Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1106

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/29169 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag verblijfsvergunning minderjarige van Kongolese nationaliteit afgewezen. Verweerder heeft geen bijzondere aandacht besteed aan de specifieke situatie van eisers als minderjarigen, zelfs zeer jonge, kinderen van gevluchte ouders in Kongo.

Eisers hebben ook gesteld dat er voor hen een reëel gevaar bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder had, naar het oordeel van de rechtbank, ook in dit verband de specifieke situatie van eisers in zijn beschouwingen dienen te betrekken.

Bestreden besluiten zijn niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid en niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 06/29169 BEPTDN

Inzake : [eiser 1] en [eiser 2], eisers, V-nummers [V-nummer] en [V-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde, mr. Y. Tamer, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.M. Kobus, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1992 en [geboortedatum] 1995 en de Kongolese nationaliteit te bezitten. Op 16 augustus 2004 hebben zij aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 3 april 2006 eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Eisers hebben hun zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluiten van 17 mei 2006 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen.

2. Bij schrijven van 14 juni 2006 heeft eiser tegen deze besluiten een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

6 februari 2007. Eisers hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres heeft in het kader van het nader gehoor met betrekking tot de situatie van eisers voorafgaand aan hun vertrek in Kongo -voor zover van belang en samengevat- het navolgende aangevoerd. Er zijn militairen gekomen naar hun woning om hun vader op te pakken en deze militairen hebben hun vader geslagen. Hierna is hun vader vertrokken. Vervolgens is ook hun moeder vertrokken, waarna zij bij de broer van hun vader verbleven. Op een gegeven moment zijn zij opgehaald door de zus van hun moeder. Daarna zijn militairen gekomen die de man van de zus van hun moeder hebben meegenomen en gedood. Zij zijn vervolgens met de zus van hun moeder naar Nederland gekomen. Hun tante heeft eisers bij hun ouders achtergelaten en is zelf verder gereisd.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat niet is gebleken dat eisers, mede gelet op hun leeftijd, te vrezen hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

4. In beroep hebben eisers het volgende aangevoerd. Op grond van Richtlijn 2004/83 EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Richtlijn 2004/83 EG) hadden zij een vluchtelingenstatus moeten ontvangen. Het nareiscriterium is in strijd met artikel 20, 25, en artikel 30 van Richtlijn 2004/83 EG. Artikel 25 (lees:23) Richtlijn 2004/83 EG bepaalt dat een gezin in stand moet worden gehouden. Voorts volgt uit artikel 20, vijfde lid, Richtlijn 2004/83 EG dat bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk die betrekking hebben op minderjarigen lidstaten zich primair laten leiden door de het belang van het kind. Op grond van artikel 30 (lees: artikel 20, derde lid,) Richtlijn 2004/83 EG moeten de lidstaten rekening houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld. Uit het bestreden besluit blijkt volgens eisers niet dat rekening is gehouden met hun specifieke situatie. Zij zijn minderjarig en afkomstig uit Kongo, waar volgens de Verenigde Naties per dag 1400 mensen, vooral kinderen, als gevolg van de oorlog sterven. Voor minderjarigen mag het nareiscriterium niet worden toegepast. Voorts hebben eisers een beroep gedaan op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als minderjarigen lopen zij een reëel gevaar op onderwerping aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM, artikelen 1 en 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (BUPO).

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 20, derde lid, Richtlijn 2004/38 EG houden de lidstaten bij de toepassing van dit hoofdstuk (Hoofdstuk V11 Kenmerken van de internationale bescherming) rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld.

Op grond van artikel 20, vijfde lid, Richtlijn 2004/38 EG laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk (Hoofdstuk V11 Kenmerken van de internationale bescherming) die betrekking hebben op minderjarigen, primair leiden door het belang van het kind.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, Richtlijn 2004/38 EG zorgen de lidstaten ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden.

In artikel 8, eerste lid, EVRM is - voor zover hier van belang - bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezins-leven ("family life").

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het gegeven dat beide ouders van eisers in Nederland zijn toegelaten als vluchteling voor verweerder de verplichting meebrengt jegens dit gezin de in Richtlijn 2004/83 (hierna verder: de richtlijn) neergelegde minimum normen te waarborgen.

De rechtbank overweegt dat uit de bestreden besluiten, ook indien rekening wordt gehouden met hetgeen is overwogen in voorgenomen besluiten, onvoldoende blijkt dat verweerder de in de richtlijn neergelegde normen bij zijn beschouwingen heeft betrokken.

Blijkens de bestreden besluiten heeft verweerder geen bijzondere aandacht besteed aan de specifieke situatie van eisers als minderjarigen, zelfs zeer jonge, kinderen van gevluchte ouders in Kongo. Voorts is niet aangegeven dat is meegewogen dat de opvang door de tante van eisers niet langer aanwezig is in verband met het vertrek van die tante, evenals in het geval van de ouders van eisers, veroorzaakt door geweld van de zijde van leger.

Eisers hebben in dit verband ook gesteld dat er voor hen een reëel gevaar bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder had, naar het oordeel van de rechtbank, ook in dit verband de specifieke situatie van eisers in zijn beschouwingen dienen te betrekken.

7. Voorts blijkt uit de bestreden besluiten niet dat verweerder heeft beoordeeld of het ingevolge de hoofdstuk C1/4.6.1 van de vreemdelingencirculaire bij de verlening van verblijfvergunningen aan minderjarige kinderen van toegelaten vluchtelingen gestelde vereiste dat deze kinderen de ouder in kwestie binnen drie maanden na de verlening van de verblijfsvergunning zijn nagereisd, zich ook in dit geval verdraagt met de in artikel 23 van de richtlijn neergelegde zorgplicht voor de in stand houding van het gezin. Verweerder heeft niet betwist dat tussen eisers en hun ouders steeds een gezinsband heeft bestaan. Niet kan worden uitgesloten dat zich in het geval van eisers omstandigheden voordoen op grond waarvan de in artikel 23 van de richtlijn neergelegde zorgplicht met zich brengt dat wordt afgeweken het vereiste van de nareis binnen drie maanden. Voor zover kan worden beoordeeld heeft verweerder nagelaten om bij eisers en hun ouders informatie in te winnen over de omstandigheden en beweegredenen, die hebben geleid tot de feitelijke scheiding tussen aanvankelijk de vader van eisers en de rest van het gezin en vervolgens de moeder van eisers en eisers.

In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat verweerder zich met betrekking tot de bescherming van het gezinsleven zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM heeft beroepen op de vaste, ook door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geaccepteerde, beleidslijn dat een nadere afweging van artikel 8 EVRM bij de aanvraag asiel achterwege blijft, omdat de vreemdeling de aanspraak op respectering van zijn gezinsleven kan realiseren door het indienen van een verzoek om een zogenoemde verblijfsvergunning regulier.

De rechtbank overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat de inwilliging van de dergelijke aanvraag, gelet op de voorwaarden waaraan op grond van het ter zake gevoerde beleid moet worden voldaan, in een situatie als de onderhavige niet mogelijk is. Verweerder dient zich te beraden op de vraag of in dat geval artikel 23 van de richtlijn bijzondere betekenis heeft.

7. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet met de nodige zorgvuldigheid zijn voorbereid en niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De besluiten dienen te worden vernietigd en het beroep dient gegrond te worden verklaard.

8. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvragen van eisers beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2007, in tegenwoordigheid van mr. M. de Graaf, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: