Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0018

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/548 WOW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot verlening van een bouwvergunning voor het oprichten van een duiventil achter de bovenwoning van eiser niet ingewilligd.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de grond dat de duiventil in ieder geval gedeeltelijk is gebouwd boven grond met de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’ zodat de duiventil in strijd met het bestemmingsplan is opgericht.

De rechtbank heeft, gezien de door verweerder gebezigde argumenten, geen grond gezien voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen de verzochte vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/548 WOW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Derde partij: [belanghebbende], belanghebbende.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een bouwvergunning voor het oprichten van een duiventil achter de bovenwoning [adres nr 1] te [plaats] niet ingewilligd. Bij besluit van 12 december 2006 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften 12 oktober 2006, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 januari 2007, ingekomen bij de rechtbank op 19 januari 2007, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. De derde partij heeft bij brief van 5 april 2007 zijn zienswijze op het beroep gegeven. Het beroep is op 3 oktober 2007 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [A.]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [B.]. De derde partij is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [C.].

Motivering

Eiser is in het bezit van twee duiventillen. De eerste is geplaatst in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, is gebouwd in dezelfde lengterichting als de woning van eiser en bevindt zich voor het grootste deel op het perceel van eiser. Eiser heeft een tweede, kleinere, duiventil opgericht. De onderliggende aanvraag voor een bouwvergunning ziet op deze tweede duiventil en beoogt de legalisering daarvan. Eiser heeft gesteld dat hij deze tweede duiventil al in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft opgericht. Nadien heeft eiser daaraan enkele aanpassingen verricht. De afmetingen van deze duiventil bedragen ongeveer 2,44 meter lang, 2,44 meter breed en 2,40 hoog. De duiventil is gebouwd achter het perceel van de derde partij, [adres nr 2].

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de grond dat de duiventil in ieder geval gedeeltelijk is gebouwd boven grond met de bestemming 'bedrijfsdoeleinden' zodat de duiventil in strijd met het bestemmingsplan is opgericht. Verweerder heeft geen grond gezien voor het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan. Tevens heeft verweerder aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de duiventil strijdig is met het gemeentelijk welstandsbeleid met betrekking tot duivenhokken.

Eiser heeft zich tegen het bestreden besluit gekeerd aanvoerende dat geen vergunning vereist is voor het oprichten van de onderhavige duiventil, dat de duiventil al was opgericht voordat het thans geldende bestemmingsplan in werking trad en dat hij er op mocht vertrouwen dat de duiventil rechtmatig was opgericht.

De rechtbank is allereerst van oordeel geen sprake is van een vergunningsvrij bouwwerk, aangezien de duiventil niet voldoet aan de in artikel 2 dan wel artikel 3 van het Besluit Bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunning-plichtige Bouwwerken (Besluit van 13 juli 2002, Stb. 410) genoemde kenmerken.

De rechtbank overweegt voorts dat in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid en onder c, van de Wow dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan '[bestemmingsplan]'. Dit bestemmingsplan, vastgesteld bij Raadsbesluit van 28 september 1981, is in 1983 in werking getreden. De omstreden duiventil bevindt zich op het dak van de eerste verdieping van een bedrijfspand van garagebedrijf [X]. Op het perceel waarop het bedrijfspand staat rust, gelet op de bij het bestemmingsplan behorende kaart, de bestemming ' Bedrijfsdoeleinden'. In artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat de gronden, welke blijkens de kaart als zodanig zijn aangewezen, zijn bestemd voor doeleinden van nijverheid (industrie en ambacht) en handel, detailhandel en aanverwante dienstverlening uitgezonderd, met de in deze bestemming passende gebouwen, met inbegrip van dienstwoningen, andere bouwwerken, erven, tuinen, en parkeergelegenheden en overige bijbehorende voorzieningen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de omstreden duiventil in strijd met het bepaalde in artikel 10 van de planvoorschriften is gebouwd, nu deze niet is bestemd voor een van de bovenvermelde doeleinden.

Verweerder was daarom verplicht de gevraagde bouwvergunning op grond van artikel 44, eerste lid, onder c, van de Wow te weigeren.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Wow wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Vast staat dat op grond van de planvoorschriften van het bestemmingsplan een binnenplanse vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO voor de omstreden duiventil niet mogelijk is. Ook is geen sprake van een bouwplan waarvoor vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 17 of 19, derde lid, van de WRO.

Op grond van artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO heeft verweerder de bevoegdheid (wat betreft het eerste lid eerst na delegatie door de gemeenteraad) om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Verweerder is echter niet bereid om van zijn vrijstellingsbevoegdheid gebruik te maken.

Verweerder heeft bij zijn afweging in aanmerking genomen dat verlening van de gevraagde vergunning zou betekenen dat op gronden met bestemming bedrijfsdoeleinden gebouwen worden geplaatst die dienstig zijn aan de woonfunctie alsmede dat de verlening een precedentwerking zou kunnen hebben. Verweerder heeft hierbij voorts de belangen van derden betrokken die zich tegen de duiventil verzetten omdat zij daarvan hinder ondervinden. Tot slot heeft verweerder er hierbij acht op geslagen dat de duiventil zich deels bevindt op dan wel boven een perceel dat niet behoort bij het perceel, ten dienste waarvan het duivenhok is gebouwd.

De rechtbank heeft, gezien de door verweerder gebezigde argumenten, geen grond gezien voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen de verzochte vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Wat betreft de door derden ondervonden hinder van de duiventil, acht de rechtbank nog van belang dat de duiventil direct grenst aan de achterzijde van de woning van de derde belanghebbende. De derde partij heeft ter zitting nog aangevoerd, hetgeen niet door eiser is weersproken, hinder te ondervinden als gevolg van geluidsoverlast alsook hinder door de verlichting in het duivenhok tijdens de nachtelijke uren. Het door eiser ingebrachte schrijven van 19 september 2007 inhoudende een verklaring van zowel de vorige eigenaar van garage [X] dat hij in 1988 toestemming heeft verleend voor het bouwen van de duiventil als de huidige eigenaar dat hij tegen de duiventil geen bezwaar heeft, kan eiser niet baten nu het niets afdoet aan de gestelde hinder.

Binnen het toetsingskader van artikel 44 van de Wow is, gelet op het limitatief-imperatieve karakter van dit artikel, vervolgens geen ruimte voor het maken van een belangenafweging. Verweerder was derhalve reeds hierom verplicht de aangevraagde bouwvergunning wegens strijd met artikel 44, eerste lid, onder c, van de Wow te weigeren.

Het beroep van eiser op de in artikel 46 van de planvoorschriften genoemde overgangsbepaling kan niet slagen. De onderhavige duiventil is gerealiseerd in de jaren negentig van de vorige eeuw, derhalve (ruim) na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan '[bestemmingsplan]'.

Gelet op het limitatief-imperatieve karakter van artikel 44 van de Wow als bovenvermeld, behoeft de tweede door verweerder gehanteerde weigeringsgrond inzake de strijdigheid van de duiventil met het welstandsbeleid geen bespreking, nog daargelaten dat eiser daaromtrent in beroep niets heeft aangevoerd.

De rechtbank verwerpt tenslotte eisers beroep op het vertrouwensbeginsel. Het enkele feit dat de duiventil reeds jaren geleden is opgericht brengt niet met zich dat verweerder gehouden zou zijn de bouwvergunning in strijd met het bepaalde in artikel 44 Wow te verlenen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er verweerder bindende concrete en ondubbelzinninge uitlatingen zijn gedaan dat de duiventil is toegestaan.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.P. Jadoenathmisier