Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9325

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/1853 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire ambtenarenzaak. Geschil over ingangsdatum militair invaliditeitspensioen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat een pensioen waarvoor de aanvraag niet tijdig is ingekomen niet eerder ingaat dan een jaar vóór de dag van binnenkomst van het verzoek. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, van het bestreden besluit niet gezegd kan worden dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat inmiddels tussen partijen onomstotelijk vaststaat dat eiser volledig invalide is, uitsluitend als gevolg van het dienstongeval van 4 september 1991, dat verweerder direct na het ongeval op de hoogte is gesteld van het ongeval en de toedracht door de VN-commandant van eiser, dat ook indien op dat moment niet duidelijk was welke gevolgen de blootstelling aan Sarin voor eiser zou hebben, ook in 1991 wel algemeen, en dus ook bij verweerder, bekend was dat de blootstelling aan Sarin zeer schadelijke gevolgen kon hebben en dat verweerder geen maatregelen heeft genomen om eventueel later optredende gezondheidsschade als gevolg van het ongeval bij eiser vast te stellen en/of te behandelen. Beroep gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meerlvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/1853 MAW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Eiser, gewezen luitenant-kolonel, is in dienst geweest bij de Koninklijke Landmacht als beroepsmilitair onbepaalde tijd.

2. Bij brief van 16 juli 2003 heeft eiser verweerder verzocht hem in aanmerking te brengen voor een militair invaliditeitspensioen.

3.1 Bij besluit van 9 februari 2005 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen.

3.2 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 februari 2005 bij verweerder bezwaar gemaakt.

4.1 Bij besluit van 30 juni 2006 heeft verweerder eiser te rekenen van

16 juli 2002 een militair invaliditeitspensioen toegekend.

4.2 Bij besluit van 6 juli 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij alsnog aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen zoals aangegeven in het besluit van 30 juni 2006, dat het besluit van 30 juni 2006 hier als ingevoegd en herhaald dient te worden beschouwd. Het bezwaar van eiser van 14 februari 2005 wordt derhalve gegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2005 wordt ingetrokken.

4.3 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 juli 2006, ingekomen bij de rechtbank op 25 juli 2006, beroep ingesteld (reg.nr. AWB 06/6155 MPW).

4.4 Bij brief van 20 december 2006 heeft deze rechtbank het beroepschrift van 24 juli 2006 met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

5. Bij besluit van 7 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en zich op het standpuntgesteld dat het besluit van 30 juni 2006 op goede gronden is genomen.

6. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 maart 2007, ingekomen bij de rechtbank op 12 maart 2007, beroep ingesteld.

7. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

8. Het beroep is op 6 november 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.J.M.G.M. van der Meijden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.H. Souren.

II. Motivering

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser heeft in de periode van 7 augustus 1991 tot 15 september 1991 deel uitgemaakt van de UNSCOM missies 9 en 11 te Irak. Voorafgaand aan deze missies heeft eiser in Bahrein enkele preventieve inentingen ontvangen. Thans kan niet meer worden vastgesteld om welke inentingen het precies is gegaan.

1.2 Tijdens de uitzending is eiser op 9 september 1991 getuige geweest van een ongeval op een Irakese site, waarbij tijdens de ontmanteling van granaten, welke nog een residu van zenuwgas (Sarin) bevatten, een Irakees besmet is geraakt. Tijdens het redden van deze Irakees is eiser ook besmet geraakt. Eiser heeft na de besmetting injecties toegediend gekregen.

1.3 Bij eiser is zes tot negen maanden na terugkeer in Nederland multiple sclerose (M.S.) vastgesteld.

1.4 Op 1 februari 1994 is aan eiser eervol ontslag verleend wegens het bereiken van de leeftijd van 55 jaar.

1.5 Eiser heeft in zijn aanvraag verzocht om een militair invaliditeitspensioen omdat mogelijk verband bestaat tussen de bij hem geconstateerde aandoening en het ongeval in Irak en de als gevolg daarvan gegeven injecties dan wel verband bestaat tussen deze aandoening en de preventieve inentingen.

1.6 Bij besluit van 9 februari 2005 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen omdat geen verband wordt aanvaard tussen de bij eiser geconstateerde aandoening van het centraal zenuwstelsel en de uitoefening van de militaire dienst.

Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt.

1.7 Op 7 juli 2005 heeft de Inspecteur Militaire Gezondheidszorg (IMG) omtrent de klacht van eiser van 10 februari 2005 met betrekking tot het vastgelopen onderzoek bij SMO/ABP een rapport uitgebracht. De IMG is daarin tot de conclusie gekomen dat onjuist moet worden geacht dat geen pogingen in het werk zijn gesteld om in eisers dossier ontbrekende informatie met betrekking tot zijn medische voorgeschiedenis op te sporen, dat het CMH tekortgeschoten is in zijn expertisefunctie, dat het onzorgvuldig is te achten dat de neuroloog erg summier en bij herhaling onvolledig is in de onderbouwing van zijn oordeel en dat het niet zorgvuldig is te achten dat zowel bij de neuroloog als gedurende het MGO geen aandacht is geschonken aan eisers twijfel of de diagnose M.S. wel juist is.

1.8 Bij besluit van 30 juni 2006 heeft verweerder eiser te rekenen van 16 juli 2002 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 100%, alsmede een bijzondere invaliditeitsverhoging van 40%.

1.9 Bij besluit van 6 juli 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij alsnog aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen zoals aangegeven in het besluit van 30 juni 2006 en dat dit besluit hier als ingevoegd en herhaald dient te worden beschouwd. Het bezwaar van eiser van 14 februari 2005 wordt derhalve gegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2005 wordt ingetrokken.

Het tegen dit besluit bij brief van 24 juli 2006 ingestelde beroep is door de rechtbank doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

1.10 Bij besluit van 7 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Standpunten van partijen

2.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 15, derde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, een pensioen waarvoor de aanvraag niet tijdig is ingekomen niet eerder ingaat dan een jaar vóór de dag van binnenkomst van het verzoek.

Verweerder heeft in dit kader overwogen dat zich geen omstandigheden hebben voorgedaan waaronder ten aanzien van eiser zodanig onzorgvuldig is gehandeld met als gevolg een tekort gedaan worden in de rechtmatige pensioenaanspraken dat toepassing van artikel 15, derde lid, van het Besluit geen rechtsplicht meer kan zijn.

Voor zover eiser meent dat de ingangsdatum van zijn militair invaliditeitspensioen vastgesteld dient te worden op 9 september 1991, zijnde het moment van de besmetting, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van hetgeen eiser op 4 dan wel 9 september 1991 is overkomen geen proces-verbaal is opgemaakt, dat het de verantwoordelijkheid is van de militair om, indien dit niet is gebeurd, daartoe een verzoek in te dienen. Voorts stelt verweerder dat, voor zover eiser van mening mocht zijn dat hij in 1991 ten onrechte niet is gewezen op de mogelijkheid om een militair pensioen aan te vragen en het de eigen verantwoordelijkheid is van de militair om tijdig zijn pensioenaanspraken geldend te maken. Tevens stelt verweerder dat van neurologische problematiek destijds geen melding werd gemaakt.

Voor zover eiser meent dat de ingangsdatum vastgesteld dient te worden in 1992, zijnde het moment waarop de diagnose M.S. werd gesteld, overweegt verweerder dat gesteld noch gebleken is dat eiser in de periode 1992/1993 kenbaar heeft gemaakt dat de op dat moment bestaande sensibiliteitsstoornissen zijn toe te schrijven aan de uitoefening van de militaire dienst.

Verweerder vraagt zich af welk materieel belang er bij is gediend om de ingangsdatum vast te stellen op een datum gelegen voor het leeftijdsontslag (1 februari 1994), nu eiser de reguliere wedde genoot.

Voor zover eiser meent dat de ingangsdatum vastgesteld dient te worden in 1996, zijnde het moment waarop hij ingevolge de WVG als gehandicapte werd aangemerkt, heeft verweerder overwogen dat eiser destijds geen contact heeft opgenomen met verweerder met het oog op het onderzoeken van een mogelijk verband tussen zijn ziekte en de uitoefening van de militaire dienst.

Er zijn geen aanwijzingen dat eiser zich eerder dan bij brief van 16 juli 2003 tot verweerder heeft gewend.

2.2. Eiser heeft aangevoerd dat de door hem beoogde ingangsdatum van het militair invaliditeitspensioen elk meetbaar moment tussen 9 september 1991 en 16 juli 2002 betreft.

Eiser stelt dat zowel de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zoals neergelegd in de uitspraak van 28 februari 1980, gepublieerd in MRT 1981, blz. 247, als artikel 22 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen hiervoor ruimte biedt.

Met betrekking tot het proces-verbaal stelt eiser zich op het standpunt dat door de bevoegde autoriteiten in Irak wel een melding is gedaan aan de chef Defensiestaf en aan de Minister van Defensie. De directe chef van eiser heeft diens directe chef, de VN-ambassadeur [Y] gerapporteerd omtrent het ongeval met het zenuwgas. Deze heeft op 18 september 1991 gerapporteerd aan de Minister van Defensie. Het melden van een ongeval op een zodanig niveau brengt met zich mee dat het opmaken van een proces-verbaal dient plaats te vinden. Tot op heden is het medisch dossier van eiser uit de periode in Irak zoek. Uiteindelijk zijn in februari 2007 enkele onderdelen van het proces-verbaal (UNSCOM) van het ongeval teruggevonden. Eiser meent dat er wel degelijk een adequaat rapport voorhanden was dat op zodanig niveau bij verweerder bekend was, dat onder alle omstandigheden een rapport van ongeval had behoren te worden opgesteld.

Eiser erkent dat hij in 1991 nog geen klachten had, maar dat na ongeveer zes maanden wel klachten zijn opgekomen. Na doorverwijzing naar een neuroloog van het CMH is de diagnose MS gesteld. Ten tijde van het verlaten van de militaire dienst was sprake van tintelingen door het gehele lichaam. Het is derhalve onbegrijpelijk dat hij bij het verlaten van de dienst niet aan een grondig geneeskundig onderzoek is onderworpen. Indien destijds tot de conclusie was gekomen dat sprake was van een mate van invaliditeit van 80% of meer, had dit grondslag kunnen vormen voor een verzoek om ongeschiktheidsontslag.

Eiser wijst nog op de brief van de Sous Chef Geneeskundige Dienst van 5 februari 1997. Hier lag al de grondslag om eiser door te verwijzen voor een militair invaliditeitspensioen.

Tenslotte stelt eiser dat de Bevelhebber der Landstrijdkrachten eisers brief van 13 februari 2003 ambtshalve had dienen door te zenden naar het Abp. Het invaliditeitspensioen had dan vier maanden eerder kunnen ingaan.

3. Beoordeling

3.1 Met ingang van 31 januari 2001 is in werking getreden de Kaderwet militaire pensioenen (hierna: de Kaderwet). Ingevolge artikel 7 van de Kaderwet juncto artikel I van het Besluit intrekking van een aantal wetten op het gebied van militair pensioen is de Algemene militaire pensioenwet (hierna: AMPw) met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen steunende Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Stb. 2001, 140, hierna verder te noemen: het Besluit) heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.

3.2 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Besluit - voor zover hier van belang - worden de pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen toegekend op aanvraag van de belanghebbende.

3.3 Ingevolge artikel 15, tweede lid, van het Besluit - voor zover hier van belang - gaan de pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen in op de dag waarop het recht ontstaat.

3.4 Ingevolge artikel 15, derde lid, van het Besluit gaat, in afwijking van het tweede lid, een pensioen, een verhoging of een toelage waarvoor de aanvraag niet tijdig is ingekomen niet eerder in dan een jaar voor de dag van binnenkomst van het verzoek.

3.5 Artikel 15, derde lid, van het Besluit is een voorschrift van imperatieve aard. In zijn uitspraak van 28 februari 1980 heeft de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot artikel U 1, zevende lid, van de AMPw, welk artikellid ten aanzien van de ingangsdatum van een ingevolge die wet toe te kennen invaliditeitspensioen een zelfde bepaling inhield als thans artikel 15, derde lid, van het Besluit, vastgesteld dat de imperatieve aard niet wegneemt dat zich omstandigheden kunnen voordoen, waaronder ten aanzien van de belanghebbende zodanig onzorgvuldig is gehandeld met als gevolg een tekort gedaan worden in rechtmatige pensioenaanspraken dat toepassing van dit voorschrift geen rechtsplicht meer kan zijn. De rechtbank is met eiser van oordeel dat onder bijzondere omstandigheden ook de toepassing van artikel 15, derde lid, van het Besluit geen rechtsplicht meer kan zijn.

Tussen partijen is in geschil of in het onderhavige geval sprake is van dergelijke omstandigheden.

3.6 Tussen partijen is niet in geschil dat eisers invaliditeit het gevolg is van het eiser op 4 september 1991 overkomen ongeval. Hoewel dit eerst bij besluit van 24 juli 2006 is vastgesteld staat ook verweerder thans op het standpunt dat de besmetting met zenuwgas, waaraan eiser in september 1991 is blootgesteld tijdens de uitoefening van de hem opgedragen taken in de militaire dienst, de oorzaak is van de beperkingen, die eiser sedert 1992 ondervindt en welke sedertdien hebben geleid tot volledige invaliditeit.

3.7 Verweerder heeft er ter onderbouwing van het standpunt dat jegens eiser niet onzorgvuldig is gehandeld op gewezen dat van het ongeval geen proces-verbaal als bedoeld in de Regeling processen-verbaal inzake aan militairen overkomen ongevallen (Ministeriële regeling van 6 mei 1985, DMPZ/P&W, nr. PZ 85/113/2 195) is opgemaakt en dat eiser zelf ook niet heeft aangedrongen op het opmaken van een proces-verbaal. Verweerder heeft gewezen op de in artikel 2 van deze regeling voor de militair opgenomen verplichting om, zodra hij daartoe redelijkerwijs in staat is, kennis te geven van een hem overkomen ongeval aan zijn commandant.

De rechtbank overweegt dat eiser is uitgezonden als wapeninspecteur onder auspiciën van de Verenigde Naties. Hij was als enige Nederlandse militair aanwezig bij het ongeval en stond onder commando van ambassadeur [Y], Executive Chairman, Office of the Special Commission. Deze laatste heeft bij brief van 18 september 1991 de minister van Defensie op de hoogte gesteld van het ongeval en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, met een expliciete dankbetuiging aan het adres van eiser. Verweerder heeft verder niet betwist dat het medisch dossier van eiser voor wat betreft de Irakese periode zoek is, maar dat in februari 2007 onderdelen hieruit zijn teruggevonden, waaronder het door eiser overgelegde in het Engels opgestelde stuk met de titel “UNSCOM 12 ACCIDENT AT MUTHANNA – 4 SEPTEMBER 1991”, waarin een exacte beschrijving staat van het gebeurde met een schets van de situatie. Verweerder was derhalve bekend met het ongeval en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Het gegeven dat eiser ten tijde van het ongeval dienst deed als wapeninspecteur bij een internationaal onderdeel onder auspiciën van de Verenigde Naties en niet bij een Nederlands onderdeel met een Nederlandse commandant betekent dat verweerder, voor zover niet kon worden volstaan met de door (de commandant van) UNSCOM 12 verstrekte gegevens, zelf had moeten zorg dragen voor het opmaken van een proces-verbaal als bedoeld in de eerder genoemde regeling. De door UNSCOM 12 verstrekte gegevens geven overigens, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende informatie over het ongeval en de omstandigheden, waaronder dit heeft plaatsgevonden.

3.8 Vast staat dat eiser niet eerder dan op 16 juli 2003 een aanvraag om een militair invaliditeitspensioen heeft ingediend bij verweerder.

Hoewel daarover thans geen verschil van mening meer bestaat, is duidelijk dat eiser en verweerder beiden lange tijd in onwetendheid hebben verkeerd over de oorzaak van eisers invaliditeit. Dit verklaart zowel het feit dat eiser eerst in 2003 heeft verzocht om een militair invaliditeitspensioen, als het feit dat verweerder eerst naar aanleiding van die aanvraag een beslissing hierover heeft genomen. Verweerder stelt terecht dat er voor hem voor de aanvraag van 16 juli 2003 geen signalen waren dat er in dit opzicht een actieve rol voor hem was weggelegd (de rechtbank laat hierbij de brief 13 februari 2003 aan de Bevelhebber der Landstrijdkrachten buiten beschouwing). De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door eerst naar aanleiding van eisers aanvraag een beslissing te nemen over eisers aanspraak op een invaliditeitspensioen. Bij het nemen van deze beslissing heeft verweerder echter niet in zijn overwegingen betrokken dat ook eiser eerst in 2003 over voldoende wetenschap beschikte om een (gemotiveerde) aanvraag om een invaliditeitspensioen in te dienen. Eiser heeft ook door overlegging van een aantal wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp aannemelijk gemaakt dat hij eerst ten tijde van de aanvraag over die wetenschap kon beschikken. Door ook in deze omstandigheden onverkort vast te houden aan artikel 15, derde lid, van het Besluit komt het risico van deze onwetendheid volledig voor rekening van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, van het bestreden besluit daarom niet gezegd kan worden dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat inmiddels tussen partijen onomstotelijk vaststaat dat eiser volledig invalide is, uitsluitend als gevolg van het dienstongeval van 4 september 1991, dat verweerder direct na het ongeval op de hoogte is gesteld van het ongeval en de toedracht door de VN-commandant van eiser, dat ook indien op dat moment niet duidelijk was welke gevolgen de blootstelling aan Sarin voor eiser zou hebben, ook in 1991 wel algemeen, en dus ook bij verweerder, bekend was dat de blootstelling aan Sarin zeer schadelijke gevolgen kon hebben en dat verweerder geen maatregelen heeft genomen om eventueel later optredende gezondheidsschade als gevolg van het ongeval bij eiser vast te stellen en/of te behandelen.

3.9 Vorenstaande betekent dat het beroep gegrond behoort te worden verklaard en het bestreden besluit behoort te worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op eisers bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder heeft naar aanleiding van hetgeen eiser met betrekking tot de ingangsdatum van het pensioen heeft aangevoerd aangegeven dat eiser in ieder geval geen belang heeft bij toekenning van een invaliditeitspensioen met ingang van een voor de ontslagdatum gelegen datum. Dit standpunt acht de rechtbank juist. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 966,00, waarbij een punt is toegekend voor het indienen van het beroepsschrift en een punt voor het bijwonen van de zitting, het gewicht van de zaak is bepaald op zwaar en de waarde per punt € 322,00 bedraagt.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder nieuw besluit neemt;

gelast dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) het door eiser betaalde griffierecht, ad € 143,00, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

IV Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. E. Kouwenhoven , A.L. Frenkel en Commodore b.d. van de Koninklijke Luchtmacht H.J. Visser, militair lid, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.