Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9559

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/5753 LB/PVV en AWB 06/5754 LB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Ingevolge tekst, doel en strekking van artikel 5a, van het URLB 1990, onderscheidenlijk artikel 47 van de URLB 2001, moet de in die artikelen bedoelde specificatie vóóraf en op eigen initiatief van de inhoudingsplichtige moet worden opgemaakt, ook ingeval de inspecteur niet om het in hetzelfde artikel bedoelde steekproefsgewijze onderzoekt verzoekt. Omdat eiseres een vaste vergoeding aan haar werknemer niet op de voorgeschreven wijze heeft gespecificeerd, behoort deze tot het loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0873
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/5753 LB/PVV en AWB 06/5754 LB/PVV

Uitspraakdatum: 7 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1 Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonbelasting) ter grootte van € 7.934 opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 1.983. Voorts heeft verweerder in verband met deze naheffingsaanslag bij beschikking € 861 hef-fingsrente in rekening gebracht.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 mei 2006 de naheffingsaanslag en bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2006 de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brieven van 8 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 9 juni 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2007. Namens eiseres is mr. [...] daar verschenen. Namens verweerder is mr. [...] verschenen, bijgestaan door [...] en [...].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiseres is opgericht op [datum] 1986. Vanaf 1 november 2000 is [A], geboren te [plaats] op [datum] 1949 (hierna: [A]), bij eiseres in dienstbetrekking en werkzaam als directeur. In verband met zijn werkzaamheden voor eiseres gedurende de jaren 2000 tot en met 2004 ontving [A] onder meer een vaste onkostenvergoeding van aan-

vankelijk ƒ 250, en later € 113,45, per maand (hierna: de vaste vergoeding). Eiseres heeft de vaste vergoeding niet tot het loon gerekend.

2.2 In 2001 is door gak nederland bv bij eiseres een looncontrole uitgevoerd. Van deze controle is op 26 juli 2001 een rapport uitgebracht waarvan een deel in kopie tot de gedingstukken behoort. Aangaande de vaste vergoeding wordt in dit rapport het volgende vermeld:

'De vergoeding is bedoeld ten behoeve van de zakelijke kosten onderweg, (...), met name lunches, parkeerkosten, telefoonkosten en representatiekosten. Daarnaast worden kosten, die niet worden geacht te zijn begrepen in de onkostenvergoeding, onder overlegging van kwitanties vergoed.

Gelet op het feit dat de heer [A] en (...) een inkomen geniet(en), welke is gelegen boven het maximum dagloon voor de sociale verzekeringswetten, is geen inhoudelijke beoordeling gemaakt van de onkostenvergoeding voor deze werk-nemer(s).

De werkgever is wel gewezen op de verplichting om de onkostenvergoeding te onderbouwen middels het periodiek bijhouden van de werkelijke kosten. Dat wil zeggen minimaal elke vijf jaar en bij veranderende omstandigheden.'

2.3 Vanaf 20 mei 2005 heeft verweerder bij eiseres een onderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. Van dit onderzoek is op 31 augustus 2005 een rapport uitgebracht (hierna: het controlerapport), dat in kopie tot de gedingstukken behoort. In het controle-rapport wordt onder meer het volgende vermeld:

'In het controlejaar geniet de heer [A] een vaste belastingvrije kostenvergoeding van € 113,45 per maand. (...)

Naar aanleiding van het onderzoek is gebleken dat de uitgaven die uit de vaste kostenvergoeding dienen te worden bestreden, niet door [X] BV naar soort en omvang zijn gespecificeerd en derhalve niet schriftelijk zijn vastgelegd. Daarnaast heeft [X] BV nimmer een toets gehouden (...) ter onderbouwing van die kostenvergoeding (...)

Op basis van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 47 URLB.

Dit houdt in dat de vaste onkostenvergoeding van de betreffende werknemer [A] als bovenmatige vergoeding wordt aangemerkt. De uitbetaalde aan vaste kostenvergoedingen over het controlejaar worden alsnog in de loonheffing betrokken.

(...)

Om de volgende reden stel ik mij op het standpunt dat gesproken kan worden van grove onachtzaamheid: de regelingen met betrekking tot het genoemde onderwerp is van algemene bekendheid. De omstandigheden waaronder een onbelaste vergoeding kan worden gegeven uitvoerig toegelicht in de jaarlijks aan de inhoudingsplichtige gezonden handleiding. De inhoudingsplichtige heeft ten aanzien van het genoemde onderwerp niet de zorgvuldigheid in acht genomen die minimaal mag worden verwacht en dat is zodanig verwijtbaar dat gesproken kan worden van grove schuld.'

3. Geschil

3.1 In geschil is of verweerder de vaste kostenvergoeding terecht tot het loon heeft gerekend. Verder is in geschil of de vergrijpboete en de heffingsrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en in rekening gebracht.

3.2 Ter motivering van haar standpunt heeft eiseres - zakelijk weergegeven - aange-voerd dat het feit dat geen steekproef heeft plaatsgevonden nog niet betekent dat [A] geen kosten heeft gemaakt die tot de vrije vergoedingen behoren en dat aan [A] aan-slagen inkomstenbelasting zijn opgelegd omdat de feiten over de vaste onkostenvergoeding bij verweerder bekend waren en naheffing van loonbelasting daarom niet mogelijk is. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het stellen van grove schuld in schril contrast staat met het zonder onderzoek regelen van de aanslagen inkomstenbelasting en dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat tot het beboetbare feit.

3.3 Verweerder heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat aan de voorwaarden voor een onbelaste vaste vergoeding niet wordt voldaan, dat niet alle door eiseres genoemde kosten zakelijk zijn en bovendien zo hoog dat een vaste vergoeding daarvoor niet gebruike-lijk is. Verder heeft verweerder betoogd dat de bevindingen uit het boekenonderzoek een nieuw feit vormen en dat de aanslagen in inkomstenbelasting in overeenstemming met de daarvoor ingediende aangiften, waarin de vaste vergoeding niet aan de orde is gesteld, zijn opgelegd. In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op standpunt gesteld dat de nahef-fingsaanslag met € 1.703 moet worden verminderd, omdat [A] eerst vanaf 1 november 2000 bij eiseres in dienst is en de vaste vergoeding over de daaraan voorafgaande tien maanden dus ten onrechte in de correctie is betrokken.

3.4 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uit-spraak op bezwaar en herroeping van de belastingaanslag en de boete.

3.5 Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 6.231 en tot vermindering van de boete tot 25 procent van het belastingbedrag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 5a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: URLB 1990), onderscheidenlijk artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001) behoren vaste vergoedingen niet tot het loon, voorzover deze per kosten-categorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.

4.2 Ingevolge artikel 20, eerste lid, eerste volzin en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), kan de loonheffing die niet, of gedeeltelijk niet is betaald, bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen, worden nageheven. Een zogenoemd nieuw feit, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de AWR, is daarvoor niet vereist. De naheffing mag niet in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of met enig ander rechts-beginsel.

4.3 Naar het oordeel van de rechtbank laten tekst, doel en strekking van artikel 5a, van het URLB 1990, onderscheidenlijk artikel 47 van de URLB 2001, geen andere conclusie toe dan dat de in die artikelen bedoelde specificatie vóóraf en op eigen initiatief van de inhou-dingsplichtige moet worden opgemaakt, zodat op het moment waarop een vaste vergoeding wordt toegekend, althans uiterlijk op het moment waarop deze voor het eerst aan de werk-nemer wordt uitbetaald, duidelijk is waarvoor de vergoeding is bestemd. Het vorenstaande geldt ook ingeval de inspecteur niet om het in hetzelfde artikel bedoelde steekproefsgewijze onderzoekt verzoekt.

4.4 Vaststaat dat eiseres aan [A] de vaste vergoeding heeft betaald zonder deze tot het loon te rekenen. Uit hetgeen daartoe in het controlerapport is vermeld, moet worden geconcludeerd dat de vaste vergoeding niet op de in artikel 5a, van het URLB 1990, onder-scheidenlijk artikel 47 van de URLB 2001, bedoelde wijze is gespecificeerd. Eiseres heeft dit ook niet gesteld. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat de vaste vergoeding tot het loon behoort. Al hetgeen eiseres in bezwaar en beroep heeft aangevoerd betreffende de kosten die [A] met de vaste vergoeding mogelijk heeft bestreden, kan daaraan niet afdoen. In zoverre is het gelijk dus aan verweerder.

4.5 Eiseres heeft betoogd dat geen ruimte bestaat voor het opleggen van een naheffings-aanslag loonbelasting, omdat voor de jaren 2000 tot en met 2004 aan [A] aanslagen inkomstenbelasting zijn opgelegd en hem, wegens het ontbreken van een zogenoemd nieuw feit, geen navorderingsaanslagen kunnen worden opgelegd. Eiseres heeft daartoe gesteld dat de aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2003 en 2004 zijn opgelegd op een moment dat verweerder al met de feiten over de vaste vergoeding op de hoogte was en dat deze feiten voor verweerder kennelijk ook geen aanleiding waren om navorderingsaanslagen inkomsten-belasting voor de jaren 2000 tot en met 2002 op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit betoog. Loonbelasting wordt ingehouden op het loon van de werknemer en op aan-gifte afgedragen, oftewel betaald, door de inhoudingsplichtige. Dat de vaste vergoeding ten onrechte niet tot het loon is gerekend, heeft tot gevolg gehad dat daardoor te weinig loon-belasting in ingehouden en afgedragen. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, kan deze belasting, naar het oordeel van de rechtbank, worden nageheven bij degene die de belasting had behoren te betalen, oftewel bij eiseres, en is een zogenoemd nieuw feit daarvoor niet vereist.

4.6 Over de jurisprudentie die eiseres heeft genoemd ter ondersteuning van haar stand-punt overweegt de rechtbank het volgende. In zijn arrest van 9 december 1987, nr. 24 090, BNB 1988/73, overwoog de Hoge Raad dat in het wettelijke stelsel geen plaats is voor naheffing van loonbelasting van een belastingplichtige aan wie terecht, doch naar een te laag bedrag, een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd, indien de naheffing betrekking zou hebben op een bedrag dat ten onrechte niet als inkomstenbelasting is geheven. In dit geval heeft de naheffing geen betrekking op een bedrag dat ten onrechte niet als inkomsten-belasting, maar ten onrechte niet als loonbelasting is geheven. In het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1993, nr. 27 812, BNB 1994/106 was ter zake van het loonbestanddeel waar-over loonheffing werd nageheven, aan de desbetreffende werknemer ook een navorderings-aanslag inkomstenbelasting opgelegd, zonder dat de nageheven loonbelasting met die navor-deringsaanslag werd verrekend. Reeds hierom is hetgeen in dat arrest is overwogen in deze zaak niet toepasbaar, omdat aan [A] geen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting zijn opgelegd.

4.7 Waar het betoog van eiseres moet worden verstaan als een beroep op het vertrou-wensbeginsel, faalt het eveneens. Zoals in 4.5 overwogen kan volgens het wettelijke stelsel in een geval als dit, de te weinig betaalde belasting worden nageheven bij de inhoudings-plichtige. Reeds hierom kon eiseres aan het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting aan [A] niet een in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat naheffing van loon-belasting achterwege zou blijven. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, de aanslagen inkomstenbelasting zijn opgelegd in overeenstemming met de door [A] ingediende aangiften en in die aangiften over de vaste vergoeding niets was vermeld.

4.8 Zoals vermeld in 3.3 heeft verweerder zich inmiddels op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 6.231. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

4.9 Over de boete overweegt de rechtbank dat - verweerder heeft daar terecht ook op gewezen - de bij of krachtens de wet gestelde voorwaarden waaronder vergoedingen onbe-last aan een werknemer ter beschikking kunnen worden gesteld, van algemene bekendheid zijn en uitvoerig worden toegelicht in de jaarlijks aan eiseres gezonden handleiding loon-belasting. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van haar als inhoudingsplichtige mag worden verwacht en het daarom aan grove schuld van eiseres te wijten is dat te weinig belasting is betaald. Verweerder heeft, krachtens artikel 67f van de AWR en paragraaf 25, eerste en tweede lid van het BBBB 1998, daarom terecht een vergrijpboete van 25 procent opgelegd. In het controlerapport heeft verweerder het opleggen van de boete gemotiveerd. Met toezending van het controlerapport aan eiseres op 13 september 2005 heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de boete tijdig en op behoorlijke wijze aangekondigd.

4.10 Eiseres heeft betoogd dat de boete moet worden gematigd wegens wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit. Zij heeft daarvoor verwezen naar de wijze waarop de aangiften inkomstenbelasting zijn afgehandeld. Deze handelwijze van verweerder is niet van invloed op de verwijtbaarheid van de gedragingen van eiseres. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de belastbaarheid van de vaste vergoeding in de aangiften inkomstenbelas-ting en bij de afhandeling daarvan niet aan de orde is geweest.

4.11 Gelet op het onder 4.9 en 4.10 overwogene is voor wat betreft de vergrijpboete het gelijk aan verweerder. Wel dient de boete, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.8, te worden verminderd tot 25 procent van € 6.231, dat is € 1.557.

4.12 Op grond van hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat verweerder de heffingsrente op onjuiste wijze in rekening heeft gebracht. Wel dient de heffingsrente te worden verminderd met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.8.

4.13 Al het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep, gelet op het in 3.3 vermelde en hetgeen in verband daarmee is overwogen onder 4.8, 4.9 en 4.10, gegrond dient te worden verklaard. De uitspraken op bezwaar worden vernietigd en de aanslagen en de boete worden verminderd.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Omdat de beroepen op vergelijkbare gronden zijn ingesteld, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 voor professionele rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 322 per punt, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1 voor minder dan vier samenhangende zaken). Voor vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat eiseres in de bezwaarfase daarom niet heeft verzocht.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.231;

- vermindert de vergrijpboete tot € 1.557;

- bepaalt dat de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig wordt verminderd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan om dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) de door eiseres betaalde griffierechten vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.A. Dirks, mr. J.P.F. Slijpen en mr. D.A. Verburg in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.