Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1019

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/3777 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WWB. Uitkering bij wijze van maatregel meermalen verlaagd omdat eiser niet voldeed aan de hem opgelegde arbeidsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/3777 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 2 december 2005 heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 oktober 2005 beëindigd.

Tegen dit besluit heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 februari 2005 (reg.nr. AWB 05/9466) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard met dien verstande dat eisers uitkering met ingang van 1 oktober 2005 bij wijze van maatregel voor de duur van twee maanden is verlaagd met 100%.

Tegen dit besluit heeft eiser tijdig beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met de gedingen met reg.nrs. 06/6808 en 07/4297, op 24 september 2007 ter zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde, mr. J.M. Linares Fandino, zijn zonder bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...]. Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Motivering

Eiser heeft sinds oktober 2000 een bijstandsuitkering ontvangen. Meermalen is eisers uitkering bij wijze van maatregel verlaagd op de grond dat hij niet voldeed aan de hem opgelegde arbeidsverplichtingen.

In februari 2005 is eiser aangemeld voor het project dubieuze uitval bij [A]. Eiser zou in juni 2005 starten met een traject in de tuinbouw maar heeft zich ziek gemeld. In verband met eisers agressieve opstelling naar zijn consulent bij [A] en zijn onwillige werkhouding is eisers uitkering bij besluit van 13 juli 2005 bij wijze van maatregel verlaagd met 100% over de maand juli 2005. Voorts is bij separaat besluit van 13 juli 2005 zijn uitkering met ingang van 1 augustus 2005 tijdelijk geblokkeerd.

Tijdens een driegesprek met eisers bijstandconsulent, [A] en Werkkompas heeft eiser zich coöperatief opgesteld, op grond waarvan de uitbetaling van eisers uitkering is hersteld.

Uiteindelijk heeft het traject bij [A] voor eiser niet geleid tot werk. Hierna heeft verweerder eiser aangemeld voor een traject bij het Leerwerkcentrum. Op 10 november 2005 heeft eiser geweigerd een trajectadvies te ondertekenen. Verweerder heeft bij besluit van 2 december 2005 eisers uitkering met ingang van 1 oktober 2005 beëindigd op de grond dat eiser niet heeft meegewerkt aan het traject en hij hiermee niet heeft voldaan aan de hem opgelegde arbeidsverplichting.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van het besluit gewijzigd en is aan eiser op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden de geïndividualiseerde maatregel van verlaging van de uitkering met 100% voor de duur van twee maanden opgelegd.

Eiser heeft aangevoerd dat de opgelegde maatregel van een bijzondere hardheid getuigt. Eiser heeft geweigerd het trajectadvies te ondertekenen omdat hierin, volgens eiser, onwaarheden werden vermeld. Voorts valt het hem niet te verwijten dat hij zich heeft afgemeld voor het gesprek over het traject bij [A] omdat hij financiële zaken diende te regelen. Door verweerders onzorgvuldig handelen was eiser onder financiële druk komen te staan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, verplicht gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het College overeenkomstig de (maatregelen)verordening de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het College de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging kan worden afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat aan de hand van de stukken vast dat [A], in een laatste poging, eiser heeft aangemeld bij [B] voor een traject, waar hij op 17 oktober 2005 kon beginnen. Op 14 oktober 2005 heeft eiser zich afgemeld voor het begeleidende gesprek, waardoor hij op de gestelde startdatum niet is begonnen aan het traject. Dit heeft tot gevolg gehad dat het traject via [A] is beëindigd zonder positieve uitstroom. Voor het afzeggen van de afspraak op 14 oktober 2005 heeft eiser geen, in ieder geval geen zijn gedrag rechtvaardigende, verklaring gegeven.

Eiser is hiermee de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting niet nagekomen. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vervolgens is niet in geschil - een ook de rechtbank neemt dit als vaststaand aan - dat eiser heeft geweigerd op 10 november 2005 het trajectadvies bij het Leerwerkcentrum te ondertekenen. Eiser heeft hiertoe gesteld dat zijn advocaat hem dit zou hebben geadviseerd. Verweerder heeft eiser hierop de gelegenheid geboden contact op te nemen met zijn advocaat om het trajectadvies voor te leggen en een nieuwe afspraak te maken met het Leerwerkcentrum. Eiser heeft hierna niets meer van zich laten horen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser wederom niet heeft voldaan aan de op hem rustende arbeidsverplichting. Ook in dit verband kan niet worden gesteld dat eiser niets te verwijten valt.

Op grond van het voorstaande was verweerder dan ook met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand te verlagen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Den Haag (hierna: Maatregelenverordening), zoals deze gold tot 1 april 2007, kan het college in afwijking van het gestelde in deze verordening de hoogte of de duur van de maatregel hoger of lager vaststellen.

In artikel 7 van de Maatregelenverordening worden gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de WWB niet of niet voldoende is nagekomen, onderscheiden in vier categorieën.

Artikel 13, eerste lid, van de Maatregelenverordening bepaalt dat, onverminderd artikel 2, derde lid, voor de hoogte en duur van een maatregel een categorie-indeling wordt gehanteerd, waarbij (voor zover hier van belang) wordt onderscheiden: dertig procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand bij gedragingen in de derde categorie; honderd procent van de bijstandsnorm voor de duur van twee maanden in de vierde categorie, waarbij is bepaald dat de duur één maand is als het betreft een gedraging als bedoeld in het derde lid van dit artikel.

Het tweede lid van artikel 13 bepaalt dat de duur of de hoogte van een maatregel wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen een jaar, te rekenen vanaf het moment van oplegging van een maatregel, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging van dezelfde of hogere categorie.

Ingevolge het derde lid van artikel 13 wordt een maatregel opgelegd van de vierde categorie als de belanghebbende aan wie een maatregel als bedoeld in het tweede lid is opgelegd, volhardt in zijn weigering mee te werken aan inschakeling in de arbeid door binnen zes maanden na het opleggen van de maatregel als bedoeld in het tweede lid gedragingen uit de tweede of derde categorie ten toon te spreiden.

Verweerder heeft beide onderhavige gedragingen gekwalificeerd als het niet of niet in voldoende mate gebruik maken van de door het college op basis van artikel 9, eerste lid onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet en de daaraan ten grondslag liggende reïntegratieverordening aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering. Gelet op artikel 7, derde lid, van de Maatregelenverordening, betreft het hier gedragingen van de derde categorie, waarbij, op grond van artikel 13, eerste lid onderdeel c van de Maatregelenverordening, een verlaging van 30% gedurende één maand past.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aanleiding gezien om met toepassing van artikel 2, derde lid, van de Maatregelenverordening wat betreft de duur en hoogte af te wijken van de standaardmaatregel en een maatregel van 100% gedurende twee maanden op te leggen. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder betoogd dat, gezien de opzet van artikel 13 van de Maatregelenverordening in samenhang met de bij besluiten van 26 juli 2004 en 13 juli 2005 opgelegde maatregelen, het derde lid van artikel 13 van de Maatregelenverordening toegepast had kunnen worden bij het opleggen van de thans bestreden maatregel, hetgeen zou hebben geleid tot een maatregel van verlaging van de bijstandsnorm met 100% gedurende één maand. Verweerder heeft echter in eisers weigerachtige werkhouding en de opeenstapeling van maatregelen aanleiding gezien ter zake van de onderhavige gedragingen een geïndividualiseerde maatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat de handelwijze van eiser ten tijde in geding verzwarende omstandigheden laten zien om op grond van artikel 2, derde lid, van de Maatregelenverordening af te wijken van de standaardmaatregel zoals bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Maatregelenverordening. Vastgesteld moet worden dat eiser in zijn negatieve houding ten aanzien van de daadwerkelijke inschakeling in het arbeidsproces heeft volhard. Zo blijkt uit de stukken dat eiser tijdens de aangeboden trajecten een voortdurende weigerachtige werkhouding heeft aangenomen. Uit de rapportages van de met eiser gevoerde gesprekken over toeleiding naar werk komt naar voren dat eiser zich agressief opstelde en aan voorgestelde trajecten niet wilde meewerken. Eiser wilde pas meewerken aan een traject in de tuinbouw op het moment dat de uitbetaling van zijn uitkering werd geblokkeerd, waarna hij zich op de gewenste startdatum niet heeft gemeld. Op de dag dat hij heeft gewerkt, is de werkgever er, op grond van eisers gedrag, toe overgegaan eiser direct naar huis te sturen. Door de weigerachtige houding van eiser heeft hij het aangeboden traject gefrustreerd, waardoor dit traject niet tot een positief resultaat heeft kunnen leiden. Van eiser mocht verlangd worden, gelet op de veelvuldig opgelegde maatregelen in het verleden en zijn status van langdurig werkloze, dat hij zich breed en constructief opstelde ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces en dat hij zeer zorgvuldig diende om te springen met de hem in dat verband geboden kansen. Ook na het mislukken van het traject bij [A] heeft eiser zich niet constructief opgesteld door een trajectadvies niet te ondertekenen.

De onderhavige verzwaring van de standaardmaatregel tot verlaging van de bijstandsnorm met 100% gedurende twee maanden acht de rechtbank in overeenstemming met het in artikel 2, tweede lid, van Maatregelenverordening neergelegde afstemmingsvereiste. Hiertoe wordt overwogen dat eiser zich door het afzeggen van de afspraak op 14 oktober 2005 en daarna de weigering het trajectadvies te ondertekenen schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die elk op zich zelf beschouwd reeds aanleiding hadden kunnen geven tot oplegging van een maatregel zoals bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Maatregelenverordening, hetgeen voor elke gedraging afzonderlijk had geleid tot een verlaging van de bijstandsnorm met 100% gedurende één maand.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M. Munsterman, mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. D.R. van der Meer, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.W.W. Koppe.