Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9681

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
AWB 05/3421 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 20c, lid 16, IB; artikel 20h, lid 6, IB; artikel 60, lid en lid 6, IB.

Directeur-groot aandeelhouder van een failliete BV kan de afwaardering van de vordering op deze BV niet ten laste van zijn winst uit onderneming brengen, aangezien de vordering tot zijn prive-vermogen behoort. Het verlies op de vordering vormt wel een verlies uit aanmerkelijk belang. Het verlies wordt in aanmerking genomen in het jaar waarop de vereffening van de BV is voltooid. Eiser kan op grond van artikel 60, lid 1, IB 25% van het verlies met zijn belastbare inkomen verrekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0869
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3421 IB/PVV

Uitspraakdatum: 25 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen f 4.000.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag heeft verweerder een verliesverrekeningsbeschikking genomen ten bedrage van f 974.214.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2005 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 1.564.640.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 19 mei 2005, ontvangen bij de rechtbank op 23 mei 2005, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 20 juni 2005.

Verweerder heeft op 29 juli 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2006 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [...]. Namens verweerder zijn verschenen [...] en [...].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van eiser behorende bijlage.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij brief van 31 januari 2006 aan partijen is gezonden.

1.5. Met toestemming van de rechtbank heeft eiser bij brief van 13 februari 2006 nieuwe stukken in het geding gebracht.

1.6. Verweerder heeft bij brief van 28 februari 2006 gereageerd op voornoemde pleitnota van eiser en op de laatste stukken van eiser.

1.7. Eiser heeft met gebruikmaking van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb bij brief van 15 maart 2006 (hierna: het 10-dagenstuk) nadere stukken ingezonden.

1.8. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 maart 2006 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is verschenen [...]. Namens verweerder zijn verschenen [...] en [...].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van eiser behorende bijlagen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.9. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Algemeen

2.1.1. Eiser, geboren in 1949, dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van de onderneming waren het exploiteren van (nacht)clubs, een automaten- en een internet-services-bedrijf. Eiser hield voorts aandelen in een aantal vennootschappen, waaronder, onmiddellijk of middellijk, alle aandelen in [A. B.V.]. en was tevens bestuurder van deze vennootschap. In de loop van 1997 is het faillissement van [A. B.V.]. aangevraagd. Bij vonnis van de rechtbank van 4 februari 1998 is [A. B.V.]. failliet verklaard. [A. B.V.]. is in juli 2000 opgehouden te bestaan wegens gebrek aan baten.

2.2. De vordering op [A. B.V.].

2.2.1. Tot de gedingstukken behoren de jaarstukken van [A. B.V.]. voor het jaar 1996, alsmede de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 1994 en 1995, met de jaarstukken voor die jaren als bijlagen. Daarin is met betrekking tot de schuldverhouding tussen eiser en [A. B.V.]. het volgende vermeld:

schuldverhouding 2.2.1.

Voor de jaren vanaf 1997 zijn geen jaarstukken meer opgemaakt en geen aangiften vennootschapsbelasting meer ingediend.

2.2.2. Tot de gedingstukken behoren de hierna vermelde aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/vermogensbelasting (hierna: ib/vb) van eiser, die met betrekking tot de schuldverhouding tussen eiser en [A. B.V.]. het volgende vermelden:

schuldverhouding 2.2.2.

In de aangiften ib/vb 1998/1999 en 1999/2000 zijn respectievelijk zeven en acht rekening-courantvorderingen op vennootschappen opgenomen. Daarbij is geen melding gemaakt van vorderingen op [A. B.V.].

In bijlage 4r van de aangifte inkomstenbelasting 2000 is opgenomen de "afboeking van de vordering [A. B.V.]. (opheffing faillissement 27/7-2000)" ad f 7.397.212, welk bedrag in mindering is gebracht op de winst uit onderneming van eiser.

2.3. Op of omstreeks 6 juni 1997 verkoopt [A. B.V.]. twee percelen grond aan de [a-straat] te [plaats A.] voor een bedrag van f 3.130.000.

De afrekening van de notaris luidt als volgt:

afrekening notaris 2.3.

2.4. De vaststellingsovereenkomst

In een vaststellingsovereenkomst tussen eiser en verweerder, gedagtekend 1 mei 2003, en mede ondertekend door het Ministerie van Financiën (hierna: de vaststellingsovereenkomst) is onder meer het volgende overeengekomen:

"De belastingdienst en [eiser] hebben verschil van inzicht over (...) de loonbelasting (...) en (…) de omzetbelasting (...).

De belastingdienst en [eiser] wensen ook andere mogelijke toekomstige geschilpunten te voorkomen die zien op enkele in de bijlage A genoemde feitelijke constellaties.

Bijlage A bij de vaststellingsovereenkomst vermeldt onder meer het volgende:

"De Belastingdienst en [eiser] wensen bestaande en mogelijke toekomstige geschillen over de aangiften inkomstenbelasting van [eiser] te ruimen en te voorkomen.

De geschillen of toekomstige geschillen zijn van feitelijke aard en betreffen de tenaamstelling van onroerende zaken en de aftrek van rente over deze onroerende zaken bij de juiste persoon.

De Belastingdienst en [eiser] zullen zo spoedig mogelijk vaststellen wat de juiste feiten zijn met betrekking tot deze onroerende zaken en de in aftrek te brengen rente of in aftrek gebrachte rente. Deze feitelijke vaststelling zal het uitgangspunt zijn voor de afhandeling van de aangiftes inkomstenbelasting (...) voor zover ingediend of nog in te dienen."

De verliezen

2.5. De verliezen tot en met 1995

2.5.1. In een brief van 23 december 1993 van verweerder aan de toenmalige gemachtigde van eiser betreffende de afwikkeling van een boekenonderzoek voor “de middelen IB, Vpb, OB en LB over de jaren 1988 tot en met 1992” van eiser en acht besloten vennootschappen is onder het kopje “Inkomstenbelasting” onder meer het volgende opgenomen:

"Inkomstenbelasting.

(...)

De belastbare inkomens van 1988 tot en met 1991 zullen worden vastgesteld conform de ingediende aangiften. (...)

Met ingang van de aangifte 1992 (...)

Belastbaarheid transactiewinsten:

De kern van het probleem is of het onroerend goed bedrijfsmatig geëxploiteerd wordt of als belegging wordt aangehouden. Gezien de jurisprudentie zijn wij van mening dat sprake is van het bedrijfsmatig exploiteren van onroerend goed. (...)"

Eiser heeft deze brief voor akkoord getekend.

2.5.2. Tot de gedingstukken behoren kopieën van

-kennisgevingen premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 1988 en 1989, beide gedagtekend 21 juni 1996, met daarop de vermelding “Berekening vastgesteld premie-inkomen” van respectievelijk negatief f 2.415.701 en negatief f 1.294.489;

-een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991, gedagtekend 28 februari 1995, ad nihil met daarop vermeld een “Vastgesteld belastbaar inkomen (premie-inkomen)”ad negatief f 1.066.398; en

-kopiëen van aangiftebiljetten ib/vb, waarin voor de jaren 1992/1993 en 1993/1994 belastbare inkomens zijn opgenomen ten bedrage van achtereenvolgens negatief f 846.514 en negatief f 731.249 en voor het jaar 1995/1996 een inkomen ad f 49.650 en een belastbaar inkomen van negatief f 8.023.712.

2.5.3. In het aangiftebiljet ib/vb 1995/1996 is voorts bij vraag 8f “Het bedrag van de te verrekenen verliezen” ingevuld f 8.073.362 en is een kruisje gezet bij vraag 8g “Als u verzoekt om vaststelling van de nog niet verrekende ondernemersverliezen over de jaren 1986 t/m 1994 en/of aanloopverliezen, kruis het hokje aan en stuur het verzoek “Vaststelling onverrekende verliezen uit onderneming” mee.”

Het vermelde bedrag is in een bijlage als volgt gespecificeerd:

bijlage 2.5.3.

2.5.4. Tot de gedingstukken behoort geen beschikking genomen op de voet van artikel III, tweede lid, van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937, op grond waarvan verweerder het gezamenlijke bedrag van de in de negen aan 1995 voorafgaande jaren geleden verliezen, voor zover deze zijn voortgevloeid uit verliezen uit onderneming, alsmede de aanloopverliezen van voor die jaren heeft vastgesteld.

2.6. De verliesverrekening 1999

2.6.1. Op 14 februari 2003 heeft verweerder in zijn uitspraak op bezwaar voor het jaar 1999 onder meer het volgende opgenomen:

"Beoordeling van het bezwaar

In de aangifte 1999 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen aangegeven van f nihil. Ik heb de aanslag vastgesteld conform de ingediende aangifte. Dit betekent niet dat ik het inhoudelijk met de (…) aangifte 1999 eens ben. Om procedurele redenen heb ik van een verdere inhoudelijke beoordeling afgezien. Dit betekent dat belanghebbende zich nimmer kan beroepen op een eventueel opgewekt vertrouwen ten aanzien van de gegevens zoals hij die in zijn aangifte heeft vermeld.

berekening 2.6.1.

Te verrekenen verliezen

Om automatiseringstechnische redenen kan het voorkomen dat de kennisgeving van de vermindering (…) van het computercentrum in Apeldoorn, een bedrag vermeldt aan nog te verrekenen verliezen dat niet correspondeert met de feitelijke stand van de nog te verrekenen verliezen. Gelet hierop kan belanghebbende geen rechten ontlenen aan het (foutieve) bedrag aan te verrekenen verliezen dat vermeld staat op genoemde kennisgeving."

2.6.2. Verweerder heeft voor het jaar 1999 bij voor bezwaar vatbare beschikking, die voorkomt op de achterzijde van de in Apeldoorn verzonden "uitspraak op het bezwaarschrift 1999", gedagtekend 4 maart 2003, een verliesverrekeningsbeschikking vastgesteld van f 10.070.

Het totaalbedrag van de per 31 december 1999 nog te verrekenen verliezen bedraagt volgens mededeling op hetzelfde document f 2.042.085.

2.7. Aanslagregeling 2000

2.7.1. Verweerder heeft eiser op 30 januari 2003 een brief gezonden waarin hij onder meer het volgende schrijft:

“De termijn voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 is verstreken. Omdat u niet gereageerd heeft op de toegezonden aanmaning voor het indienen van het aangiftebiljet, heb ik de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 ambtshalve geregeld.

afwijkingen 2.7.1.

2.7.2. Gedagtekend 18 februari 2003 is aan eiser een ambtshalve aanslag opgelegd naar het aangekondigde belastbare inkomen van f 4.000.000 en heeft hij een verliesverrekeningsbeschikking genomen van f 974.214. Verweerder heeft een verzuimboete van f 750 opgelegd wegens het niet of te laat doen van aangifte.

2.7.3. Eiser heeft bij brief van 22 februari 2003 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

2.7.4. Op 27 november 2003 heeft eiser tijdens een bespreking met verweerder onder meer een aangifteformulier voor 2000 ingeleverd. Bij dit formulier is een rapport gevoegd gedagtekend 24 mei 2003, waarin een berekening van het belastbare inkomen voor 2000 en het vermogen per 31 december 2000 is opgenomen.

2.7.5. In de uitspraak op het bezwaar is het belastbare inkomen als volgt berekend:

berekening 2.7.5.

Het over dit belastbare inkomen verschuldigde bedrag aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen is blijkens de uitspraak op bezwaar f 916.115.

2.7.6. Gelijktijdig met de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2000 heeft verweerder voor het jaar 2000 een verliesverrekeningsbeschikking genomen van f 1.051.082. De verzuimboete wegens het niet of te laat doen van aangifte heeft verweerder zonder enige motivering laten vallen.

Het totaalbedrag van de per 31 december 2000 nog te verrekenen verliezen bedraagt volgens een mededeling op het formulier waarmee de uitspraak op bezwaar is bekendgemaakt f nihil.

3. Geschil

3.1.1. In geschil is of de afboeking op de vordering op [A. B.V.]. (hierna: de vordering) ad f 7.397.212 ten laste van de winst uit de onderneming van eiser kan worden gebracht. In dit verband neemt eiser het standpunt in dat sprake is van grootkoopmanschap. Voor het geval de afboeking niet tot de winst behoort, is in geschil of de aangebrachte correctie op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden teruggenomen.

3.1.2. Voor het geval het verlies op de vordering niet in aftrek kan worden gebracht op de winst van eiser is in geschil of voor f 7.397.212 sprake is van een verlies uit aanmerkelijk belang.

3.1.3. Ten slotte is in geschil of per 31 december 2000 nog verliezen uit voorgaande jaren verrekenbaar zijn en, zo ja, of tot welke bedrag deze onbeperkt verrekenbaar zijn.

3.2. Eiser concludeert tot vernietiging van de aanslag, tot vaststelling van het verlies voor 2000 op f 4.781.490 en tot vaststelling per 31 december 2000 van het verrekenbare verlies over voorgaande jaren op f 9.123.689 dan wel f 6.823.575.

Subsidiair concludeert eiser, naar de rechtbank begrijpt, tot het in aanmerking nemen van een verlies uit aanmerkelijk belang van f 7.397.212.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De primaire besluiten

4.1.1. Het beroep betreft de uitspraak op bezwaar waarbij verweerder de aanslag 2000 nader heeft vastgesteld, onder verrekening van f 1.051.082 verlies uit andere jaren. De rechtbank zal oordelen over de aanslag voor 2000 en de verliesverrekeningsbeschikking van f 1.051.082. Nu eiser concludeert dat verweerder voor 2000 een verlies had moeten vaststellen zal de rechtbank tevens oordelen over de verliesvastellingbeschikking 2000 van nihil. Bijzondere omstandigheden, als bedoeld in het arrest HR 16 december 2005, nr. 41 588, BNB 2006/74, zijn gesteld noch gebleken.

4.1.2. In het in de artikelen 51 tot en met 52a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) neergelegde systeem van verrekening van verliezen is geen plaats is ingeruimd voor het bij voor bezwaar en beroep vatbare beschikking vaststellen van het beloop van onverrekende verliezen (zie HR 22 september 2006, nr. 40 472, BNB 2006/332).

Tegen de vermelding op het formulier waarop de uitspraak op bezwaar 2000 is gedaan, dat het totaalbedrag van de per 31 december 2000 nog te verrekenen verliezen f nihil bedraagt, staan derhalve geen rechtsmiddelen open. De tekst op het formulier is hiermee in overeenstemming. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan eisers verzoek om de per 31 december 2000 nog verrekenbare verliezen uit voorgaande jaren vast te stellen en te beslissen dat deze onbeperkt verrekenbaar zijn.

4.1.3. Indien de rechtbank het subsidiaire standpunt van eiser dat hij een verlies uit aanmerkelijk belang heeft geleden geheel of gedeeltelijk juist acht, wordt op de voet van artikel 60, eerste lid, van de Wet 25% van dat verlies verrekend met en ten hoogste verrekend tot het bedrag van de belasting over 2000. Het derde lid van artikel 60 van de Wet bepaalt dat indien het te verrekenen bedrag niet of niet volledig verrekend kan worden met de voor 2000 verschuldigde belasting, het niet verrekende bedrag door verweerder, gelijktijdig met het opleggen van de aanslag, wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Verweerder heeft een dergelijke beschikking niet genomen. De rechtbank oordeelt, naar analogie van het hiervoor vermelde arrest HR 16 december 2005, nr. 41 588, BNB 2006/74, dat het beroep tevens geacht wordt te zijn gericht tegen het niet vaststellen van een beschikking als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Wet.

4.2. De bewijslastverdeling

4.2.1. Op grond van de in 2.7.1 tot en met 2.7.4 vermelde feiten acht de rechtbank aannemelijk dat eiser voor het onderhavige jaar de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Voor dat geval bepaalt artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat de rechter het beroep ongegrond verklaart, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaarschrift onjuist is, de zogenoemde omkering van de bewijslast.

Voor zover uit de gedingstukken valt af te leiden waren eiser en verweerder zich voor de zitting van 26 januari 2006 van de omkering van de bewijslast niet bewust geweest. De rechtbank heeft partijen daarom tijdens de eerste zitting in de gelegenheid gesteld zich op hun bewijspositie te beraden (zie HR 9 december 2005, nr. 40 817, BNB 2006/241).

4.2.2. Eiser heeft hieromtrent in haar pleitnota van de tweede zitting gesteld dat de rechtbank aldus de rechtsstrijd ten onrechte uitbreidt, dat eiser de aangifte tijdig heeft ingediend omdat verweerder de aanslag ten behoud van rechten heeft opgelegd en dat aan eiser geen aanmaning voor het doen van aangifte is verzonden, althans dat eiser niet over een aanmaning beschikt, dat eiser voor onbepaalde tijd uitstel had voor het doen van aangifte in verband met de in gang gezette pacificatie tussen de belastingdienst en eiser en dat aan eiser geen boete voor het te laat doen van aangifte is opgelegd.

4.2.3. Deze stellingen doen niet af aan de omkering van de bewijslast. Met betrekking tot aanmaning overweegt de rechtbank dat eiser zijn stelling dat hij niet is aangemaand noch bij bezwaar noch op enig moment vóór de tweede zitting heeft ingenomen. Verweerder heeft eiser in een brief van 30 januari 2003 (zie 2.7.1.) meegedeeld dat hij is aangemaand voor het indienen van de aangifte. Vervolgens heeft verweerder gedagtekend 18 februari 2003 een zogenoemde ambtshalve aanslag opgelegd. Het aangifteformulier is eerst ruim negen maanden later ingeleverd. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank eisers verklaring dat hij geen aanmaning heeft ontvangen niet geloofwaardig. Voorts heeft eiser verzuimd na ontvangst van vermelde brief van 30 januari 2003 op korte termijn een aangifteformulier in te zenden en is en het rapport dat bij de aangifte is gevoegd 24 mei 2003 opgemaakt (zie 2.7.4.). Eiser heeft het bestaan van uitstel voor onbepaalde tijd voor het doen van aangifte niet aannemelijk gemaakt. De tekst van de vaststellingsovereenkomst geeft ook geen aanleiding een dergelijk uitstel aannemelijk te achten. Met betrekking tot de overige stellingen van eiser en de conclusie die hij daaraan verbindt, oordeelt de rechtbank dat deze geen steun vinden in het recht. Ook het vervallen van de verzuimboete voor het te laat doen van aangifte leidt niet tot een andere conclusie omdat niet aannemelijk is dat dat is gebeurd als gevolg van een bewust door verweerder ingenomen standpunt dat eiser zijn aangifte wel tijdig zou hebben gedaan.

4.3. De afwaardering van de vordering ten laste van de winst uit onderneming

4.3.1. Eiser stelt dat de vordering de resultante is van een aantal financiële transacties en grondtransacties waarbij eiser in 1987 een perceel grond in [plaats A.] aan deze B.V. heeft verkocht voor f 7.320.000. [A. B.V.]. heeft ter zake van de vordering niets voldaan en is in 1998 failliet verklaard. Eiser heeft afgezien van het indienen van de (concurrente) vordering bij de curator vanwege de toestand van de boedel van [A. B.V.]. Het faillissement is geëindigd op 7 juli 2000, wegens gebrek aan baten.

Eiser stelt voorts dat hij met de ambtsvoorganger van verweerder in 1979 heeft afgesproken dat de resultaten van transacties met onroerende zaken die binnen vier jaren waren afgerond tot de winst uit eisers onderneming zouden worden gerekend en dat de resultaten van transacties met onroerende zaken waarvan de afronding een langere in beslag nam als onbelaste vermogensresultaten zouden worden aangemerkt. De transactie uit 1987 was binnen vier jaar afgerond. Zelfs indien dat niet het geval zou zijn geweest, behoort het verlies tot de winst uit onderneming omdat eiser het bedrag als ondernemer heeft verloren. In dit verband neemt eiser het standpunt in dat sprake was van grootkoopmanschap.

4.3.2. Verweerder neemt het standpunt in dat de afwaardering van de vordering niet ten laste van eisers winst uit onderneming kan worden gebracht omdat de vordering per 1 januari 2000 niet (meer) bestond. Hij wijst daartoe op de aangiften ib/vb 1998/1999 en 1999/2000, waarin de vordering niet voorkomt. Voorts voert verweerder aan dat de vordering met ingang van 1987 tot het privé-vermogen van eiser is gaan behoren en in rekening-courant geboekt. Afboeking wegens het niet invorderbaar zijn van de rekening-courantvordering op [A. B.V.]. is een niet aftrekbaar vermogensverlies.

Met betrekking tot de afwaardering neemt verweerder het standpunt in dat de bewijslast dat de vordering per 1 januari 2000 (nog) bestond en tot het ondernemingsvermogen behoorde op eiser rust en dat eiser daaraan, ook nadat verweerder eiser diverse keren heeft gevraagd om het bestaan van de vordering met bewijs te staven, niet heeft voldaan. Verweerder erkent dat hij met eiser een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten zoals in 4.3.1. is beschreven, maar daarmee maakt eiser niet aannemelijk dat eiser onroerend goed heeft gekocht dat hij dit binnen vier jaar heeft verkocht aan [A. B.V.], dat de koopsom is omgezet in een vordering en dat deze oninbaar is geleden. Van grootkoopmanschap is volgens verweerder geen sprake.

4.3.3. De rechtbank leidt uit in 2.2.2. vermelde aangiften ib/vb van eiser af dat eiser de vordering steeds tot zijn privé-vermogen heeft gerekend. Van verplicht ondernemingsvermogen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering aan te merken als privé-vermogen, wat tot gevolg heeft dat een afwaardering niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht.

Het voorgaande houdt in dat de vaststellingsovereenkomst uit 1979 met betrekking tot de belastbaarheid van winsten uit onroerendgoedtransacties geen betekenis heeft voor het onderhavige geschilpunt.

4.3.4. Met betrekking tot eisers standpunt dat sprake is van grootkoopmanschap overweegt de rechtbank het volgende. Grootkoopmanschap houdt in dat een belastingplichtige voor de inkomstenbelasting een onderneming drijft die al zijn bedrijfsmatige activiteiten omvat, waarbij onder meer de aandelen in alsmede de vorderingen op en de schulden aan de vennootschappen van die belastingplichtige deel uitmaken van het vermogen van deze onderneming (zie onder meer HR 11 oktober 1933, B. 5480).

De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser dat sprake is van grootkoopmanschap - wat daar overigens ook van zij - reeds omdat dit standpunt feitelijke grondslag mist, nu eiser nimmer jaarstukken met betrekking tot de door hem als grootkoopman gedreven onderneming heeft overgelegd waaruit blijkt welke cijfermatige en andere gevolgen dit standpunt heeft voor de resultaten die zijn behaald met onder meer de aandelen in zijn in 2.1.1. vermelde vennootschappen. Grootkoopmanschap kan niet uitsluitend tot gevolg hebben dat de afwaardering van een actiefpost ten laste van het belastbare inkomen wordt gebracht.

4.4. Het vertrouwensbeginsel en een aanbod van getuigenbewijs

4.4.1. Eiser stelt dat verweerder zijn recht om de in geschil zijnde correctie aan te brengen eind 2002 heeft verspeeld toen de conflicten voor de destijds aan de orde zijnde jaren zijn beëindigd, waarbij zowel van de zijde van eiser als van verweerder concessies zijn gedaan, waaronder alle “liggende” aanslagen inkomstenbelasting tot en met het belastingjaar 1999. Hij wijst er in dit verband op dat de vordering in 2000 definitief teniet is gegaan, dat is drie jaar voor het afsluiten van de vaststellingsovereenkomst. Ook acht eiser van belang dat van een zogenoemd nieuw feit geen sprake is.

Voorts stelt eiser dat het ministerie van Financiën dan wel verweerder bij eiser het vertrouwen heeft gewekt dat de aanslagen van eiser voor de jaren tot en met 2002 overeenkomstig de aangiften zouden worden opgelegd.

4.4.2. Verweerder wijst er op dat de vaststellingsovereenkomst vooral de loon- en omzetbelasting betreft. Voorts stelt verwe erder dat bijlage A van de vaststellingsovereenkomst (zie 4.2.) betrekking heeft op aangekocht onroerend goed dat op naam staat van eisers zoon terwijl de bijbehorende rentelasten door eiser worden afgetrokken. De aangiften 2000 tot en met 2002 waren bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 1 mei 2003 nog niet ingeleverd. Verweerder was toen dan ook niet op de hoogte van de afwaardering van de vordering. De vaststellingsovereenkomst kan reeds daarom niet zien op deze afwaardering. Verweerder bestrijdt dat op het ministerie van Financiën de afspraak is gemaakt dat de aanslagen van eiser voor de jaren 2000 tot en met 2002 overeenkomstig de aangiften zouden worden opgelegd.

4.4.3. Eiser heeft ter zitting van 23 maart 2006 gesteld dat er van de precontractuele fase van de vaststellingsovereenkomst niets op papier staat. Om die reden heeft hij toen aangeboden door middel van getuigen te bewijzen dat de vaststellingsovereenkomst “een algemene regeling was die tot doel had conflicten voor de inkomstenbelasting weg te nemen”. De rechtbank passeert dit aanbod omdat zij aannemelijk acht dat de vaststellingsovereenkomst mede tot doel had conflicten voor de inkomstenbelasting weg te nemen.

4.4.4. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. De vaststellingsovereenkomst ziet blijkens de tekst van bijlage A daarbij (zie 2.4.), voor zover hier van belang, op geschillen betreffende de tenaamstelling van onroerende zaken en de aftrek van rente over deze onroerende zaken bij de juiste persoon. Nu de afwaardering van de vordering hier niet onder is te rangschikken, oordeelt de rechtbank dat de vaststellingsovereenkomst niet het bij eiser in rechte te beschermen vertrouwen kan hebben opgewekt dat de afwaardering van de vordering zou worden geaccepteerd als onderdeel van eisers winstberekening.

Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat met verweerder dan wel het ministerie van Financiën de afspraak is gemaakt dat de aanslagen van eiser voor de jaren 2000 tot en met 2002 overeenkomstig de aangiften voor die jaren zouden worden opgelegd.

4.5. De verliezen van voorgaande jaren

4.5.1. Met ingang van 1995 zijn in de Wet bepalingen opgenomen die beogen aan zowel de belastingplichtigen als de belastingdienst zekerheid te bieden met betrekking tot de verliesverrekening. Het regime kan, voor zover hier van belang, als volgt worden samengevat:

Belastbaar inkomen is het in een kalenderjaar genoten inkomen verminderd met de te verrekenen verliezen (artikel 3, tweede lid, van de Wet).

Een negatief belastbaar inkomen wordt aangemerkt als een verlies (artikel 51, eerste lid, van de Wet). De inspecteur stelt het verlies vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met de aanslag voor het desbetreffende jaar, de zogenoemde verliesvaststellingsbeschikking (artikel 51a, eerste lid, van de Wet).

Een onbeperkt verrekenbaar verlies, een zogenoemd aanloopverlies, is slechts onbeperkt verrekenbaar indien het door de inspecteur als zodanig is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 51a, tweede lid, van de Wet).

De inspecteur stelt het bedrag van een met het inkomen van het volgende jaar verrekend verlies vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met de aanslag voor het desbetreffende jaar de zogenoemde verliesverrekeningbeschikking (artikel 52, eerste lid, van de Wet).

Op verzoek van belastingplichtigen stelde de inspecteur verliezen uit voorgaande jaren per 1 januari 1995 gelijktijdig met het opleggen van de aanslag voor 1995 vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Indien geen gebruik gemaakt werd van deze overgangsregeling geldt voor dergelijke verliezen geen onbeperkte verliescompensatie (artikel III van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937).

4.5.2. Artikel 51 van de Wet (tekst 1995 tot en met 2000) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Indien de berekening van het inkomen leidt tot een negatief bedrag, wordt dit aangemerkt als een verlies.

2. Een verlies wordt verrekend met de inkomens van de drie voorafgaande en de acht volgende kalenderjaren.

3. De in het tweede lid genoemde termijn van acht jaren wordt, indien de belastingplichtige regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen, onbepaald verlengd voor zover het verlies is voortgevloeid uit een verlies uit onderneming (ondernemingsverlies) en het ondernemingsverlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Van 1984 tot en met 1994 luidden het eerste en het tweede lid van artikel 51 gelijk hiervoor. Het derde lid luidde in die periode als volgt:

3. De in het tweede lid genoemde termijn van acht jaren wordt, indien de belastingplichtige regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen, onbepaald verlengd ten aanzien van aanloopverliezen, zijnde verliezen uit onderneming, geleden gedurende de eerste zes jaren na de stichting van de onderneming.

4.5.3. Eiser heeft gesteld dat verweerder geen beslissing heeft genomen op zijn verzoek om gelijktijdig met het opleggen van de aanslag voor 1995 per 1 januari 1995 zijn verliezen uit voorgaande jaren bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op f 8.073.362 (zie 2.5.3. en 2.5.4.). Verweerder gaat er desgevraagd vanuit dat op dit verzoek geen beschikking is gevolgd. Eiser heeft zijn verzoek na het doen van zijn aangifte ib/vb 1995/1996 niet herhaald, noch enig rechtsmiddel aangewend tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel de weigering een besluit te nemen. De rechtbank gaat aan de omissie van verweerder voorbij, omdat eiser in de onderhavige procedure voluit in de gelegenheid is gesteld aannemelijk te maken tot welk bedrag hij recht heeft verliezen uit voorgaande jaren te verrekenen met het inkomen van het onderhavige belastingjaar 2000.

4.5.4. Eiser stelt dat de per 31 december 1998 nog te verrekenen verliezen f 2.052.155 bedragen, dat van dit bedrag f 10.070 is verrekend voor 1999 en dat de per 31 december 1999 nog te verrekenen verliezen derhalve f 2.042.085 bedragen. In zijn pleitnota voor de zitting van 26 januari 2006 berekent eiser de nog te verrekenen verliezen na de verliesverrekening voor 1999 op f 4.342.208.

4.5.5. Verweerder stelt dat het bedrag van de nog te verrekenen verliezen per 31 december 1999 f 1.051.082 bedraagt en wijst erop dat eiser dit bedrag ook zelf heeft vermeld in het aangiftebiljet 2000. Voorts wijst hij in dit verband op zijn onder de feiten geciteerde passage in de uitspraak op bezwaar 1999 (zie 2.6.1.). Hij heeft het bedrag uitvoerig gespecificeerd en toegelicht op pagina’s 5 en 6 van zijn verweerschrift. Hij heeft gemotiveerd weersproken dat er sprake is van aanloopverliezen.

4.5.6. Nu de verrekening van verliezen van oude jaren niet afhangt van het al dan niet doen van aangifte voor het onderhavige jaar, ziet de omkering van de bewijslast naar het oordeel van de rechtbank niet op de verrekening van deze verliezen.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser aannemelijk maakt dat met zijn inkomen van het onderhavige jaar verliezen uit andere jaren moeten worden verrekend. Eiser heeft daartoe tal van producties ingezonden.

4.5.7. De rechtbank oordeelt dat eiser met hetgeen hij heeft gesteld en met de stukken die hij heeft overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor het onderhavige jaar recht heeft op verrekening van een hoger bedrag aan verliezen uit andere jaren dan het reeds door verweerder verrekende bedrag van f 1.051.082. Eiser heeft de specificatie van verweerder niet geanalyseerd en vergeleken met zijn eigen berekening en de geproduceerde bewijsstukken. Hij is er bij zijn berekening van uitgegaan dat alle verliezen die hij in het verleden heeft geleden onbeperkt verrekenbaar zijn en heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aanloopverliezen. De rechtbank volgt daarom de berekening van verweerder die zij aannemelijk acht.

4.5.8. De rechtbank heeft bij haar oordeel in aanmerking genomen dat eiser, gelet op hetgeen is vermeld in de laatst geciteerde alinea van de uitspraak op bezwaar 1999 van 14 februari 2003 (zie 2.6.1.), geen vertrouwen kan ontlenen aan de vermelding van het bedrag van de nog te verrekenen verliezen van f 2.04.085, dat is vermeld op de kennisgeving uit Apeldoorn van 4 maart 2003 (zie 2.6.2.). Voor zover eisers beroep op het vertrouwensbeginsel mede is gegrond op de vaststellingsovereenkomst faalt deze grief op de in 4.4.4. vermelde gronden. De vaststellingsovereenkomst ziet niet op verrekening van verliezen van andere jaren.

4.5.9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij verliesverrekeningsbeschikking voor 2000 het juiste bedrag aan verliezen van andere jaren met het inkomen van eiser voor het jaar 2000 heeft verrekend en dat verweerders vaststelling van het belastbare inkomen van eiser voor 2000, na de vermindering daarvan bij de uitspraak op bezwaar, op f 1.564.640 juist is. Deze conclusie houdt tevens in dat de verliesvaststellingsbeschikking voor 2000 van nihil in stand blijft.

4.6. De vordering in relatie tot het aanmerkelijk belang

4.6.1. Nu de rechtbank geoordeeld heeft dat de afwaardering van de vordering niet ten laste van eisers winst uit onderneming kan worden gebracht, komt de rechtbank toe aan eisers subsidiaire standpunt dat het verlies op de vordering ad f 7.397.212 moet worden aangemerkt als een verlies uit aanmerkelijk belang. Het constateren van een verlies uit aanmerkelijk belang, zoals eiser heeft bepleit, heeft tot gevolg dat 25% van dat verlies op de voet van artikel 60 van de Wet zoveel mogelijk wordt verrekend met de voor 2000 verschuldigde belasting en dat het niet met de voor 2000 verschuldigde belasting verrekende bedrag door de rechtbank zal worden vastgesteld (zie 4.1.3).

4.6.2. Eiser heeft in haar pleitnota voor de eerste zitting het “standpunt ingenomen dat de vordering, gelet op de neergang en het nadien gevolgde faillissement van [A. B.V.], van meet af aan als informeel kapitaal heeft te gelden en in die vorm aftrekbaar is, als verlies uit aanmerkelijk belang.”

Verweerder is niet ingegaan op eisers standpunt met betrekking tot het aanmerkelijk belang.

4.6.3. Vaststaat dat eiser onmiddellijk dan wel middellijk aandeelhouder was van [A. B.V.]. In deze procedure is niet is komen vast te staan of het aandeelhouderschap middellijk was dan wel onmiddellijk. In ieder geval heeft verweerder geen beschikking genomen waarbij hij op de voet van artikel 20i, eerste lid, van de Wet de verkrijgingsprijs van de aandelen [A. B.V.]. heeft vastgesteld. Eiser heeft daartoe ook geen verzoek gedaan.

4.6.4. Van zogenoemd informeel kapitaal kan eerst dan sprake zijn indien eiser, enkel op grond van haar aandeelhouderschap, het bedrag van de vordering aan [A. B.V.]. heeft doen toekomen en eiser dat voordeel onder gelijke omstandigheden niet aan een van hem onafhankelijke onderneming zou hebben verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van eiser feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de vordering als informeel kapitaal moet worden gekwalificeerd. Eiser heeft niet aan deze stelplicht en bewijslast voldaan. Zijn standpunt komt voorts niet overeen met de door hem en [A. B.V.]. ingediende aangiften, waarin steeds van een schuldverhouding is uitgegaan (zie respectievelijk 2.2.2. en 2.2.1). Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank eisers standpunt dat de vordering moet worden aangemerkt als informeel kapitaal.

4.6.5. Op grond van artikel 20a, vierde lid, van de Wet, welke bepaling met ingang van 1 januari 1997 in de Wet is opgenomen, behoren schuldvorderingen op een vennootschap waarin een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft met ingang van die datum tot dat aanmerkelijk belang.

Ingeval bij de ontbinding van een vennootschap nadat de vereffening van het vermogen is voltooid een schuldvordering op de vennootschap niet geheel is afgelost, wordt het gedeelte van de verkrijgingsprijs van de vordering dat aan het niet afgeloste deel kan worden toegerekend op grond van artikel 20c, zestiende lid, van de Wet aangemerkt als een negatief vervreemdingsvoordeel. Op grond van artikel 20h, zesde lid, van de Wet wordt een dergelijk negatief vervreemdingsvoordeel in geval van ontbinding van de vennootschap in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid.

4.6.6. Eiser heeft gesteld dat hij in het kader van het faillissement van [A. B.V.]. de vordering heeft prijsgegeven. De rechtbank acht aannemelijk dat deze stelling juist is. De vordering is jarenlang voor circa f 7 miljoen opgenomen in eisers aangiften ib/vb tot en met 1997/1998 en, als schuld aan eiser, in de aangiften voor de vennootschapsbelasting tot en met 1996 van [A. B.V.]. In de loop van 1997 is het faillissement van [A. B.V.]. aangevraagd; deze vennootschap is op 4 februari 1998 failliet verklaard (zie 2.1.1.). Verweerder heeft niet gesteld en de rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat [A. B.V.]. haar schuld aan eiser na 1997 heeft afgelost. De omstandigheid dat de vordering niet meer voorkomt in de aangiften ib/vb 198/1999 en 1999 2000 geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen, omdat aannemelijk is dat dit verband houdt met de omstandigheid dat de vordering onvolwaardig was. Voorts heeft eiser onweersproken gesteld dat de vereffening van [A. B.V.]. in 2000 is voltooid, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

4.6.7. Naar het oordeel van de rechtbank leiden de in 4.6.6. gegeven oordelen ertoe dat eiser voor 2000 een verlies uit aanmerkelijk belang heeft geleden ter grootte van de verkrijgingsprijs van zijn vordering, verminderd met eventuele aflossingen tussen het moment waarop de vordering is ontstaan tot de datum van de vereffening van het faillissement. De rechtbank gaat er hierbij van uit dat de omstandigheid dat de vordering eerst vanaf de wijziging van het aanmerkelijk belangregime tot het aanmerkelijk belang is gaan behoren niet tot gevolg heeft dat de waarde in het economische verkeer per 1 januari 1997 als verkrijgingsprijs heeft te gelden maar dat de historische “kostprijs” van de vordering als verkrijgingsprijs in aanmerking moet worden genomen. Dit oordeel stemt overeen met de opvatting van de staatssecretaris van Financiën, neergelegd in het Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, onderdeel G.1, VN 1997, blz. 4101, punt 12.

4.6.8. Eiser heeft gesteld dat de vordering in 2000 f 7.397.212 bedraagt en dat de vordering de resultante is van een aantal financiële transacties en grondtransacties waarbij eiser in 1987 een perceel grond in [plaats A.] aan [A. B.V.]. heeft verkocht voor f 7.320.000. Verweerder heeft het bestaan van de vordering in 2000 bestreden omdat eiser geen leningovereenkomst heeft overgelegd, de vordering niet voorkomt in de aangiften ib/vb van eiser voor 1998/1999 en 1999/2000 en de vordering ook niet is aangemeld bij de curator van het faillissement.

4.6.9. Verweerder heeft hetgeen eiser stelt met betrekking tot het ontstaan van de vordering in 1987 niet, althans niet gemotiveerd, bestreden. De rechtbank acht de ontstaansgeschiedenis aannemelijk en overweegt met betrekking tot de omvang van de vordering dat de tot de gedingstukken behorende aangiften ib/vb van eiser en de aangiften voor de vennootschapsbelasting van [A. B.V.]. alle een vordering respectievelijk een schuld aangeven tot bedragen die niet in betekende mate afwijken van het gestelde bedrag van f 7.320.000. De vordering bedroeg blijkens de aangifte ib/vb 1997/1998 f. 7.397.212. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de verkrijgingsprijs van de vordering in 1987 f 7.320.000 bedroeg. Aan dit oordeel doet niet af dat eiser geen leningsovereenkomst heeft overgelegd. Met betrekking tot het verschil tussen (het restant van) de vordering die is ontstaan in 1987 en f 7.397.212 heeft verweerder niet gesteld dat de verkrijging daarvan voor een lagere dan de nominale waarde heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht dat ook niet aannemelijk.

4.6.10. Vervolgens is de vraag aan de orde of de vordering geheel of gedeeltelijk is afgelost. Partijen hebben hieromtrent geen expliciete stellingen betrokken. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Uit de in 2.3. weergegeven notariële afrekening van 6 juni 1997 blijkt dat [A. B.V.]. de grond die zij in 1987 voor f 7.320.000 van eiser heeft gekocht, heeft verkocht voor f 3.130.000. Hieruit kan niet worden afgeleid dat bij de verkoop van de grond een deel van de vordering is afgelost. De afrekening maakt eerder het tegendeel aannemelijk omdat daaruit blijkt dat met de verkoopopbrengst hypothecaire schulden aan banken zijn afgelost en niet dat uit hoofde van de transactie gelden aan eiser zijn overgemaakt.

De rechtbank leidt uit de aangiften ib/vb 1992/1993 tot en met 1997/1998 (zie 2.2.2.) af dat de in 1987 ontstane vordering per 1 januari 1998 grotendeels in stand gebleven is. Weliswaar is in de laatste drie aangiften bij het bedrag van de vordering de aanduiding `nominaal´ toegevoegd, maar de rechtbank acht aannemelijk dat deze aanduiding is toegevoegd in verband met de financiële problemen van [A. B.V.]. naar aanleiding waarvan in 1997 haar faillissement is aangevraagd. Met name op grond van de aangifte ib/vb 1997/1998 acht de rechtbank aannemelijk dat de vordering op 1 januari 1998 f 7.397.212 bedroeg. Gelet op het faillissement van [A. B.V.], acht de rechtbank niet aannemelijk dat de vordering in 1998, 1999 of 2000 geheel of gedeeltelijk is afgelost.

4.6.11. Nu eiser onweersproken heeft gesteld dat de vereffening van [A. B.V.]. in 2000 is voltooid, oordeelt de rechtbank op grond van het voorgaande dat eiser in 2002 een verlies uit aanmerkelijk belang heeft geleden van f 7.397.212 en dat 25% van dat bedrag, dat is f 1.849.303, op de voet van artikel 60, eerste lid, van de Wet verrekenbaar is met de belasting die eiser over zijn belastbare inkomen voor 2000 is verschuldigd. Onder belasting wordt in dit verband mede verstaan de in de aanslag voor 2000 begrepen premie volksverzekeringen (zie artikel 60, zesde lid, van de Wet). De over eisers belastbare inkomen voor 2000 verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen bedraagt f 916.115 (zie 4.5.9. en 2.7.5.). Na verrekening van het verlies uit aanmerkelijk belang resteert voor 2000 een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van nihil. Het niet verrekende bedrag bedraagt f 1.849.303 verminderd met f 916.115, dat is f 933.188. De rechtbank zal dit bedrag op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet vaststellen.

4.7. Slotsom

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is.

De rechtbank zal:

- de aanslag 2000 verminderen tot nihil (zie 4.6.11); en

- het ter zake van een verlies uit aanmerkelijk belang met andere jaren te verrekenen bedrag vaststellen op f 933.188 (zie 4.6.11).

De verliesvaststellingsbeschikking en de verliesverrekeningsbeschikking voor 2000 ten bedrage van respectievelijk f nihil en f 1.051.082 blijven in stand (zie 4.5.9.).

5. Proceskosten

5.1. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in zijn kosten van bezwaar en beroep. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar af omdat niet gebleken is dat eiser voor het doen van de uitspraak op het bezwaar om vergoeding van deze kosten heeft verzocht (zie artikel 7:15, tweede lid, van de Awb).

5.2. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.449 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting, ½ punt voor het verstrekken van nadere inlichtingen en een ½ punt voor het verschijnen op de tweede zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1,5). Overige op grond van het Besluit aan eiser te vergoeden proceskosten zijn niet gesteld.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag voor het jaar 2000 tot nihil;

- stelt het ter zake van een verlies uit aanmerkelijk belang met andere jaren te verrekenen bedrag vast op f 933.188;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.449, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen; en

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 oktober 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, mr. S.C. Stuldreher en mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.