Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1164

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/44727 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling staat of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat het belang van verweerder om de vreemdeling in bewaring te houden thans zwaarder dient te wegen dan het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld. Hierbij is meegewogen dat de vreemdeling aanvankelijk geen medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit wenste te verlenen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr. : AWB 07/44727 VRONTN

Inzake: [de vreemdeling] ook bekend als [...], V-nummer [nummer], thans verblijvende in het Detentiecentrum [...], hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. M.L. van Riel, advocaat te Hoorn,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde drs. [...], ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1985 en de Chinese nationaliteit te hebben.

2. Op 28 november 2007 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 11 juli 2007 de vreemdeling heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

17 december 2007. De vreemdeling heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2007. Voorts is laatstelijk bij uitspraak van 30 oktober 2007 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring rechtmatig was. Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

2. De vreemdeling heeft het volgende aangevoerd.

Op grond van een belangenafweging dient de bewaring te worden opgeheven. Er zijn slechts drie vertrekgesprekken gevoerd. Verweerder heeft de vreemdeling en de rechtbank onjuist geïnformeerd door thans met stukken te komen over een vertrekgesprek in week 43.

Tijdens de vertrekgesprekken is niet expliciet naar informatie gevraagd die volgens [A] en [B], Persoonsregistratie in China en zicht op uitzetting (Migrantenrecht 2007, 8) (hierna: de publicatie) van belang kan zijn voor het traceren van de vreemdeling in China. Nu verweerder sinds 2 augustus 2007 enkel heeft gerappelleerd en er verder geen enkele relevante uitzettingshandeling is verricht is sprake van onvoldoende voortvarend handelen.

Er is geen sprake van zicht op uitzetting. De vreemdeling verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 9 november 2007 (AWB 07/40322) en naar de publicatie, waarin de functionaliteit en de betrouwbaarheid van het Chinese persoonsregistratiesysteem worden gerelativeerd. Nu de vreemdeling volgens de publicatie zijn identiteitskaart heeft moeten inleveren om China te verlaten, hij is doorgehaald in het Hukouboekje en er beperkte mogelijkheden zijn om dat Hukouboekje in te zien, is het uitgesloten dat het onderzoek binnen redelijke termijn tot afgifte van een laissez-passer (lp) kan leiden.

Gezien het feit dat de vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek, geen criminele antecedenten heeft en verweerder informatie opvraagt die juist niet of nauwelijks bijdraagt aan de afgifte van een lp, dient de bewaring na afweging van alle betrokken belangen onrechtmatig te worden geacht.

3. Verweerder heeft de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt in zake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland.

Ter zitting is namens verweerder het volgende aangevoerd.

Met een kopie van het vertrekgesprek van 19 oktober 2007 is aangetoond dat dat vertrekgesprek daadwerkelijk is gevoerd. De vreemdeling is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Voorts bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en handelt verweerder voldoende voortvarend. Daartoe is verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 16 april 2007 (JV 2007, 242) en een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 6 december 2007 (AWB 07/42649).

Uit het Algemeen ambtsbericht China van mei 2006 blijkt dat elke Chinese burger op zijn zestiende levensjaar een identiteitskaart krijgt en op deze wijze is opgenomen in het persoonsregistratiesysteem.

De belangen van verweerder wegen thans zwaarder dan het belang van de vreemdeling.

4. Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is.

5. Ofschoon het niet zorgvuldig is om het vertrekgesprek d.d. 19 oktober 2007 niet te vermelden in de voortgangsrapportage van 30 november 2007, is de vreemdeling hierdoor niet dermate in zijn belangen geschaad dat dit de bewaring onrechtmatig zou maken. De vreemdeling was immers wel op de hoogte van dat gesprek.

6. Het feit dat verweerder niet expliciet naar gegevens heeft gevraagd, die volgens de publicatie van belang zijn om de vreemdeling te traceren, leidt niet tot het oordeel dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Het is primair aan de vreemdeling om met gegevens te komen die behulpzaam kunnen zijn bij het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft de vreemdeling op 2 augustus 2007 gepresenteerd bij de Chinese autoriteiten en rappelleert maandelijks over de voortgang van dat onderzoek. Voorts hebben onder meer op 19 oktober 2007 en 29 november 2007 vertrekgesprekken plaatsgevonden met de vreemdeling. Gezien het voorgaande kan verweerder geen gebrek aan voortvarendheid worden verweten.

7. Met betrekking tot de stelling dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, wordt het volgende overwogen.

Bij uitspraak van 16 april 2007 (LJN: BA3690, JV 2007, 242) heeft de AbRS overwogen dat de enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten slechts in een gering aantal gevallen reisdocumenten verstrekken, op zichzelf niet betekent dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat die autoriteiten ook niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. In die zaak was door verweerder betoogd dat de Chinese autoriteiten over een gedetailleerde persoonsregistratie beschikken. Hierdoor zou het voor de Chinese autoriteiten gemakkelijker zijn om de vreemdeling te traceren naarmate de vreemdeling meer gegevens verstrekt.

Blijkens de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam d.d. 14 november 2007 (LJN: BB8344) zijn vragen gesteld aan verweerder betreffende het aantal afgegeven lp's door de Chinese autoriteiten. Verweerder heeft daarop, voorzover hier van belang, medegedeeld dat in het jaar 2007 501 lp-aanvragen zijn ingediend en dat er 16 lp's zijn verstrekt, waarvan in 2 gevallen geen documenten aanwezig waren.

Uit deze cijfers volgt niet dat het onmogelijk is voor Chinese vreemdelingen om zonder een identiteitsdocument aan een reisdocument te komen. De vreemdeling heeft deze cijfers weliswaar betwist, maar die betwisting is niet gemotiveerd en wordt daarom gepasseerd.

Verder heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat er, gelet op hem persoonlijk betreffende concrete feiten en omstandigheden, geen zicht op uitzetting is. De verwijzing naar de publicatie is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat de vreemdeling China legaal heeft verlaten, waarbij hij volgens de publicatie zijn identiteitskaart had moeten inleveren. Voor zover de vreemdeling zijn identiteitskaart bij vertrek ingeleverd heeft, wordt overwogen dat hij in China over een identiteitsdocument heeft beschikt, waardoor traceren niet onmogelijk lijkt. Gezien het voorgaande kan niet worden gezegd dat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Dit geldt temeer nu de ouders van de vreemdeling in China verblijven en de vreemdeling in het vertrekgesprek van 29 november 2007 heeft verklaard dat hij een maand geleden in een brief aan zijn ouders heeft gevraagd of zij hem aan identiteitsdocumenten kunnen helpen.

Gelet op het vorenoverwogene en de duur van de bewaring is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder om de vreemdeling in bewaring te houden thans zwaarder dient te wegen dan het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld. Hierbij is meegewogen dat de vreemdeling aanvankelijk geen medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit wenste te verlenen.

8. Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. A.P. Pereira Horta en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.