton in 1994 tot 968,55 mosselton in 2001. Het perceel Balgen 8 met een bezaaibare oppervlakte van 10 hectare is reeds in 1995 door de Staat ingenomen omdat het waardeloos was voor mosselkweek, zonder enige compensatie. Het productieaandeel van [eiseres] in de sector is steeds verder teruggelopen en thans is de continuïteit van haar bedrijf in gevaar.

3.3. De Staat betwist dat sprake is van (ongerechtvaardigde) ongelijke behandeling ten nadele van [eiseres] en ten gunste van de huurders van de percelen ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak 51-64. De blokken ZORak en Scheurrak waren in 1995 nieuw aangelegd en daarvan waren geen visserijkundige beoordelingen beschikbaar die als referentie hadden kunnen dienen. Onder die bijzondere omstandigheden mocht de Staat gebruik maken van zijn bevoegdheid om van vastgesteld beleid af te wijken. [eiseres] huurde Inschot 32 sinds 1979 en Balgen 8 sinds 1973. In haar geval betrof het percelen die reeds lang in gebruik waren en waarvoor in het verleden betrouwbare TPW-schattingen waren gedaan. Daar komt bij dat het bij de vervanging van de ZORak- en Scheurrakpercelen ging om vervanging van perceelsblokken, hetgeen op zichzelf paste in het optimalisatiebeleid. Alleen al daarom zijn de door [eiseres] vergeleken gevallen niet gelijk.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat zij, zoals zij in een eerdere, door de Staat overgelegde uitspraak van 7 februari 2007 (rol-/zaaknummer 245532 / HA ZA 05-2037) heeft overwogen, het beleid waarbij uitsluitend blokken van percelen voor verplaatsing in aanmerking kunnen komen, niet onredelijk acht. Het verplaatsen van losse percelen is immers inefficiënt en brengt soms praktische problemen mee, zoals het elders open laten van losse percelen in een blok, met het risico van een feitelijke uitbreiding van het totale areaal. De door [eiseres] ter comparitie genoemde omstandigheid dat het perceel Inschot 32 het laatste perceel vormt in het blok met de perceelnummers 32 tot en met 35, brengt voor de Staat op zichzelf niet de verplichting mee om, in afwijking van zijn beleid, ook individuele percelen terug te nemen.

4.2. Nu [eiseres] geen blokken van percelen huurde, heeft zij geen aanspraak op gelijke behandeling met de huurders van de teruggenomen perceelsblokken ZORak 14-21 en Vogelzand/Scheurrak 51-64. Daar komt bij dat in 1995 de TPW van deze toen nieuw aangelegde perceelsblokken als schatting minder nauwkeurig kon zijn dan de schatting van de toen al bestaande percelen, zoals door de Staat is uiteengezet. Ook dat was een omstandigheid die de Staat in aanmerking mocht nemen bij zijn beslissing in 2006 om alleen de twee genoemde perceelsblokken in te nemen, daargelaten of in dit verband door de Staat terecht van een afwijking van (in plaats van een gedeeltelijk terugkomen op) het vastgesteld beleid wordt gesproken.

4.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 251,- aan verschotten en € 904,- aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2007