Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1046

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/9313 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag op WAO uitkering door Belastingdienst.

Eiser is in beroep tegen het gelegde beslag opgekomen. De rechtbank overweegt dat eiser zijn bezwaren tegen het gelegde beslag ingevolge artikel 438 Rv dient voor te leggen aan de civiele rechter. Als derde-beslagene was verweerder ingevolge artikel 477, eerste lid, Rv gehouden het beslag uit te voeren zonder de geldigheid en de omvang ervan te mogen beoordelen. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter.

De bestuursrechter komt omtrent het gelegde beslag geen oordeel toe. De rechtbank beperkt haar toetsing derhalve tot de vraag of verweerder bij het nemen van dat besluit binnen het kader van het beslag is gebleven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder binnen dat kader is gebleven. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/9313 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van het beslag dat door de Belastingdienst [P.] op de uitkering die eiser ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) ontvangt is gelegd, alsmede van verzoekers verplichting aan dat beslag gevolg te geven.

Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 november 2006 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 november 2006 beroep ingesteld.

Het beroep is op 21 november 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. Latenstein.

Motivering

Uit de stukken blijkt dat eiser van verweerder een uitkering ingevolge de WAO ontvangt ter grootte van € 42,94 bruto per uitkeringsdag.

Bij brief van 23 oktober 2006 heeft de Belastingdienst [P.] van verweerder gevorderd maandelijks een bedrag op eisers uitkering in te houden ter voldoening van een belastingschuld (inclusief de kosten) ter grootte van € 1.345,00.

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder eiser ervan op de hoogte gesteld dat de Belastingdienst [P.] executoriaal derdenbeslag onder verweerder heeft gelegd op eisers WAO-uitkering. Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven dat er met een beslagvrije voet van € 566,00 per maand rekening gehouden zal worden.

Executoriaal derdenbeslag is geregeld in artikel 475 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Ingevolge artikel 476a Rv is de derde-beslagene (verweerder) gehouden verklaring te doen van de vorderingen die door het beslag worden getroffen. In bedoelde verklaring heeft verweerder aangegeven dat het in te houden maandbedrag met ingang van 1 november 2006 € 219,94 bedraagt en blijkens de brief aan de Belastingdienst van 31 oktober 2006 is bij de vaststelling van dat bedrag rekening gehouden met de beslagvrije voet van € 566,00 per maand. Tenslotte is van belang dat de derde-beslagene op grond van artikel 477, eerste lid, Rv verplicht is de volgens voornoemde verklaring verschuldigde geldsommen aan de Belastingdienst te voldoen.

Eiser is in beroep tegen het gelegde beslag opgekomen. De rechtbank overweegt dat eiser zijn bezwaren tegen het gelegde beslag ingevolge artikel 438 Rv dient voor te leggen aan de civiele rechter. Als derde-beslagene was verweerder ingevolge artikel 477, eerste lid, Rv gehouden het beslag uit te voeren zonder de geldigheid en de omvang ervan te mogen beoordelen. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter.

De bestuursrechter komt omtrent het gelegde beslag geen oordeel toe. Bij de beoordeling van het bestreden besluit moet de geldigheid van het gelegde beslag als een gegeven worden beschouwd. De rechtbank beperkt haar toetsing derhalve tot de vraag of verweerder bij het nemen van dat besluit binnen het kader van het beslag is gebleven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder binnen dat kader is gebleven. Voor zover de rechtbank omtrent eisers stelling dat twee maal op zijn WAO-uitkering beslag is gelegd al een oordeel toekomt, moet worden vastgesteld dat deze stelling feitelijke grondslag mist. Op eisers uitkering was aanvankelijk door [deurwaarderskantoor] beslag gelegd, maar de uitvoering hiervan is tijdelijk - vanwege de hogere preferentie van de vordering van de Belastingdienst - stopgezet. Daarvan heeft verweerder de deurwaarder bij brief van 31 oktober 2006 op de hoogte gesteld. Uit hoofde van dat beslag werd ten tijde van belang op eisers uitkering niets ingehouden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.