Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1128

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/4765 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4765 OB

Uitspraakdatum: 4 mei 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P ], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 22 april 2006 op het bezwaar van eiser tegen de door hem voldane omzetbelasting over het eerste, tweede en vierde kwartaal 1999, het derde kwartaal 2000 en het jaar 2001, alsmede tegen de aan hem afgegeven teruggaafbeschikkingen omzetbelasting voor het derde kwartaal 1999, het eerste, tweede en vierde kwartaal 2000 en de jaren 2002 en 2003.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiser is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Op het aan eiser uitgereikte aangiftebiljet voor het aangiftetijdvak 2004 staat vermeld dat de aangifte en betaling uiterlijk binnen moeten zijn op 31 maart 2005. Vaststaat dat de door eiser ingediende aangifte over het jaar 2004 is gedagtekend 1 december 2005 (hierna: de aangifte) en niet voor die datum door verweerder is ontvangen. Met dagtekening 27 april 2005 en aanslagnummer [nummer] heeft verweerder wegens het niet indienen van het aan hem uitgereikte aangiftebiljet binnen de daartoe gestelde termijn over het jaar 2004 een naheffingsaanslag aan eiser opgelegd. Op de aangifte over het jaar 2004 heeft eiser een bedrag van € 36.657 aan omzetbelasting teruggevraagd. Dit verzoek om teruggave heeft verweerder aangemerkt als bezwaarschrift tegen de betalingen op de periodieke aangiften omzetbelasting over de jaren 1999 tot en met 2003 dan wel tegen de afgegeven teruggaafbeschikkingen over die jaren.

2.2. Eiser heeft een nieuwbouwwoning gekocht welke hij in november 2003 in gebruik heeft genomen. In de als bezwaarschrift aangemerkte aangifte over het jaar 2004 heeft eiser verzocht om terugbetaling van de in jaren 1999 tot en met 2003 in verband met de bouw van de woning aan hem in rekening gebrachte voorbelasting omdat de woning mede voor zakelijke doeleinden wordt gebruikt.

2.3. Verweerder heeft de als bezwaarschrift aangemerkte aangifte niet-ontvankelijk verklaard omdat die niet is ingediend binnen zes weken na dagtekening van de teruggaafbeschikkingen dan wel binnen zes weken na de voldoeningen op aangifte.

2.4. Nu eiser niet tijdig aangifte heeft gedaan en verweerder een naheffingsaanslag over het jaar 2004 heeft opgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het verzoek om teruggaaf in de aangifte over het jaar 2004 op goede gronden als bezwaarschrift tegen de betalingen op de periodieke aangiften omzetbelasting over de jaren 1999 tot en met 2003 dan wel tegen de afgegeven teruggaafbeschikkingen over die jaren aangemerkt. De rechtbank staat derhalve voor de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift (hierna: bezwaartermijn) zes weken. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), voor zover hier van belang, vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het afschrift van de voor bezwaar vatbare beschikking. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel b, van de AWR vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van de voldoening op aangifte.

2.6. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.7. Niet gebleken is dat zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan worden geconcludeerd.

2.8. Anders dan eiser meent heeft de beslissing van het Hof van Justitie in de zaak Charles en Charles-Tijmens tegen de Staatssecretaris van Financiën (Hof van Justitie EG 14 juli 2005, nr. C-434/03, VN 2005/35.18) niet tot gevolg dat verweerder hem de overschrijding van de bezwaartermijn niet langer kan tegenwerpen. In dit verband verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2005, nr. 37 690, V-N 2005/12.6. Dat het indertijd zinloos zou zijn geweest een bezwaarschrift in te dienen levert, wat daar verder ook van zij, geen verschoonbare termijnoverschrijding op. Geen nationale wettelijke bepaling stond eiser immers in de weg om ter zekerstelling van zijn rechten bezwaar aan te tekenen in afwachting van nadere (Europese) jurisprudentie op dit punt.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook de beslissing van het Hof van Justitie van 6 oktober 2005, nr. C-291/03, overweging 17, niet tot gevolg dat verweerder de termijnoverschrijding niet mag tegenwerpen. In voornoemde overweging 17 wordt overwogen dat het een aangelegenheid is van het interne recht van een staat om de voorwaarden vast te stellen waaronder verzoeken tot belastingteruggaaf kunnen worden gedaan, waarbij deze voorwaarden niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige vorderingen op basis van het nationale recht gelden, en dat zij evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken. In de Nederlandse rechtsorde wordt geen onderscheid gemaakt tussen zogenoemde nationale teruggaafverzoeken en teruggaafverzoeken die aan het gemeenschapsrecht kunnen worden ontleend. Daarnaast acht de rechtbank de voor indiening van een bezwaarschrift tegen een teruggaafbeschikking en tegen de voldoening op aangifte geldende termijn van zes weken na dagtekening van die beschikking, respectievelijk na de dag van de voldoening op aangifte een redelijke termijn, in die zin dat daardoor de uitoefening van (mede) op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.

2.10. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank het bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk verklaard.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 4 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Riel, griffier.