Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0558

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/6 WW44 en 06/157 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaren tegen bouwvergunning. Het in geding zijnde project betreft de bouw van een complex met detailhandel, appartementen, ondergronds parkeren en de aanleg van een expeditiestraat. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nrs. AWB 06/6 WW44 en 06/157 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

1. [eiser sub 1] en

2. [eisers sub 2],

allen wonende te [plaats], hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van Westland, verweerder

Derde partij: [A] Vastgoed B.V., gevestigd te [plaats], vergunninghoudster

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft verweerder vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage, winkels en 35 appartementen op het perceel plaatselijk bekend [adres] te De Lier, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Bij besluit van 22 november 2005 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften Westland, de hiertegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser [eiser sub 1] (hierna: eiser sub 1) heeft tegen dit besluit bij brief van 29 december 2005, ingekomen bij de rechtbank op 30 december 2005, beroep ingesteld.

Eisers [eisers sub 2] (hierna: eisers sub 2) hebben bij brief van 5 januari 2006, ingekomen 6 januari 2006, beroep ingesteld. Eisers sub 2 hebben nadien de beroepsgronden ingezonden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft bij brief van 17 augustus 2006 haar zienswijze op de beroepen gegeven.

De beroepen zijn gevoegd en op 29 maart 2007 ter zitting behandeld.

Eiser sub 1 is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. drs. B.P.J.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk.

Voor eisers sub 2 is verschenen [eiser sub 2], bijgestaan door mr. R.M.van Opstal, advocaat te Delft.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [...], [...], ir. [...], ing. [...] en drs. [...].

Namens vergunninghoudster zijn verschenen [...],

[...] en [...], bijgestaan door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft in raadkamer besloten tot heropening van het onderzoek en daarbij bepaald dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) als deskundige wordt benoemd om te adviseren omtrent de vraag of wordt voldaan aan de normen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005.

De StAB heeft op 2 juli 2007 haar rapport aan de rechtbank gezonden. Het rapport is aan partijen toegezonden voor commentaar, doch er zijn geen inhoudelijke reacties gegeven.

Nadat alle partijen daarvoor toestemming hadden gegeven heeft de rechtbank bepaald dat hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Motivering

Het in geding zijnde project betreft de bouw van een complex met detailhandel, appartementen, ondergronds parkeren en de aanleg van een expeditiestraat, op een locatie in het centrumgebied van De Lier.

Eiser sub 1 heeft een detailhandel in modeartikelen aan de [...straat], nabij het bouwplan. Na de uitvoering van het bouwplan zal het aan de achterzijde van zijn winkel gelegen magazijn aan de nieuwe expeditiestraat komen te liggen. Boven dit magazijn is de woning met dakterras van eiser sub 1 gelegen. Hij vreest overlast van de nieuwbouw, met name in de vorm van verlies van uitzicht, privacy en vermindering van lichtinval en bezonning. Naar zijn mening past het bouwplan, dat voorziet in vijf bouwlagen, niet in het dorpse karakter van De Lier vanwege de sterk van de aanwezige bebouwing afwijkende afmetingen. Voorts vreest deze eiser dat het gebruik van expeditiestraat leidt tot gevaarlijke situaties, geluidsoverlast en stankoverlast van (vracht)verkeer. Deze eiser stelt bovendien dat verweerder geen gebruik mocht maken van de zogenoemde bijzondere verklaring van geen bezwaar, omdat die verklaring slechts betrekking heeft op kleinschalige winkels.

Eisers sub 2 stellen dat hun hoofdbezwaar is gelegen in onvoldoende onderzoek naar de gevolgen voor de belasting van het milieu, met name door geluid- en trillingshinder en stank- en verkeersoverlast, ook gezien de nabijheid van de Rijksweg N223. De woningen aan [...], die als geluidscherm voor het verkeer op genoemde weg dienen, zijn niet bij de vaststelling van de geluidgrenswaarden voor de nieuwbouw betrokken. Ook is niet door onderzoek vastgesteld of wordt voldaan aan het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Zij maken ook bezwaar tegen de omvang van het bouwplan, waardoor zij hun uitzicht op de karakteristieke kerktoren van De Lier verliezen. Zij stellen dat het advies van de Welstandscommissie niet volledig beschikbaar is gesteld en dat het onvoldoende onderbouwd is, nu het indruist tegen de welstandsnota.Voorts stellen zij dat niet duidelijk is of de expeditiestraat al dan niet een doorgaande weg wordt, hetgeen van belang is voor de verkeersdruk op [...], thans een 30 km/u zone.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten (GS), in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van GS dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'De Lier Dorp Zuid'. Het betrokken perceel heeft de bestemmingen 'Maatschappelijke doeleinden (M4 60%)', 'Verblijfsdoeleinden' en 'Tuin'. Het bouwplan is daarmee in strijd en betekent, gezien de bouwhoogte en de massaliteit daarvan, alsmede de uitbreiding van de functie detailhandel, een aanzienlijke planologische inbreuk.

Om de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ten tijde van het primaire besluit was de lijst van gevallen als bedoeld in deze bepaling neergelegd in de nota 'Regels voor Ruimte' van 8 maart 2005, die met ingang van 15 maart 2005 in werking is getreden. Deze nota houdt

voor zover hier relevant - in dat een bijzondere verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor het oprichten van winkels, bedrijvigheid en kantoren en de daarbij behorende voorzieningen in het stedelijk gebied. Onder stedelijk gebied wordt verstaan het in het streekplan aangegeven stads- en dorpsgebied, voorzover gesitueerd binnen de maximale bebouwingscontouren. Het betoog van eiser sub 1 dat de verklaring van geen bezwaar slechts voor kleinschalige winkels is gegeven volgt de rechtbank niet, aangezien een dergelijke beperking niet door GS is gesteld.

Bovengenoemde lijst van gevallen is bij circulaire van 13 december 2005 door GS herzien. Met ingang van 1 januari 2006 is het beleid ten aanzien van specifieke en bijzondere verklaringen van geen bezwaar neergelegd in de notitie 'Beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 19, lid 2, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening'.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 5 juli 2006, nr. 200506721/1, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2006, nr. 200506294/1, ambtshalve geoordeeld dat GS de lijst als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover deze werd toegepast in 2005, niet op de voorgeschreven wijze hebben gepubliceerd (LJN: AY0377). De Afdeling heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het betreffende college van burgemeester en wethouders niet bevoegd was een vrijstellingsbesluit met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO te nemen.

Op 7 juli 2006 heeft GS aan de gemeentebesturen van Zuid-Holland een brief gestuurd, waaruit de rechtbank afleidt dat ook de lijsten van 8 maart 2005 en 13 december 2005 ten onrechte niet zijn gepubliceerd in het Provinciaal blad. Dit kan tot geen ander oordeel leiden dan dat aan deze lijsten ten tijde van het bestreden besluit geen verbindende kracht toekwam, zodat verweerder niet bevoegd was het vrijstellingsbesluit met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO te nemen.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit waarbij dit vrijstellingsbesluit is gehandhaafd, wordt daarom vernietigd.

Nu publicatie van de lijst alsnog op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank, in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2006 (AB 2006, 336) dat moet worden bezien of aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de ruimtelijke onderbouwing vindt het project zijn basis in de Structuurvisie Centrum, die in 2002 door de gemeenteraad van De Lier is vastgesteld. In de Structuurvisie is een aantal modellen opgenomen voor de herinrichting van het [...] en omgeving. In het gekozen model wordt uitgegaan van onder meer een bundeling van detailhandel in het centrum en uitbreiding van het totale brutovloeroppervlak voor dagelijkse goederen, ontwikkeling van woningbouw en een gezondheidscentrum en vergroting van de parkeercapaciteit. Bevoorrading van de detailhandel dient plaats te vinden via een nieuw te realiseren expeditiestraat. Dit model is nader uitgewerkt in het Centrumplan 2003, onder meer ten aanzien van de stedenbouwkundige voorwaarden. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een relatie gelegd met het Rijksbeleid en het provinciale beleid. Geconcludeerd wordt dat in aansluiting op het beleid van de hogere overheden met het project wordt voorzien in een concentratie van voorzieningen, waarbij door meervoudig ruimtegebruik een intensivering van de bebouwing binnen het bestaande stedelijk gebied wordt bereikt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten van het project in de ruimtelijke onderbouwing toereikend gemotiveerd. Het project heeft, vooral door de omvang en bouwhoogte, een zekere stedelijke allure. Het gaat hier om een planologische keuze die in de aan het project ten grondslag liggende beleidsstukken wordt onderbouwd. Gezien de ruime discretionaire bevoegdheid die het gemeentebestuur toekomt kan niet worden gezegd dat deze keuze niet in redelijkheid kon worden gemaakt. Deze keuze leidt er onvermijdelijk toe dat het uitzicht voor omwonenden verandert en wordt beperkt. In het algemeen kunnen dergelijke gevolgen in een bebouwde omgeving niet onaanvaardbaar worden geacht. De rechtbank acht in verband hiermee de bezwaren betreffende de omvang en bouwhoogte van het bouwplan en de afwijking ten opzichte van de aanwezige bebouwing, die volgens eisers een meer dorps karakter draagt, ongegrond.

Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt voorts dat onderzoek is gedaan naar de effecten van het bouwplan op de omgeving. Voorts is in het kader van de Wet Geluidhinder onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van het wegverkeer van de provinciale weg N223 op de gevels van de nieuwbouw. Naar aanleiding daarvan heeft GS een hogere grenswaarde vastgesteld. Aangezien aan de bestaande woningen, zoals aan [...], niets wijzigt zijn deze buiten de beoordeling en de vaststelling van de grenswaarde gebleven. Dit volgt uit de opzet van de Wet Geluidhinder, zodat het bezwaar hiertegen van eisers sub 2 geen doel treft. Daarnaast is er geen grond om aan te nemen dat de nieuwbouw een negatief effect heeft op de geluidsbelasting van de woningen aan [...].

Deze eisers hebben echter terecht naar voren gebracht dat onvoldoende is onderzocht of wordt voldaan aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit 2005. In de ruimtelijke onderbouwing is, onder verwijzing naar het Besluit luchtkwaliteit 2001 en de handreiking Luchtkwaliteit en Ruimtelijke Ordening van de provincie Zuid-Holland, gesteld dat zonder berekeningen kan worden geconcludeerd dat luchtkwaliteit geen belemmering oplevert. Ten tijde van het bestreden besluit gold evenwel het Besluit luchtkwaliteit 2005 en op grond van artikel 7 van dat Besluit was verweerder gehouden te onderzoeken of de grenswaarden in acht kunnen worden genomen. Verweerder mocht niet zonder meer aannemen dat geen onderzoek naar luchtkwaliteit nodig was. Het bestreden besluit vertoont op dit punt dan ook een gebrek.

De rechtbank heeft, omwille van de proceseconomie, de StAB als deskundige benoemd met het verzoek te adviseren omtrent de vraag of wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. In haar rapport van 2 juli 2007 meldt de StAB dat in de huidige situatie geen overschrijdingen van de normen plaatsvinden als de geprojecteerde situatie - het bouwplan - wordt uitgevoerd. Ook voor de toekomstige situatie blijkt aan de grenswaarden te kunnen worden voldaan.

Gelet op deze conclusie van de deskundige, die door eisers niet is betwist, is de rechtbank van oordeel dat het hierboven gesignaleerde gebrek geen aanleiding behoeft te zijn de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand te laten.

Zodanige aanleiding vindt de rechtbank evenmin in de overige door eisers aangevoerde bezwaren.

Naar aanleiding van hetgeen eiser sub 1 naar voren heeft gebracht over de effecten van het bouwplan op zijn woning, namelijk verlies van uitzicht, privacy, bezonning en lichtinval wordt overwogen dat, gezien de afstand van meer dan 20 meter tussen de woning van eiser en de nieuwbouw, niet kan worden gesproken van een ontoelaatbaar verlies van uitzicht en privacy. Blijkens de alsnog door verweerder gemaakte bezonningstekening zal er inderdaad sprake zijn van verlies aan zon-uren in het vroege voorjaar, het late najaar en de winter. Ook hier kan niet worden gezegd dat de gevolgen van het bouwplan voor deze eiser redelijkerwijs onaanvaardbaar zijn.

Ten aanzien van de bezwaren tegen de expeditiestraat overweegt de rechtbank dat deze, zoals uit de benaming al blijkt, in de eerste plaats bedoeld is voor bevoorradend (vracht)verkeer en derhalve niet voor ander, doorgaand verkeer. De straat wordt voldoende breed uitgevoerd om twee vrachtauto's elkaar te laten passeren. Verweerder heeft aangekondigd dat de expeditiestraat een 30-km zone zal worden en dat één-richtingsverkeer zal worden ingesteld. De rechtbank acht het, met verweerder, aannemelijk dat de expeditiestraat niet zeer intensief zal worden gebruikt. Eiser baseert zijn vrees voor gevaarlijke situaties en overlast op subjectieve verwachtingen, niet op concrete feiten. De rechtbank acht deze bezwaren dan ook ongegrond.

De rechtbank heeft, gelet op een en ander, geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, de vrijstelling voor het bouwplan niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Eisers sub 2 hebben nog kanttekeningen geplaatst bij het advies van de Welstandscommissie. Zij achten het advies onvoldoende onderbouwd omdat niet is getoetst aan de criteria van de welstandsnota 'Dicht Lint', die op dit gedeelte van De Lier van toepassing is.

Verweerder heeft hierover naar voren gebracht dat de Welstandscommissie bij haar oordeel rekening heeft gehouden met de hierboven al genoemde Structuurvisie Centrum, waarin de stedenbouwkundige visie op deze locatie is vervat en de uitwerking daarvan in het Centrumplan 2003. Mede gelet op hetgeen in het verweerschrift verder nog is gesteld over de welstandsnota is de rechtbank van oordeel dat verweerder het positieve advies van de Welstandscommissie zonder nadere motivering mocht overnemen.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand dienen te worden gelaten. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, dat immers srtekt tot het handhaven van de vrijstelling en bouwvergunning, in stand blijven.

Aangezien de beroepen gegrond worden verklaard zal verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten worden veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punt(en) worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het besluit van 22 november 2005;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat de gemeente Westland aan eiser sub 1 en aan eisers sub 2 het betaalde griffierecht, te weten in beide gevallen € 138,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, voor zowel eiser sub 1 als voor eisers sub 2 tot een bedrag van € 644,-, welk bedragen de gemeente Westland aan eisers moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat, mr. M. Munsterman en mr. J.L.W. Aerts in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.