Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1196

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
271788 / HA ZA 06-2841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van onderaanneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 271788 / HA ZA 06-2841

Vonnis van 8 augustus 2007

in de zaak van

1. [eiseres A-B],

wonende te [woonplaats],

2. de commenditaire vennootschap

[B] SERVICES C.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseressen in de hoofdzaak in conventie,

verweersters in de hoofdzaak in reconventie,

procureur mr. E.J.W.F. Deen,

EN

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] AANNEMERSBEDRIJF [...] B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak in conventie,

eiseres in de hoofdzaak in reconventie,

procureur mr. T. van der Lans,

EN

interveniënt

MR. [curator],

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A], h.o.d.n. [A] Bestratingen,

interveniënt,

procureur mr. C.N.M. Otto.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk [B] c.s. (enkelvoud) en afzonderlijk [A-B] en [B] Services C.V. genoemd worden. [C] Aannemersbedrijf [...] B.V. zal [C aannemersbedrijf] en mr. [curator] zal de curator genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;

- de incidentele conclusie van eis tot tussenkomst met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident zijdens [B] met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident zijdens [C aannemersbedrijf], tevens akte wijziging van eis in reconventie in de hoofdzaak;

- het incidenteel vonnis van 22 november 2006;

- de akte houdende wijziging van eis zijdens de curator

- de akte houdende vermeerdering van eis in conventie in de hoofdzaak;

- het tussenvonnis van 28 februari 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de op 5 juni 2007 gehouden comparitie van partijen en de in het daarvan opgemaakte proces-verbaal genoemde producties.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is bij vonnis van 25 juni 2003 in staat van

failissement verklaard, met benoeming van mr. [curator] als curator. [A] is in gemeenschap van goederen gehuwd met [A-B].

2.2. [A-B] heeft op 2 september 2005 een overeenkomst van

onderaanneming gesloten met [C aannemersbedrijf] inzake rioolwerkzaamheden aan de [adres 1], [adres 2] te [plaats]. [A-B] en [C aannemersbedrijf] hebben voorts op 10 oktober 2005 een overeenkomst van onderaanneming gesloten met betrekking tot de [adres 3] te [plaats]. Opdrachtgever van [C aannemersbedrijf] is de gemeente Den Haag.

2.3. [C aannemersbedrijf] heeft ter zake van de werkzaamheden aan de [adres 3] een

memo van 2 november 2005 van de gemeente Den Haag ontvangen, met als onderwerp 'Niet adequate uitvoering van werkzaamheden'. Daarin wordt melding gemaakt van diverse werkzaamheden die niet juist zijn verricht. Behalve de mededeling dat het niet goed gaat, wordt tevens de verwachting uitgesproken dat [C aannemersbedrijf] -kort gezegd- aan de verwachtingen van de gemeente omtrent een bekwame en kwalitatief voldoende uitvoering van de werkzaamheden zal voldoen.

2.4. Op 12 december 2005 is [C aannemersbedrijf] door de gemeente in gebreke gesteld in verband met 'een ontoelaatbare vertraging en een nalatige uitvoering van de werkzaamheden in de [adres 3]'.

2.5. [A-B] heeft vanaf 16 januari 2006 geen werkzaamheden meer

verricht of doen verrichten op de onder 2.2. genoemde werken. In een brief van 27 januari 2006 schrijft de advocaat van [C aannemersbedrijf] aan [A-B]:

'Ondanks herhaald verzoek c.q. sommatie daartoe bent u vanaf 16 januari 2006 niet meer op de betreffende werken verschenen. Aldus schiet u in meerdere opzichten ernstig toerekenbaar tekort in de nakoming van uw verplichtingen voortvloeiende uit de betreffende overeenkomsten van onderaanneming en mitsdien bent u dienaangaande schadeplichtig.

Namens cliënte verzoek c.q. sommeer ik u uiterlijk binnen vier dagen na heden de betreffende werkzaamheden als overeengekomen te hervatten alsmede te vervolmaken, bij gebreke waarvan ik u reeds nu voor alsdan en voor zoveel nodig in gebreke stel alsmede aansprakelijk houdt voor alle door cliënte geleden c.q. te lijden (gevolg)schade.'

Deze brief is tevens verzonden naar de advocaat van [A-B].

2.6. De brief van 27 januari 2006 is gevolgd door een brief van 30 januari 2006. In die

brief wordt [A-B], onder verwijzing naar een viertal gespecificeerde facturen, met een totaal bedrag van € 315.329,79 ter zake van geleverde zaken en/of verrichte werkzaamheden, gesommeerd tot betaling over te gaan. Daarbij is [A-B], mocht zij niet, dan wel niet tijdig aan de sommatie voldoen, voor zover nodig reeds op voorhand in gebreke gesteld.

2.7. Tot slot heeft [C aannemersbedrijf] [A-B] bij brief van 16 februari 2006 wederom gesommeerd de werkzaamheden met betrekking tot beide werken binnen 7 dagen na dagtekening van de brief te hervatten. Nadat ook daaraan geen gevolg is gegeven, heeft [C aannemersbedrijf] de werkzaamheden door derden laten verrichten.

3. Het geschil

In conventie

3.1. [B] c.s. vordert -samengevat en na vermeerdering van eis- de betaling aan

[B] Services C.V. van een bedrag van € 467.680,00, te vermeerderen met rente en kosten. Zij stelt daartoe dat werkzaamheden uit hoofde van de onder 2.2. genoemde overeenkomsten zijn verricht en/of materialen zijn geleverd en [A-B] haar rechten uit de gesloten overeenkomsten heeft gecedeerd aan [B] Services C.V..

3.2. [C aannemersbedrijf] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.3. [C aannemersbedrijf] vordert -na wijziging van eis- een verklaring voor recht, inhoudende dat

[A-B] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen en dientengevolge schadeplichtig is, alsmede schadevergoeding nader op te maken bij staat. Daarnaast vordert [C aannemersbedrijf] veroordeling tot betaling van een bedrag van € 315.329,79 ter zake van geleverde materiaalen uit hoofde van de onder 2.2. genoemde overeenkomsten, een vergoeding van de (overeengekomen contractuele) buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [C aannemersbedrijf] vordert dit alles van de curator voor zover de boedel is gebaat en overigens van [B] c.s.. Tot slot vordert [C aannemersbedrijf] de curator en [B] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure. [C aannemersbedrijf] heeft voorts ter comparitie haar vordering voorwaardelijke vermeerderd. Voor zover zij gehouden is ter zake van de door haar aan [A-B] gedane betalingen een bedrag aan de curator te voldoen, vordert zij dit op grond van onverschuldigde betaling terug van [A-B] en [B] Services C.V..

3.4. [C aannemersbedrijf] stelt daartoe dat [A-B] de overeengekomen werkzaamheden niet deugdelijk heeft verricht en zij, nadat [A-B] (na daartoe te zijn gesommeerd) niet meer op de werken is verschenen, de werken door derden heeft laten verrichten. Zij stelt bovendien dat in overeenstemming met de artikelen 2.4. en 2.5. van de onderaannemingsovereenkomsten in opdracht en voor rekening van [A-B] voor een bedrag van € 315.329,79 aan hulpmiddelen en materieel is geleverd, waarvoor zij op 18 november 2005, 9 december 2005 en 21 december 2005 niet betwiste facturen heeft verzonden.

Inzake de vorderingen van de curator

3.5. De curator vordert -samengevat- [C aannemersbedrijf] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 113.373,00 en zo veel als [C aannemersbedrijf] in de hoofdzaak meer verschuldigd blijkt te zijn aan [B] c.s., zonder dat daarop in mindering strekt de vordering die [C aannemersbedrijf] op eiseressen in de hoofdzaak heeft, te vermeerderen met rente en kosten.

3.6. De curator legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [C aannemersbedrijf] ter zake van gesloten onderaanneemovereenkomsten met betrekking tot de gemeente Alkemade en in Den Haag (Ypenburg) in totaal het bedrag van € 113.737,00 op bankrekening [nummer] van [B] Services C.V. heeft overgemaakt. Omdat de vorderingen uit hoofde van de deze overeenkomst in de faillissementsboedel van [A] vallen, had volgens de curator niet aan [B] Services C.V., maar aan hem moeten worden betaald.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. De grondslag van de vordering tot betaling aan [B] Services C.V., is de

gestelde cessie van alle rechten uit de door [A-B] gesloten onderaanneemovereenkomst(en) aan [B] Services C.V.. Nu zijdens [B] c.s. tijdens de comparitie van partijen desgevraagd is geantwoord dat een akte van cessie ontbreekt en gesteld noch gebleken is dat er mededeling is gedaan aan [C aannemersbedrijf] van enige levering van rechten aan [B] Services C.V., is niet voldaan aan de vereisten voor levering van eventuele vorderingsrechten uit hoofde van de aan de vorderingen ten grondslag liggende overeenkomsten. Reeds om die reden is er geen grondslag [C aannemersbedrijf] te veroordelen om het gevorderde bedrag van € 467.680,00 aan [B] Services C.V. te betalen. De omstandigheid dat zijdens [B] c.s. ter zitting is verklaard dat de overeenkomsten wel zijn aangegaan op naam van [A-B], maar dat dit niet de bedoeling was, maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [C aannemersbedrijf] kenbaar had moeten zijn dat [A-B] niet haar wederpartij was.

Voor zover uit het lichaam van de dagvaarding blijkt dat [A-B] mogelijk bedoeld heeft wel het bedrag van € 5.000,00 aan overeengekomen buitengerechtelijke kosten op eigen naam te vorderen, dient dit reeds te worden afgewezen omdat het betreffende artikel 16.4. niet van toepassing is, nu dit alleen ten behoeve van [C aannemersbedrijf] is overeengekomen.

4.2. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal [B] c.s. in de kosten van de

procedure worden veroordeeld, aan de zijde van [C aannemersbedrijf] tot op heden begroot op

- verschotten € 4.245,00

- 1 punt conclusie van antwoord € 2.580,00

- 1 punt comparitie van partijen € 2.580,00

totaal € 9.405,00.

In reconventie

4.3. De rechtbank zal eerst ingaan op de gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat [A-B] jegens [C aannemersbedrijf] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen en dientengevolge schadeplichtig is. Van een tekortkoming is zijdens [A-B] sprake indien het door

haar toegezegde resultaat niet is bereikt. [A-B] kan pas schadeplichtig zijn indien zij bovendien in verzuim is. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de stelling van [C aannemersbedrijf] dat de werkzaamheden niet deugdelijk zijn verricht en de stelling dat vanaf 16 januari 2006 in het geheel geen werkzaamheden meer zijn verricht.

4.4. Met betrekking tot het niet deugdelijk verrichten van de werkzaamheden stelt [C aannemersbedrijf] dat zij op 2 november 2005 van de gemeente Den Haag een memo 'Niet adequate uitvoering van werkzaamheden' en daarna op 12 december 2005 een formele ingebrekestelling heeft ontvangen. Naar aanleiding daarvan zou [C aannemersbedrijf] [A-B] te kennen hebben gegeven dat de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden tekort schoot en terstond diende te worden opgelost. Zo dit al het geval is (hetgeen in het midden kan blijven), dan is [B] daarmee nog niet in verzuim. Verzuim treedt immers pas in wanneer de schuldenaar bij een schriftelijke aanmaning in gebreke wordt gesteld en waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Een schriftelijke ingebrekestelling, naar aanleiding van de memo van 2 november 2005, is gesteld noch gebleken. Uit het door [C aannemersbedrijf] gestelde blijkt bovendien niet van een redelijke termijn waarbinnen [A-B] alsnog diende na te komen.

4.5. Een (schriftelijke) ingebrekestelling vindt wel plaats bij brief van 27 januari 2006.

Uit hetgeen daaruit onder 2.5. is weergegeven, blijkt dat deze ingebrekestelling ziet op het niet verschijnen op de werkzaamheden (de projecten [adres 1], [adres 2] en de [adres 3]). Zijdens [A-B] is in dit verband tijdens de comparitie van partijen echter gesteld dat zij reeds had aangegeven dat zij geen werkzaamheden meer zou verrichten als er niet betaald zou worden. Door [C aannemersbedrijf] is tijdens de comparitie bevestigd dat die mededeling is gedaan. Zij brengt daar slechts tegen in dat daarmee van een ingebrekestelling geen sprake is, omdat -zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [C aannemersbedrijf]- geen redelijke termijn is gesteld. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De mededeling dat geen werkzaamheden zullen worden verricht zolang [C aannemersbedrijf] geen betalingen verricht, is een opschorting van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 6:262 BW. Deze opschorting van de werkzaamheden leidt ertoe dat [C aannemersbedrijf] geen nakoming kan vorderen. De niet-nakoming zijdens [A-B] is dan ook geen tekortkoming en vereist, om haar werking te hebben, niet het stellen van een redelijke termijn waarbinnen [C aannemersbedrijf] aan haar verplichtingen moet voldoen. De brief van 27 januari 2006 komt derhalve niet de betekenis toe die [C aannemersbedrijf] daaraan wenst toe te kennen. De gevraagde verklaring voor recht dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen.

4.6. [C aannemersbedrijf] heeft voorts de betaling gevorderd van geleverde hulpmiddelen en

materieel. Zij stelt op grond van de artikelen 2.4. en 2.5. van de onderaannemings-overeenkomsten voor € 315.329,79 aan hulpmiddelen en materieel te hebben geleverd. De beide bedoelde bepalingen luiden als volgt.

2.4. Alle te gebruiken materialen staan uitputtend in het bestek. De onderaannemer staat er jegens [C aannemersbedrijf] Aannemersbedrijf voor in dat alle door hem gebruikte hulpstoffen c.q. hulpgoederen van goede hoedanigheid zijn, geschikt zijn voor de bestemming en voldoen aan de gestelde, althans naar de verkeersopvatting redelijkerwijs te stellen, eisen. De onderaannemer verplicht zich alle in bijlage ... [getal] bij deze overeenkomst vermelde, reeds door [C aannemersbedrijf] Aannemersbedrijf ingekochte, materialen tegen betaling exclusief af te nemen bij [C aannemersbedrijf] Aannemersbedrijf tegen dezelfde prijs, voorwaarden en kortingen als waarvoor [C aannemersbedrijf] Aannemers deze elders heeft ingekocht.

2.5. De onderaannemer verplicht zich al het voor de uitvoering van het werk benodigde materieel, althans hulpmidddelen, tegen betaling exclusief af te nemen c.q. te huren van [C aannemersbedrijf] Aannemersbedrijf. Tevens zal de heer [C] door de onderaannemer worden ingehuurd teneinde als hoofduitvoerder te fungeren. De tegenprestatie welke de onderaannemer zal voldoen aan [C aannemersbedrijf] Aannemersbedrijf voor het huren van het materieel en het terbeschikking stellen van de heer [C] zal separaat (van de aanneemsom) worden berekend en doorbelast conform de prijslijst vervat in bijlage ... [getal].

[C aannemersbedrijf] stelt terzake van de geleverde hulpmiddelen en materieel op 18 november 2005, 9 december 2005 en 21 december 2005 niet betwiste facturen te hebben verzonden.

4.7. [A-B] heeft blijkens de aan [C aannemersbedrijf] gedane mededeling enkel de verbintenis tot het verrichten van werkzaamheden opgeschort. De opschorting raakt derhalve niet de verplichting om hulpmiddelen en materieel af te nemen en daarvoor te betalen. [A-B] verweert zich tegen de onderhavige vordering door te stellen dat zij de genoemde facturen nooit heeft ontvangen. Ook zou er slechts zijn overeengekomen dat een shovel en een kraan zouden worden gehuurd. Alles wat door [C aannemersbedrijf] is geleverd en is gebruikt bij de werken, is volgens [A-B] op naam van [C aannemersbedrijf] geleverd en dient door [C aannemersbedrijf] bij de gemeente Den Haag te worden gedeclareerd.

4.8. De rechtbank heeft met partijen vastgesteld dat de bijlagen die worden genoemd in de onder 4.6. weergegeven bepalingen door partijen niet zijn ingevuld en ontbreken bij de onder 2.2. genoemde overeenkomsten. [A-B] zou volgens [C aannemersbedrijf] op grond van het bestek echter duidelijk moeten zijn wat zij aan materialen en materieel diende te gebruiken. Dat mag zo zijn, maar daarmee is niet duidelijk wat er op grond van de beide bepalingen tegen welke prijs moet worden afgenomen. Het ontbreken van de bijlage heeft voor de bepaling onder 2.4. tot gevolg dat ervan moet worden uitgegaan dat op grond van artikel 2.4. geen goederen hoeven te worden overgenomen. Er zijn immers geen goederen geduid. Dit laat onverlet dat er op grond van artikel 2.5. de verplichting bestaat de voor de uitvoering van het werk benodigde materieel, althans hulpmiddelen, exclusief af te nemen bij [C aannemersbedrijf]. Niet betwist is dat uit het bestek blijkt welke materialen en hulpmiddelen benodigd zijn. [A-B] stelt weliswaar dat enkel een shovel en een kraan zouden worden gehuurd, maar in het midden kan blijven in hoeverre partijen dit (nader) zijn overeengekomen. Uit de overeenkomst, met name artikelen 2.5., blijkt immers dat het voor de uitvoering benodigde materieel en de hulpmiddelen voor rekening van [A-B] komen. Niet betwist is dat de bedoelde hulpmiddelen en materieel door [C aannemersbedrijf] zijn geleverd. Voor zover [A-B] stelt dat hetgeen is geleverd, op naam en dus voor rekening van [C aannemersbedrijf] is geleverd, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uit de overeenkomsten vloeit immers voort dat het gebruikte materieel voor rekening van [A-B] komt. Zij kan gelet daarop niet volstaan met een voor het eerst tijdens de comparitie ingenomen kale stelling en had haar standpunt nader moeten onderbouwen. Gelet op het feit dat niet is betwist dat hetgeen is gedeclareerd is geleverd, dient [A-B] daarvoor te betalen. Dat zij stelt de facturen niet te hebben ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Omdat gesteld noch gebleken is dat de door [C aannemersbedrijf] in rekening gebrachte bedragen niet redelijk zijn, dient het gevorderde (ook al waren deze prijzen op basis van het ontbreken van de bijlage bij de overeenkomsten op voorhand niet kenbaar), tot het bedrag van € 315.329,79 te worden toegewezen. Dat geldt ook voor de wettelijke rente en wel vanaf 5 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.9. Ook de bedongen buitengerechtelijke kosten (gefixeerd minimaal € 5.000,00)

kunnen worden toegewezen. De vordering komt overeen met het in de overeenkomsten genoemde bedrag en is als zodanig niet betwist. Voor het daarnaast toekennen van enig bedrag aan buitengerechtelijke kosten is geen plaats. Niet alleen worden deze kosten geacht in de bedongen buitengerechtelijke kosten te zijn inbegrepen, gesteld nog gebleken is dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op andere (buitengerechtelijke) verrichtingen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure of op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.10. Voor zover is gevorderd ook de curator terzake van het uit hoofde van deze

vorderingen toe te kennen bedrag te veroordelen voor zover de boedel is gebaat, zal de vordering worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat de boedel is gebaat, zodat de boedel ingevolge artikel 24 Fw voor de verbintenissen uit hoofde van de onderaannemingsovereenkomsten niet aansprakelijk is.

4.11. Nu partijen in reconventie over en weer in het gelijk worden gesteld, zal de

rechtbank de kosten tussen deze partijen compenseren, in die zin dat partijen de eigen kosten te dragen.

Inzake de vorderingen van de curator

4.12. De vorderingen van [A-B] worden afgewezen. Dit betekent dat de vordering van de curator, voor zover gebaseerd op de toewijzing van die vorderingen, eveneens dient te worden afgewezen.

4.13. De rechtbank komt nu toe aan de vordering tot betaling aan de curator van het

door [C aannemersbedrijf] reeds aan [A-B] (dan wel [B] Services C.V.) betaalde bedrag van € 113.737,00. De vordering heeft betrekking op betalingen die zijn verricht in verband met na het faillissement van [A] door [A-B] aangegane verplichtingen. Deze verplichtingen hebben in beginsel geen gevolgen voor het in het faillissement vallend vermogen. Ingevolge artikel 24 Fw is de boedel niet aansprakelijk voor verbintenissen van de gefailleerde die na faillietverklaring zijn ontstaan, dan voor zover de boedel daarbij is gebaat. Gelet op het bepaalde in artikel 63 Fw geldt dit ook met betrekking tot de verbintenissen die na de datum van faillietverklaring zijn aangegaan door de echtgenoot met wie de gefailleerde in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd. De vraag is evenwel of de boedel in het onderhavige geval gebaat is. Dat is niet het geval. Er zijn immers in het geheel geen betalingen in de boedel terecht gekomen. Dit betekent dat, nu de na het faillissement aangegane verbintenissen de boedel niet raken, er ook geen grondslag is aan te wijzen op grond waarvan [C aannemersbedrijf] ter zake van de voor haar uit de verbintenissen voortvloeiende verplichtingen (opnieuw, maar dan) aan de curator zou moeten betalen. De rechtbank kan in het stelsel van de faillissementswet geen rechtvaardiging vinden voor een verrijking van de crediteuren op grond van een na het faillissement tot stand gekomen verbintenis die de boedel niet raakt. De vordering van de curator zal om die reden worden afgewezen.

4.14. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de curator worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [C aannemersbedrijf] begroot op € 1.421,00 (dit betreft 1 punt in verband met het bijwonen van de comparitie van partijen).

4.15. Omdat uit het voortgaande voortvloeit dat de curator niet op goede gronden is tussengekomen, zal hij tevens worden veroordeelt in de kosten van het incident, aan de zijde van [C aannemersbedrijf] eveneens begroot op € 1.421,00 (1 punt voor de incidentele conclusie van antwoord tot tussenkomst).

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [A-B] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [C aannemersbedrijf] tot op heden begroot op € 9.405,00;

- verklaart dit vonnis in conventie wat de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- veroordeelt [A-B] aan [C aannemersbedrijf] een bedrag van € 315.329,79 te betalen;

- veroordeelt [A-B] tot betaling aan [C aannemersbedrijf] van de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf 5 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [A-B] aan [C aannemersbedrijf] tevens een bedrag van € 5.000,00 te betalen;

- veroordeelt [A-B] tot betaling aan [C aannemersbedrijf] van de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf 11 oktober 2006 tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

inzake de vorderingen van de curator

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt de curator in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [C aannemersbedrijf] begroot op € 1.421,00;

inzake de kosten in het incident

- veroordeelt de curator in de kosten van het incident, aan de zijde van [C aannemersbedrijf] begroot op € 1.421,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2007.