Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1015

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2007
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
WB 07/211 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB uitkering; schending van de inlichtingenplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/211 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van Burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verlaagd over de periode 1 september tot en met 31 december 2006 met 10% wegens het niet tijdig verstrekken van de inkomstenverklaring van juli 2006.

Bij besluit van 18 december 2006 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie van 23 november 2006, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 januari 2007, ingekomen bij de rechtbank op 8 januari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 8 november 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is, zonder bericht vooraf, niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...].

Motivering

Bij besluit van 12 juli 2005 is het recht op uitkering van eiser beëindigd, wegens schending van de inlichtingenplicht. Tevens heeft verweerder aangekondigd dat indien binnen 12 maanden na beëindiging van het recht op uitkering een beroep wordt gedaan op de WWB, een maatregel van 10% gedurende één maand zal worden opgelegd.

Bij besluit van 20 oktober 2005 is aan eiser een WWB-uitkering toegekend, waarbij de eerder aangekondigde maatregel van 10% gedurende één maand is opgelegd.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft verweerder aan eiser wegens schending van de inlichtingenplicht een maatregel opgelegd, wegens recidive is de duur van de maatregel verdubbeld naar twee maanden.

Bij onderhavig besluit van 28 augustus 2006 heeft verweerder aan eiser wegens schending van de inlichtingenplicht een maatregel van 10% gedurende vier maanden opgelegd omdat eiser zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een verwijtbare gedraging.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nu eiser zich binnen twaalf maanden na de vorige verwijtbare gedraging opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een verwijtbare gedraging, de vorige maatregel moet worden verdubbeld. De uitkering van eiser wordt over de periode van 1 september 2006 tot en met 31 december 2006 met 10% verlaagd.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zo heeft verweerder ten onrechte besloten hem in het kader van zijn bezwaar niet te horen, terwijl daar in het bezwaarschrift wel om is verzocht. Daarnaast geeft eiser aan goede redenen te hebben waardoor de inkomstenverklaring te laat is ingeleverd.

Vooropgesteld moet worden dat verweerder eiser in het kader van zijn bezwaar niet heeft gehoord. Eiser heeft hier in zijn beroepschrift een beroep op gedaan. Artikel 7: 2, eerste lid, van de Awb schrijft een bestuursorgaan echter dwingend voor dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Dit voorschrift vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Het horen dient er onder meer toe om diegene die niet goed in staat is zijn gedachten schriftelijk te formuleren, de mogelijkheid te bieden om zijn mening mondeling onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen. Daarnaast heeft het horen tot doel nadere informatie ter beschikking te krijgen. Door het houden van een hoorzitting bestaat de gelegenheid om naar een oplossing te zoeken voor de gerezen problemen. Door uitwisseling van informatie en wederzijdse standpunten kan het vertrouwen van de burger in de overheid - ook als hij geen gelijk krijgt - worden versterkt. Slechts in een beperkt aantal gevallen kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien. Die gevallen worden in artikel 7:3, onder a tot en met d, van de Awb, genoemd en dienen restrictief toegepast te worden.

De rechtbank concludeert dat verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld door op het bezwaar te beslissen zonder eiser in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. Reeds op grond hiervan kan het bestreden besluit geen stand houden.

Vastgesteld wordt dat, alhoewel eiser daartoe is uitgenodigd, eiser niet is verschenen ter zitting.

De rechtbank zal beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van deWWB, verlaagt verweerder overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van verweerder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 2 van de Afstemmingsverordening Gouda 2006 (hierna: de Verordening) bepaalt -voor zover van belang- dat het college, indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, overeenkomstig de Verordening de bijstand wordt verlaagd. De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Verordening ziet het college af van het verlagen van de bijstand indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van de verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

Artikel 8, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand niet, of niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, de bijstandsnorm gedurende een maand met 10% verlaagd.

Artikel 8, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat de duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot afstemming met toepassing van dit hoofdstuk, opnieuw schuldig maakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Verordening kan het college bij een derde en een volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, de verlaging op een hoger bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij herhaald verwijtbaar gedrag kan het college de bijstand voor onbepaalde tijd weigeren.

In het onderhavige geval diende, blijkens het formulier inkomstenverklaring, de inkomstenverklaring over de maand juli 2006 tussen 1 augustus en 5 augustus 2006 te worden ingeleverd.

Bij brief van 11 augustus 2006 is eiser verzocht de inkomstenverklaring over de maand juli 2006 in te leveren, eiser heeft hiervoor een termijn van 5 dagen gekregen. Bij brief van 21 augustus 2006, verzonden op 24 augustus 2006, is eiser een laatste termijn van 5 dagen gegeven voor het indienen van de gevraagde inkomstenverklaring. Eerst op 23 augustus 2006 heeft eiser de gevraagde inkomstenverklaring overgelegd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee niet tijdig heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Zowel in de bezwaarfase als in beroep heeft eiser geen dringende redenen aangevoerd waarom hij niet eerder in staat was de inkomstenverklaring in te leveren. De grief van eiser dat hij op 23 augustus 2006 zijn inkomstenverklaring heeft ingeleverd en daarmee tijdig is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Eiser had deze verklaring uiterlijk 5 augustus 2006 in moeten leveren, hem is tweemaal uitstel verleend, het inleveren van de gevraagde gegevens op 23 augustus 2006 is daarmee niet tijdig.

Onderhavige gedraging is een gedraging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Verordening en leidt in beginsel tot een verlaging van de uitkering met 10%, gedurende één maand. Aangezien de onderhavige gedraging plaatsvond binnen een jaar, gerekend vanaf het moment van oplegging van een eerdere maatregel, heeft verweerder onder toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Verordening de duur van de vorige maatregel verdubbeld, hetgeen bij eiser heeft geleid tot een verlaging van de uitkering met 10% gedurende vier maanden.

Evenals verweerder ter zitting heeft aangegeven, ziet naar het oordeel van de rechtbank de verdubbeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Verordening op een verdubbeling van duur of hoogte van de standaardmaatregel en niet op een verdubbeling van de hoogte of duur van de vorige opgelegde maatregel. Noch het bepaalde hiervoor in artikel 8 van de Verordening noch de toelichting bij de verordening bieden hiervoor aanknopingspunten. In deze komt het er op neer dat verweerder op grond van artikel 8, tweede lid, van de Verordening per 1 september 2006 een maatregel van 10% gedurende twee maanden had moeten opleggen. De per 1 september 2006 opgelegde maatregel gedurende vier maanden kan slechts op grond van artikel 8, derde lid, van de Verordening worden opgelegd, mits wordt gemotiveerd waarom hiertoe wordt overgegaan.

Gelet hierop kan het bestreden besluit evenmin in stand blijven. De rechtbank zal beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd dat deze maatregel voortborduurt op de twee hieraan voorafgaande opgelegde maatregelen. Gelet op het gegeven dat het hier een derde verwijtbare gedraging betreft in een korte tijd is er voor gekozen een zwaardere sanctie op te leggen. Verweerder heeft besloten om de duur van de maatregel te verdubbelen zodat eiser met een korting van 10% gedurende vier maanden met zijn uitkering niet onder de beslagvrije voet komt.

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder gemotiveerd heeft aangegeven waarom gebruik is gemaakt van de in artikel 8, derde lid, van de Verordening neergelegde discretionaire bevoegdheid zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 en 7:12 van Awb.

De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat de gemeente Gouda aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 38,-, vergoedt;

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S. Verheijen en in het openbaar uitgesproken op

3 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier S.V. de Bart-van der Vegte.