Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0660

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-12-2007
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/2338 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bouwvergunning schuine kap op woning, criteria Welstandsnota; advies Welstandscommissie in strijd met Welstandnota. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/2338 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

de erven van wijlen [A.], wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout, verweerder.

Derde partij: [B.], vergunninghouder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 10 mei 2005, ingekomen bij verweerder op 13 mei 2005 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een dakopbouw met kap op zijn woning aan [adres]

Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft verweerder een reguliere niet-gefaseerde bouwvergunning verleend.

Verweerder is naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften met vergunninghouder in overleg getreden in verband met het feit dat met het besluit van 8 augustus 2005 ambtshalve buiten de aanvraag is getreden. Vergunninghouder heeft bij schrijven van 10 januari 2006 aangegeven in te stemmen met het beoordelen van zijn aanvraag als ware het een niet-gefaseerde reguliere bouwaanvraag.

Bij besluit van 18 januari 2006, verzonden op 20 januari 2006, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften, het door wijlen [A.] gemaakte bezwaar tegen het besluit van

8 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 23 februari 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Nadien hebben eisers twee second opinions overgelegd met betrekking tot het welstandsadvies. Als reactie hierop heeft verweerder ter zitting een aanvullend advies van de welstandscommissie overgelegd. Eisers hebben hierop bij brief van 20 oktober 2006 gereageerd.

Bij uitspraak van 21 december 2006 heeft de rechtbank, in de zaak AWB 06/1586 WW44, het besluit van 18 januari 2006 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 27 maart 2007, ingekomen bij de rechtbank op 27 maart 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

De derde partij heeft bij brief van 28 april 2007 op het beroep gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben enige stukken overgelegd.

Het beroep is op 16 november 2007 ter zitting behandeld. Namens eisers is [...] verschenen, bijgestaan door mr. J.J.M. van Lint, advocaat te Sassenheim. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. Verjans. Vergunninghouder is verschenen.

Motivering

Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een dakopbouw met schuine kap op de woning aan de [adres A.]. De dakvoet van de dakopbouw ligt 30 cm terug van de gevel. Op de voor- en de achterzijde van de dakopbouw worden dakkapellen geplaatst. Ter zitting is naar voren gekomen dat de bouwhoogte na het realiseren van het bouwplan 3,43 m zal bedragen. Eiseres [...] woont op

[adres B.]. Beide woningen behoren tot het type twee-onder-een-kapwoning met een gezamenlijk plat dak. In genoemde straat bevinden zich in totaal zeven twee-onder-een-kapwoningen, waarvan de woning van vergunninghouder de eerste woning is waarvoor een bouwvergunning voor een dergelijke dakopbouw is verleend. Op 24 mei 2005 heeft de welstandscommissie een positief advies over het bouwplan uitgebracht. Dit advies heeft de welstandscommissie bij brief van 16 oktober 2006 gemotiveerd, waarbij is gesteld dat door de kap 30 cm naar achteren te plaatsen de kenmerkende dakrand van de woningen gehandhaafd blijft, waardoor de dakopbouw tevens minder nadrukkelijk aanwezig is.

De rechtbank heeft in bovengenoemde uitspraak van 21 december 2006 vastgesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Victor I en II”, dat slechts een maximum aan de goothoogte stelt, derhalve niet aan de nokhoogte, waardoor de bouw van een kap impliciet mogelijk wordt gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de weinig expliciete wijze waarop de bestemmingsplanwetgever aan deze mogelijkheid van een kapconstructie vorm heeft gegeven, bij de beoordeling van een

daartoe strekkend bouwplan, de afmetingen en vormgeving daarvan niet

geheel buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Met name kan daarbij niet iedere betekenis worden ontzegd aan de in de Welstandsnota Noordwijkerhout (hierna: Welstandsnota) neergelegde criteria, die zijn gerelateerd aan de specifieke samenhang van de stedenbouwkundige opzet van de bebouwing waarvan het pand van vergunninghouder deel uitmaakt.

Voorts heeft de rechtbank in haar uitspraak van 21 december 2006 geoordeeld dat verweerder daarom niet kon volstaan met vast te stellen dat het bestemmingsplan een kap mogelijk maakt en dat, nadat de welstandscommissie hierover positief had geadviseerd, er in de Welstandsnota geen redenen zijn gelegen om hier van af te wijken. Daarbij kan niet buiten beschouwing worden gelaten dat de welstandscommissie in een eerder advies het bouwplan voor een kap negatief had beoordeeld met daarbij een op de criteria van de Welstandsnota gebaseerde motivering. Het bouwplan verhoudt zich – hoewel de kap daarin enigszins is teruggeplaatst – immers niet op een significant andere wijze tot de relevante criteria van de Welstandsnota. De rechtbank heeft daarom in haar uitspraak van 21 december 2006 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2006 wegens een ontoereikende motivering vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Naar aanleiding van de uitspraak van 21 december 2006 heeft verweerder het bouwplan opnieuw aan de welstandscommissie voorgelegd. Bij brief van 19 januari 2007 heeft de welstandscommissie haar advies van 24 mei 2005, gemotiveerd op 16 oktober 2006, van een nadere motivering voorzien.

In haar brief van 19 januari 2007 heeft de welstandscommissie gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Blijkens de brief van 19 januari 2007 heeft de welstandscommissie dit aanvullend advies gebaseerd op het welstandsbeleid, zoals vastgelegd in de Welstandsnota, en heeft zij het bouwplan getoetst aan de daarin opgenomen criteria voor dakopbouwen en de gebiedscriteria voor gebied 7 “Rechte Wijken”. De welstandscommissie heeft gesteld, dat gelet op genoemde welstandscriteria, er geen overwegende bezwaren zijn tegen het bouwplan. Hierbij heeft de welstandscommissie in de brief van 19 januari 2007 erop gewezen dat de kap ten opzichte van de voorgevel is teruggelegd en dat het bestaande boeiboord wordt gehandhaafd. Volgens de welstandscommissie wordt hiermee de kap enigszins ondergeschikt gemaakt aan het hoofdvolume en hierop afgestemd, waardoor de onderlinge samenhang in het woonblok wordt gehandhaafd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het aanvullende advies van 19 januari 2007 van de welstandscommissie de verlening van de bouwvergunning gehandhaafd.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge het bepaalde onder d dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

De rechtbank ziet zich in het bijzonder geplaatst voor de beantwoording van de vraag of verweerder het aanvullende advies van 19 januari 2007 van de welstandscommissie aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak onder meer 16 maart 1999, inzake H01.98.1290, gepubliceerd in BR 1999, p.789, heeft overwogen mag het bestuursorgaan, hoewel het niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem rust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een

derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan het niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

De rechtbank onderschrijft de stelling van eisers dat de nadere motivering van 19 januari 2007 van de welstandscommissie, gelet op de bewoordingen hiervan, niet noemenswaardig meer inhoudt dan het advies van 24 mei 2005 waarvoor de welstandscommissie bij brief van 16 oktober 2006 de motivering heeft gegeven en terzake waarvan de rechtbank in haar uitspraak van 21 december 2006 heeft geoordeeld dat dit ontoereikend is. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de nadere motivering van 19 januari 2007 van de welstandscommissie summier is.

De rechtbank onderschrijft eveneens de stelling van eisers dat het bouwplan in strijd is met een aantal criteria van de Welstandsnota. Hierin is onder meer een specifiek en duidelijk omlijnde toetsingskader voor dakopbouwen en dakopbouwen op een plat dak in het onderdeel “ Dakopbouwen” opgenomen.

Zo gelden volgens de van toepassing zijnde gebiedscriteria voor gebied 7 “Rechte Wijken” onder meer voor het aspect “Massa” de criteria dat clusters, rijen en gestapelde woningen een sterke onderlinge samenhang kennen, dat op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen ondergeschikt zijn en vormgeven als toegevoegd element of opgenomen zijn in de hoofdmassa.

Voorts zijn er onder “Dakopbouwen” van de Welstandsnota criteria opgenomen, waaraan dakopbouwen dienen te worden getoetst. Hierin is opgenomen dat als algemene criteria onder meer geldt dat er geen dakkapellen op de dakopbouw mogen worden geplaatst. Tevens gelden voor dakopbouwen op een plat dak specifieke criteria, onder meer dat plaatsing van een dakopbouw op een twee-onder-een-kapwoning niet is toegestaan en dat de totale bouwhoogte van het pand met maximaal 3 m wordt verhoogd.

De rechtbank heeft moeten vaststellen dat de welstandscommissie geen acht heeft geslagen op bovengenoemde criteria van de Welstandsnota. Deze criteria zijn van toepassing gegeven het feit dat het bouwplan voorziet in het plaatsen van een dakopbouw, waarbij op een twee-onder-een-kapwoning met een gezamenlijk plat dak aan de voor- en achterzijde dakkapellen worden geplaatst, waardoor de totale bouwhoogte van het pand met meer dan 3 m wordt verhoogd. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting beaamd dat de welstandscommissie niet met inachtneming van bedoelde criteria een advies heeft uitgebracht zodat het advies derhalve inhoudelijk in strijd is met de Welstandsnota.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het advies, zoals door de welstandscommissie op 24 mei 2005, gemotiveerd op 16 oktober 2006 en aangevuld op 19 januari 2007, is gegeven, niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Verweerder was derhalve gehouden te motiveren waarom hij dit advies niettemin aan het bestreden besluit ten grondslag kan leggen.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een bezwaarschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend (€ 322,- per punt).

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Noordwijkerhout aan eisers het betaalde griffierecht, te weten € 143,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag de gemeente Noordwijkerhout aan eisers dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Lo-A-Njoe.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage,

Verzonden op: