Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9847

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
07-80433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkneemster in de gehandicaptenzorg vanwege ontoelaatbare opmerkingen die de werkneemster zou maken over haar collega’s en leidinggevenden. De werkgever overlegt hiertoe een aantal ondertekende verklaringen van collega’s en leidinggevenden en een aantal anonieme verklaringen. De werkneemster erkent van een enkele uitlating dat zij deze heeft gedaan, maar betwist de meeste van de aan haar toegeschreven opmerkingen. Zij legt een verklaring over van een collega die met haar samenwerkte tijdens de nachtdienst waarin zij volgens de werkgever bepaalde opmerkingen gemaakt zou hebben. Deze collega geeft aan de opmerkingen niet te hebben gehoord. Verder overlegt de werkneemster een steunbetuiging van 11 van haar 30 collega’s. De kantonrechter gaat voorbij aan de anonieme verklaringen. De werkneemster kan zich daartegen naar het oordeel van de rechter niet adequaat verdedigen. De ontbinding wordt afgewezen. De werkgever mag de werkneemster echter wel overplaatsen, de werkneemster moet meewerken aan een beoordeling van/reflectie op haar eigen gedrag en zij moet zich als een gewaarschuwd mens zien.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/79
AR-Updates.nl 2008-0274
JAR 2008, 79

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Delft

PKN

rep.nr. 07-80433

12 april 2007

Beschikking in de zaak van:

de stichting Stichting [de stichting],

gevestigde en kantoorhoudende te [Q],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M. Oosterom,

tegen

[verweerster],

wonende te Rotterdam,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp.

Partijen worden hierna aangeduid als [de stichting] en [verweerster]

Procedure

- verzoekschrift ter griffie ingekomen op 14 februari 2007;

- verweerschrift;

- brieven van beide gemachtigden met de mededeling dat zich geen opzegverbod voordoet;

- brieven van gemachtigde van [de stichting] van 20 en 21 maart 2007 met bijlagen;

- mondelinge behandeling van 22 maart 2007.

1. Feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de navolgende feiten.

1.1 [Verweerster], geboren [geboortedatum] 1964, is sedert 27 april 1990 in dienst van (de rechtsvoorganger van) [de stichting], laatstelijk in de functie van locatiewacht ( 126 uur per maand) tegen een salaris van € 2.098,43 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van 4,45% (ex artikel 4.6 van de van toepassing zijnde CAO Gehandicaptenzorg) en een onregelmatigheidstoeslag.

1.2 In een functioneringsgesprek van 17 december 2004 wordt aangegeven dat [verweerster] zich goed heeft aangepast aan de veranderende situatie.

1.3 Op 28 september 2005 heeft [de stichting] met [verweerster] een gesprek gevoerd over de uitbetaling van overuren. In dat gesprek is [verweerster] aangesproken op haar negatieve houding. [Verweerster] is het daar niet mee eens. Zij vindt dat zij kritisch is en niet negatief.

1.4 De negatieve/kritische houding van [verweerster] is ook onderwerp van het functioneringsgesprek op 18 februari 2006; aangegeven wordt dat dit gedrag afbreuk doet aan de rest van het functioneren: er is een groot contrast tussen de gedrevenheid waarmee ze haar werk uitvoert en de gedrevenheid die ze laat zien in de communicatie. Afgesproken wordt dat [verweerster] voortaan feedback zal vragen aan collega's.

1.5 Op 28 augustus 2006 vindt er een gesprek plaats tussen [verweerster] en onder meer haar leidinggevende, [leidinggevende]. In dat gesprek ontvangt [verweerster] een officiële waarschuwing omdat zij op 17 augustus 2006 heeft gezegd dat er met twee maten gemeten wordt als iemand die pijn heeft aan zijn knie wel moet komen werken en iemand van wie de "baarvader" verwijderd is, niet op knopjes hoeft te komen drukken en in de baas zijn tijd op vakantie mag. [Verweerster] geeft aan de waarschuwing een vorm van machtsmisbruik te vinden en er geen waarde aan te hechten. [Leidinggevende] geeft aan dat er bij een volgende waarschuwing zelfs kan worden overgegaan tot ontslag. [Verweerster] wordt gevraagd of zij geholpen kan worden met het werken aan haar attitude. [Verweerster] vindt dat niet nodig.

1.6 Voornoemde waarschuwing is schriftelijk bevestigd op 31 augustus 2006.

1.7 Op 27 november 2006 vindt een gesprek tussen [verweerster] en [de stichting] plaats naar aanleiding van uitspraken die door [verweerster] zouden zijn gedaan:

" al mijn collega's zijn verraders".

" een blonde Hitler met tieten".

" een blonde NSB'er".

1.8 In het gesprek erkent [verweerster] de eerste uitspraak gedaan te hebben. In de loop van het gesprek herinnert [verweerster] zich over een blonde Hitler met tieten te hebben gesproken, maar zulks naar aanleiding van een televisie-serie waarin dat werd gezegd. In het gesprek geeft [leidinggevende] aan dat indien was gebleken dat [verweerster] betrokken was bij uitspraak 2 en 3, zij per onmiddellijk op non-actief zou zijn gezet. Het gesprek wordt afgesloten met de conclusie dat het hier nu bij wordt gelaten maar dat er mogelijk een volgend gesprek komt.

1.9 Op 4 december 2006 vindt weer een gesprek plaats. [Verweerster] zou in het bijzijn van collega's gezegd hebben "wie weet hoe ik lollies kan vergiftigen, één daarvan is dan voor [A] ( kantonrechter: het locatiehoofd) bedoeld"., " als [leidinggevende] voor mijn voeten dood neervalt stap ik er zo over heen, ik geef haar zelfs een trap na" en "[leidinggevende] zit alleen maar bij [voorzitter] (voorzitter Raad van Bestuur) op schoot met haar lage decolleté". [Verweerster] ontkent de uitspraken. [Verweerster] wordt op non- actief gesteld, de toegang tot [de stichting] wordt haar ontzegd en ze mag geen kontakt meer met collega's hebben. [Verweerster] wordt medegedeeld dat er onderzoek gedaan wordt naar de uitspraken, die door [verweerster] zouden zijn gedaan en er aangifte gedaan zal worden.

1.10 Die aangifte is op 27 november 2006 door [A] gedaan. In die verklaring zegt zij ( het proces-verbaal gaat er - naar de kantonrechter begrijpt ten onrechte - van uit dat [A] een man betreft) dat ze tot 27 november 2006 met [verweerster] nog geen enkel probleem aangaande het werk of anderszins had, maar dat [verweerster] toen tegen meerdere collega's gezegd heeft dat zij haar zou vergiftigen. [A] heeft daaraan toegevoegd "ik kan u zeggen dat ik [verweerster] ([verweerster]) genoeg ken om te zeggen dat zij dit zeker niet als grap bedoeld heeft en ik acht haar in staat om dingen te ondernemen die zij daadwerkelijk eerder heeft geuit zoals die bedreiging met vergiftiging". De dagen er na heeft [A] nog met [verweerster] samengewerkt.

1.11 Bij brief van 8 december 2006 maakt [verweerster] bezwaar tegen de op non-actief stelling.

1.12 Bij brief van 21 december 2006 is de op non-actief stelling verlengd.

1.13 In een verklaring van 10 januari 2007 zegt [B], werkende in het nachtteam, dat hij zijn collega [verweerster] op verschillende tijdstippen in het laatste halfjaar van 2006, tijdens het werk en op locatie heeft horen zeggen dat alle collega's verraders zijn en dat als die ([leidinggevende]) dood voor haar neer valt, ze er gewoon overheen stapt. Voorts dat hij heeft geklaagd over het negatieve gedrag van collega [verweerster]: het niet willen samenwerken, het op alles en iedereen kritiek hebben, zich onttrekken aan de groep en geen positieve bijdrage te willen leveren aan de veranderingen in de organisatie.

1.14 [A] heeft verklaard dat zij van een medewerkster die anoniem wenst te blijven heeft gehoord over het haar vergiftigen met een lollie en het door [verweerster] aangeduid worden met " die Westlandse geile teef."

1.15 Elf ( van de dertig) collega's van [verweerster] hebben een verklaring ondertekend gedateerd 7 maart 2007 waarin staat dat [verweerster] gewaardeerd wordt en een zeer ervaren lid van het team en daardoor onmisbaar is. Voorts dat het bekend is dat [verweerster] wat ongenuanceerd en overrompelend kan overkomen, maar dat zij altijd eerlijk en oprecht is en zeker niet beledigend in kwaadaardige zin.

1.16 Bij brief van 15 januari 2007 deelt [de stichting] [verweerster] mede dat de uit het onderzoek gebleken feiten in samenhang met hetgeen in functioneringsgesprekken aan de orde is geweest en de officiële waarschuwing van 31 augustus 2006 maken dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden gevraagd.

1.17 Bij brief van 2 februari 2007 geeft de gemachtigde van [verweerster] aan dat er bij [de stichting] veel meer aan de hand lijkt en het niet juist is alles op betrokkene af te wentelen.

2. Verzoek

[De stichting] verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op grond van een dringende reden en subsidiair op grond van veranderingen in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding en met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure. Zij voert daartoe het navolgende aan.

2.1 Het gedrag van [verweerster] rechtvaardigt ontbinding wegens een dringende reden. De (anonieme) verklaringen en aangifte alsmede het onderzoek van [de stichting] spreken voor zich. Er is geen sprake van een enkele "slip of the tongue" van [verweerster], maar er komt een beeld naar voren van een medewerkster die zich structureel en categorisch zeer negatief uitlaat over collega's en leidinggevenden en dan met name over collega's en leidinggevenden die het niet eens zijn met [verweerster]. [Verweerster] bedient zich daarbij van grensoverschrijdend taalgebruik en spreekt zelfs doodsbedreigingen uit. Het woordgebruik, de houding en het gedrag van [verweerster] zijn dusdanig overrompelend en intimiderend dat collega's zelfs bang voor haar zijn (geworden). Dergelijk gedrag is onacceptabel en wordt door [de stichting] dan ook niet getolereerd.

2.2 Indien de kantonrechter onverhoopt van oordeel mocht zijn, dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden een brug te ver is, verzoekt [de stichting] ontbinding wegens verandering van omstandigheden. [Verweerster] heeft de thans ontstane situatie volledig aan zichzelf te wijten en gezien de onrust die haar gedrag teweeg heeft gebracht en nog teweegbrengt, is voortzetting van de arbeidsovereenkomst of herstel van de verhoudingen niet meer mogelijk. Bij een eventuele ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering van omstandigheden behoort geen vergoeding te worden toegekend.

2.3 Ter toelichting op voorgaande conclusies verwijst [de stichting] naar de onder 1. vastgestelde feiten, alsmede het navolgende.

2.4 Er is een anonieme verklaring van 4 januari 2007 van een Flexpool medewerkster inhoudende dat zij [verweerster] tijdens de nachtdienst heeft horen zeggen "ik zal gif in een lolly doen en die geven we aan [A], dan zijn we daar ook weer vanaf" en " als [leidinggevende] dood voor me neer valt, krijgt zij nog een trap in haar darmen na."

2.5 Voorts zou [verweerster] blijkens een anonieme verklaring ( [de stichting] weet wie de verklaring heeft afgelegd, maar heeft geheimhouding beloofd) nog de navolgende uitspraken hebben gedaan:

- [C] is een stomme koe,

- [A] is een blonde snol met dikke tieten,

- [leidinggevende] en [C] zijn niet competent en te dom om uit hun ogen te kijken,

- [leidinggevende] kleedt zich te sexy om zo de mannen bij [de stichting] te verleiden omdat zij thuis te kort komt,

- Zij zou de inspectie op [C] gaan afsturen omdat deze niet zou weten waarmee zij op verpleegkundig gebied bezig is."

[Verweerster] dreigde voorts met het uitdelen van vergiftigd snoepgoed en het saboteren van auto's en een motie van wantrouwen in te dienen tegen [leidinggevende].

2.6. [Verweerster] haalde op een intimerende wijze onmiddellijk verhaal bij personen van wie bekend was dat zij hun medewerking hadden verleend aan het onderzoek bij [de stichting].

3. Verweer

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een vergoeding aan [verweerster] ten bedrage van € 53.559,39 bruto.

3.1. [De stichting] geeft een onjuiste voorstelling van zaken aangaande haar functioneren en de gesprekken die hier over zouden hebben plaatsgevonden.

3.2. Binnen [de stichting] heeft zich in het verleden een veranderingsproces afgespeeld. [Verweerster] is in deze periode de stabiele factor geweest en heeft vele complimenten gehad van [leidinggevende].

3.3. Het gesprek van 28 september 2005 vond plaats in verband met de niet-uitbetaling van overuren.

3.4. De "handreiking" van [de stichting] in het gesprek van 18 februari 2006 om feedback bij collega's te vragen, heeft [verweerster] opgepakt.

3.5. [Verweerster] betwist dat zij zich op harde en op onheuse wijze over haar collega's heeft uitgelaten. In augustus 2006 was het nachthoofd afwezig in verband met ziekte. Bij een ziekmelding zei dit nachthoofd zo goed als altijd dat je - ook als je ziek bent - toch knopjes kan komen drukken. In dit licht dient de uitspraak van [verweerster] te worden gezien. Aan de uitspraak van [verweerster] wordt een te groot gewicht toegekend. Het was een ongelukkige uitspraak die zij niet zal herhalen. [Verweerster] legt een verklaring van haar collega [D] over; die collega had met [verweerster] dienst in de nacht van 27 op 28 november 2006, waarin [verweerster] de uitspraken over de vergiftiging van lollies, een blonde Hitler met tieten, het dood neervallen van [leidinggevende] en het decolleté van [leidinggevende] zou hebben gedaan. Die collega verklaart dat zij [verweerster] geen van deze uitspraken heeft horen doen.

[Verweerster] heeft geen dreigende uitlatingen gedaan. Zij heeft niemand bedreigd. Zij heeft niet gesproken over het gaan vergiftigen van snoepgoed en saboteren van auto's. Zij is niet bezig geweest met het opzetten van collega's tegen de leidinggevende van het nachtteam. Eenmaal heeft zij naar aanleiding van een voorval vraagtekens geplaatst bij het optreden van [C]. Zulks omdat [C] tijdens een nachtdienst weigerde om een huisarts op te roepen ondanks haar verzoek. In het proces-verbaal van aangifte staat dat [A] tot 27 november 2006 met haar geen enkel probleem had. [A] is overigens thans niet meer werkzaam bij [de stichting]. [Verweerster] betwist de juistheid van hetgeen door [B] gesteld wordt. [Verweerster] legt de onder 1.15 genoemde verklaring over.

De conclusie is dan ook dat er geen reden is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [Verweerster] verzoekt het verzoek af te wijzen. Indien toch wordt ontbonden wordt een vergoeding verzocht gebaseerd op 18 gewogen dienstjaren x salaris + vakantiegeld + 0.0445 % ( eindejaarsuitkering op grond van artikel $: 6 CAO Gehandicaptenzorg)+ € 615,88 ORT= € 53.559,39 bruto. Voorts dient rekening gehouden te worden met de opzegtermijn van vier maanden, waarop één maand in mindering kan worden gebracht.

4. Beoordeling

4.1 De kantonrechter heeft zich er van vergewist of het verzoek verband houdt met een opzegverbod zoals bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

4.2 [De stichting] staat een beëindiging van het dienstverband voor vanwege een in haar ogen niet aanvaardbare houding van [verweerster]. Die houding ontleent [de stichting] met name aan aan [verweerster] toegeschreven uitlatingen. De meeste van die haar toegeschreven uitlatingen ontkent [verweerster] te hebben gedaan. [De stichting] legt ter adstructie van de juistheid van haar stellingen een aantal anonieme verklaringen over. Aan die verklaringen gaat de kantonrechter voorbij. [Verweerster] wordt daardoor immers de gelegenheid ontnomen zich adequaat te verdedigen. Hetgeen [verweerster] wel kon doen, heeft zij gedaan: een verklaring van haar collega [C], die aangeeft dat zij de uitlatingen die tijdens een dienst met haar zouden zijn gedaan, niet heeft gehoord en een steunbetuiging van collega's overleggen.

4.3 Er blijft over hetgeen door [verweerster] wordt erkend: zie onder 1.5., de uitlating dat " alle collega's verraders zijn", de aangifte door [A], het door [verweerster] aangeven dat [C] in de ogen van [verweerster] als verpleegkundige niet juist had gehandeld en de onder 1.13 genoemde verklaring van de heer [B]. Voor de onder 1.5. genoemde uitlating geeft [verweerster] een verklaring ( namelijk dat de betreffende collega zelf de uitdrukking altijd gebruikte) die door [de stichting] niet wordt weerlegd. [A] heeft zelf de uitlating over het vergiftigen van een lollie niet gehoord. Zij doet wel aangifte hoewel zij tot die dag nooit problemen met [verweerster] heeft gehad. [A] was ter zitting niet aanwezig om een toelichting te geven. Voorts is [A] na de aangifte met [verweerster] blijven werken. Noch [A] noch het management heeft aanleiding gezien direct andere maatregelen te treffen. Er blijft dan over de uitlating over [C], die achteraf niet juist blijkt, de niet toelaatbare uitlating over collega's en de verklaring van de heer [B].

4.4 Met [de stichting] is de kantonrechter van oordeel dat uit hetgeen wel is komen vast te staan een beeld van [verweerster] ontstaat van iemand die zich ongepast over collega's en leidinggevenden uitlaat en dat er iets moet gebeuren. De vraag is of nu een ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is.

4.5 [Verweerster] is 17 jaar bij [de stichting] werkzaam. Zij was 26 jaar, toen zij bij ( de rechtsvoorganger van) [de stichting] in dienst trad. Zij is nu 43 jaar. Het voert - na een nadere afweging van hetgeen door partijen naar voren is gebracht en de belangen van beide partijen en anders dan de kantonrechter als voorlopig oordeel ter zitting heeft gegeven - naar het oordeel van de kantonrechter te ver om thans op grond van hetgeen in deze procedure is komen vast te staan, tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ook niet op grond van een verandering van omstandigheden, over te gaan. [Verweerster] is weliswaar gewaarschuwd, maar niet is komen vast te staan wat er na de laatste waarschuwing door [verweerster] is gezegd, althans dat zulks dermate ernstig is dat ontslag moet volgen.

4.6 [De stichting] dient naar het oordeel van de kantonrechter [verweerster] nog een kans te geven; het lijkt het meest voor de hand te liggen dat die kans op een andere plek in de organisatie wordt gegeven en dat [verweerster] dient mee te werken aan begeleiding bij een juiste beoordeling van/ reflectie op haar eigen gedrag. [Verweerster] dient zich als een gewaarschuwd mens te zien.

4.7 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat op dit moment het verzoek tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst dient te worden afgewezen.

4.8 De kantonrechter ziet aanleiding de kosten van de procedure zo te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

Wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten zo dat ieder van de partijen de eigen kosten van de procedure draagt

Deze beschikking is gegeven door mr. P. van der Kolk-Nunes, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.