Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1026

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/7541 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat eiser gedurende de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt over de plaats van zijn hoofdverblijf. Ingevolge artikel 17 van de WWB rustte op eiser de gehoudenheid verweerder daarover te informeren, nu de plaats van het hoofdverblijf een essentieel gegeven is voor het recht op bijstand.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/7541 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats A.], eiser,

en

Burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft verweerder het recht op uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand van eiser ingetrokken per 12 april 2005 en de uitkering over de periode 12 april 2005 tot en met 31 januari 2006 tot een bedrag van € 13.968,22 teruggevorderd.

Bij besluit van 1 augustus 2006, verzonden op 4 augustus 2006, heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nog nadere stukken overgelegd. Verweerder heeft hierop gereageerd.

Het beroep is op 14 september 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J. Wapperom.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Los.

Motivering

Eiser is een bijstandsuitkering toegekend per 12 april 2005 naar de norm van een alleenstaande. Eiser heeft opgegeven samen met zijn partner te wonen op het [adres].

Naar aanleiding van de retourzending door TPG-Post in december 2005 en januari 2006 van twee poststukken met als reden ‘vertrokken, geen brievenbus / brievenbus vol’, is bij verweerder twijfel ontstaan of eiser woonachtig is op het door hem opgegeven adres. Verweerder heeft daarop op 20 en 26 januari 2006 de woning op genoemd adres bezocht.

Omdat volgens verweerder de bevindingen tijdens de huisbezoeken onvoldoende grond konden opleveren voor de intrekking van de uitkering, is eiser tijdens de bezwaarprocedure verzocht nadere gegevens te verstrekken omtrent zijn hoofdverblijf op het [adres], onder meer met betrekking tot het gas-, water- en energieverbruik in de vermeende woning. Het zijn met name de gegevens over het energieverbruik naast de bevindingen van de beide huisbezoeken die volgens verweerder leiden tot het aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende standpunt dat eiser gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf niet had in de vermeende woning op genoemd adres.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit geen stand kan houden reeds omdat verweerder hangende het bezwaar heeft besloten nader onderzoek te doen naar eisers woonsituatie. Voorts heeft hij aangevoerd dat het geringe energieverbruik verklaard kan worden doordat hij in genoemde periode geen geregeld leven leidde. Hij kwam laat thuis en verliet weer vroeg de woning. Eiser douchte niet thuis en kookte niet voor zichzelf. Verweerder heeft volgens eiser voorts ten onrechte getuigenverklaringen van vrienden en buren over zijn woonsituatie terzijde gelegd. Eiser acht het besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat eiser gedurende de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het [adres].

Verweerder heeft in de eerste plaats terecht van belang geacht de gegevens over het gebruik van stroom, gas en water in de woning. Volgens de afrekening van energieleverancier NUON hebben eiser en zijn partner in 288 dagen 729 kWH stroom verbruikt, terwijl een tweepersoonshuishouden over dezelfde periode gemiddeld 2.631 kWH verbruikt (Nibud-gegevens). Voorts is gebleken dat het gemiddeld gasverbruik in een flat met een gaskachel 1.285 m3 per jaar (Nibud) bedraagt, terwijl het gasverbruik in de woning van eiser gedurende een periode van 288 dagen slechts 15 m3 heeft bedragen. Wat betreft het waterverbruik zijn slechts gegevens aanwezig over de periode 12 april 2005 tot 23 mei 2005. Volgens deze gegevens is in eisers woning 1 kubieke meter water verbruikt, terwijl op jaarbasis door een tweepersoonshuishouden gemiddeld 93 kubieke meters per jaar water wordt verbruikt (Nibud). Eiser heeft geen overtuigende verklaring kunnen geven voor het geringe verbruik. Zijn verklaring dat hij thuis niet douchet en kookt biedt eerder steun voor de stelling dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres.

Voorts dient ook gewicht toegekend te worden aan de bevindingen tijdens de twee huisbezoeken. Tijdens het bezoek op 20 januari 2006, zo kan uit de rapportage van 26 januari 2006 worden opgemaakt, kreeg de rapporteur na aanbellen geen gehoor. Vanaf de straatzijde heeft hij waargenomen dat de woning leeg stond (geen meubilair, geen gordijnen). Desgevraagd heeft een van de buren verklaard dat sinds het vertrek van de vorige bewoonster in april 2005 er geen nieuwe bewoners zijn. Wel wordt de brievenbus regelmatig geleegd.

Tijdens het huisbezoek op 26 januari 2006 werd na aanbellen de deur opengedaan door mevrouw [B.], de partner van eiser. Eerder die dag had eiser contact gezocht met de rapporteur waarna een afspraak bij de woning is gemaakt. Blijkens het rapport zag de woning er onbewoond uit, was de woning niet ingericht, stond er één, nog in plastic verpakt, bankstel en lag er een oud matras. Voorts is tijdens het huisbezoek vastgesteld dat er in de woning geen kleding en toiletspullen van eiser aanwezig waren, geen koelkast, geen wasmachine en dat er geen etenswaren en/of drank getoond kon worden. Verder is vastgesteld dat eiser na enkele minuten bij de woning arriveerde en geen eigen sleutel had. Eiser heeft verklaard sinds november 2005 op verschillende adressen te verblijven, voornamelijk bij zijn moeder te [plaats B.]. Ook zou hij af en toe bij de moeder van zijn vriendin hebben verbleven.

Eiser heeft op 27 juni 2006 een verklaring van bewoners van de nrs. 30, 32 en 36 overgelegd inhoudende dat hij sinds 12 april 2005 in de [adres] woont. Verweerder is terecht aan deze verklaringen voorbijgegaan, nu deze niet kunnen afdoen aan de gegevens omtrent het feitelijke energieverbruik in de woning en de bevindingen tijdens de twee huisbezoeken.

Op grond van het bovenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt over de plaats van zijn hoofdverblijf. Ingevolge artikel 17 van de WWB rustte op eiser de gehoudenheid verweerder daarover te informeren, nu de plaats van het hoofdverblijf een essentieel gegeven is voor het recht op bijstand. Als gevolg is aan eiser over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand verleend, zodat verweerder ingevolge artikel 54, derde lid en onder a, van de WWB bevoegd was over te gaan tot intrekking van de uitkering over genoemde periode. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB was verweerder voorts bevoegd de ten onrechte verleende uitkering terug te vorderen. Niet is gebleken dat het teruggevorderde bedrag onjuist is. De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier J.A. de Kievit-Tempels.