Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9105

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
AWB 05/5727 IW
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid 2004. Eiser is in de bezwaarfase niet gehoord. De rechtbank volgt eiser in zijn opvatting dat hij door het niet horen is benadeeld. Verweerder en eiser verschillen nog steeds van mening omtrent de (waardering van de) relevante feiten. Eiser houdt voorts vast aan zijn verzoek om voorafgaand aan het horen op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien, zoals die in het dossier van verweerder aanwezig zijn. Ook overigens is er geen grond aanwezig om van terugwijzing van de zaak af te zien. Verweerder dient opnieuw uitspraak op bezwaar te doen na eiser te hebben gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/34.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5727 IW

Uitspraakdatum: 30 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/[P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser bij beschikkingen van 24 december 2004, nrs. WBA151004F200156 en WBA151004A200155 (hierna: de beschikkingen) op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor de bij de naheffingsaanslagen, vermeld in het hierna opgenomen overzicht, geheven loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PV) en omzetbelasting (hierna: OB). De beschikkingen hebben mede betrekking op de in het onderstaande overzicht per naheffingsaanslag gespecificeerde rente, verzuimboeten en aanmaningskosten.

dagtekening middel tijdvak naheffings- invorde- boete aanmanings-

aanslag ringsrente kosten

25-08-2004 LB apr-jun. 04 € 41.927 € 466 € 4.192 € 3.118

28-09-2004 LB jul. 04 € 10.976 € 82 € 1.097 € 850

26-10-2004 LB aug. 04 € 10.908 € 50 € 1.090 € 844

24-11-2004 LB sep. 04 € 10.776 € 0 € 1.077 € 0

25-08-2004 OB jun. 04 € 6.501 € 72 € 650 € 520

28-09-2004 OB jul. 04 € 5.879 € 44 € 587 € 475

26-10-2004 OB aug. 04 € 7.315 € 33 € 731 € 580

26-11-2004 OB sep. 04 € 6.632 € 0 € 663 € 0.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar van 8 augustus 2005 de beschikkingen gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 12 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 15 augustus 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2007 te 's-Gravenhage. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [...]. Namens verweerder is verschenen [mr C.], bijgestaan door [D.] en [E.]. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 18 september 2001 is opgericht de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A.] B.V. (hierna: de BV). Eiser is vanaf 25 november 2003 enig bestuurder en enig aandeelhouder van de BV. De BV is op 7 september 2005 failliet verklaard.

2.2. De BV hield zich vanaf ultimo 2003 uitsluitend bezig met het uitlenen van personeel aan [B.] B.V. (hierna: [B. B.V.]). [B. B.V.] heeft de voor die diensten door de BV uitgereikte facturen niet volledig betaald. De BV heeft vanaf maart 2004 de LB/PV en OB die zij op aangifte moest afdragen, onderscheidenlijk voldoen, niet meer aan verweerder betaald. Als gevolg daarvan zijn aan de BV de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslagen opgelegd.

2.3. De naheffingsaanslagen zijn berekend conform de door de BV ingediende aangiften LB/PV en OB. Tegen de naheffingsaanslagen en de daarmee in één geschrift verenigde en bekendgemaakte rente- en boetebeschikkingen is geen bezwaar gemaakt.

2.4. Bij brief van 12 juli 2004 heeft verweerder de ontvangst bevestigd van een mededeling van betalingsonmacht van 25 juni 2004 betreffende de LB/PV voor het eerste kwartaal van 2004. In deze brief heeft verweerder de mededeling niet rechtsgeldig verklaard omdat zij niet tijdig is gedaan.

2.5. In een op 19 november 2004 gedateerd formulier, dat door verweerder op 22 november 2004 is ontvangen, heeft eiser een melding betalingsonmacht gedaan voor de door de BV verschuldigde OB over de maanden juni tot en met oktober van 2004. In zijn brief van 15 december 2004 betrekt verweerder de melding op de LB/PV, verschuldigd over het tweede kwartaal van 2004 en de maanden juli, augustus en september 2004, alsmede op de OB, verschuldigd over de maanden juni, juli, augustus, september en oktober 2004 en verklaart hij de melding voor deze belastingbedragen, met uitzondering van de over de maand oktober 2004 verschuldigde OB, niet rechtgeldig omdat zij niet tijdig is gedaan. Voor zover de melding de over de maand oktober 2004 verschuldigde OB betreft, geeft verweerder in de brief aan dat de melding tijdig is en vraagt hij in verband met de beoordeling van de rechtgeldigheid van de melding om de overlegging van een viertal overzichten en een prognose.

2.6. De beschikkingen zijn voorbereid door [persoon F.], een medewerker van verweerder. Het bezwaar tegen de beschikkingen is behandeld door een andere medewerker van verweerder, [mr C.], die op 8 augustus 2005 uitspraak op de bezwaren tegen de beschikkingen heeft gedaan. Eiser is in de bezwaarfase niet gehoord.

3.Geschil

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

3.1.1. Heeft verweerder eiser naar aanleiding van zijn bezwaren op de in de Awb voorgeschreven wijze gehoord?

3.1.2. Heeft verweerder voldaan aan zijn verplichting om eiser te informeren met betrekking tot de belasting waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld?

3.1.3. Heeft verweerder terecht eiser voor de onder 1.1. genoemde bedragen aansprakelijk gesteld?

3.2. Eiser beantwoordt de onder 3.1 vermelde vragen ontkennend en voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

Verweerder heeft in strijd met artikel 7:2 van de Awb verzuimd om eiser te horen, waardoor eiser ook niet voorafgaand aan het horen de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft kunnen inzien. Anders dan verweerder stelt waren de bezwaren niet kennelijk ongegrond. Dit blijkt uit het feit dat verweerder in de uitspraken op bezwaar nieuwe argumenten geeft ter handhaving van de beschikkingen. Eiser is door deze gang van zaken in zijn belangen geschaad.

Verweerder heeft eiser, in strijd met artikel 49, vijfde lid, van de IW, artikel 49, paragraaf 2, zesde lid van de Leidraad Invorderingswet 1990 (hierna: LI) en de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 13 augustus 2004, nr. DGB 2004/4015U, V-N 2004/42.1, niet op de hoogte gesteld van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.

Eiser heeft tijdig voldaan aan zijn meldingsplicht als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de IW. Door de melding van betalingsonmacht van 25 juni 2004 is verweerder op de hoogte geraakt van de betalingsonmacht van de BV; daarna was geen nadere melding nodig.

Er is geen sprake van aan eiser te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De door verweerder aan eiser verweten gedragingen betreffen andere vennootschappen dan de BV en hebben zich niet voorgedaan in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling, genoemd in artikel 36, derde lid, van de IW.

Er is geen causaal verband tussen de aan eiser verweten handelingen en het niet betalen van de bedragen waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld.

Eiser betwist de onderliggende naheffingsaanslagen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Verweerder heeft in strijd met artikel 36, § 1, derde lid, van de LI geen contact opgenomen met de curator in het faillissement van de BV.

Verweerder heeft ten onrechte nooit iets ondernomen tegen [B. B.V.].

3.3. Verweerder beantwoordt de onder 3.1. vermelde vragen bevestigend en voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

Verweerder heeft van het horen afgezien, omdat niet werd verwacht dat dit nog een nader licht zou werpen op de relevante feiten en omstandigheden. Ook zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken inmiddels in bezit van eiser. Het verzuim van het niet-horen is daardoor hersteld. Overigens is eiser niet geschaad in zijn belangen, want de werkwijze binnen [B. B.V.] en aan haar gelieerde vennootschappen, waarop de aansprakelijkstellingen zijn gebaseerd, is hem bekend.

Nadat de Officier van Justitie verweerder op 9 februari 2006 had medegedeeld dat de processen-verbaal uit het strafrechtelijk onderzoek konden worden overgelegd, is het volledige strafrechtdossier aan de gemachtigde van eiser toegezonden. Van een schending van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, artikel 49, vijfde lid, van de IW, artikel 49, § 2, zesde lid van de LI en de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 13 augustus 2004, nr. DGB 2004/4015U, V-N 2004/42.1, is geen sprake.

Er is niet voldaan aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de IW. De niet-rechtsgeldige meldingen brachten niet mee dat eiser met betrekking tot nadien verschuldigd geworden bedragen van melding van betalingsonmacht kon afzien.

Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Hij heeft een constructie opgezet die erop gericht was de betaling van verschuldigde belasting aan de Belastingdienst te fnuiken. De BV is slechts één in een reeks van vennootschappen die eiser voor deze constructie heeft gebruikt. Eiser heeft als bestuurder de belangen van de schuldeisers van de BV, in het bijzonder verweerder, stelselmatig verwaarloosd. Er is een duidelijk causaal verband tussen de aan eiser verweten handelingen en het niet betalen van de bedragen waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld. Daarbij kan de BV niet los worden gezien van het [B. B.V.]-concern. De hoogte van de aansprakelijkstellingen is correct.

3.4. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing naar verweerder. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat verweerder eiser niet heeft gehoord alvorens op het bezwaar van eiser te beslissen. Naar volgt uit onder meer HR 18 april 2003, nr. 37 790, BNB 2003/367, kan de rechtbank, ingeval eiser op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord, aan dat verzuim voorbijgaan, mits zij van oordeel is dat de eiser door de gang van zaken niet is benadeeld. Ter onderbouwing van dat oordeel kan de rechtbank niet volstaan met de enkele redengeving dat het verzuim reeds is hersteld doordat de eiser zijn bezwaren in beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten. Deze omstandigheid zal echter in de regel wel voldoende zijn, indien de rechtbank tevens vaststelt dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de partijen (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de verweerder geen beleidsvrijheid toekomt.

4.2. De rechtbank volgt eiser in zijn opvatting dat hij door het niet horen is benadeeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder en eiser nog steeds van mening verschillen omtrent de (waardering van de) relevante feiten. Zo houdt hen onder meer verdeeld op welk(e) moment(en) eiser (een) melding(en) van betalingsonmacht heeft gedaan en of deze melding(en) tijdig en rechtsgeldig zijn gedaan, en voorts of er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Eiser houdt voorts vast aan zijn verzoek om voorafgaand aan het horen op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien, zoals die in het dossier van verweerder aanwezig zijn. De in dit verband door verweerder ingenomen stelling dat eiser thans over alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikt, wordt door eiser nog steeds bestreden en kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat er geen reden (meer) is voor terugwijzing. Hetzelfde geldt door stelling van verweerder dat eiser volledig op de hoogte is van de werkwijze binnen [B. B.V.] en aan haar gelieerde vennootschappen. Eiser heeft de visie van verweerder op die feiten immers uitvoerig en gemotiveerd bestreden.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de onder 3.1.1. genoemde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. De overige in geschil zijnde vragen komen niet aan de orde. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Nu niet bij voorbaat vaststaat dat eiser, ook zonder dat hij opnieuw in de bezwaarfase wordt gehoord, in het gelijk moet worden gesteld, eiser op terugwijzing van de zaak heeft aangedrongen en de rechtbank ook overigens geen goede grond aanwezig acht om van terugwijzing van de zaak af te zien, zal de rechtbank verweerder opdragen opnieuw op de bezwaren van eiser te beslissen, doch niet dan nadat hij eiser alsnog op juiste wijze heeft gehoord.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleing verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van een hogere vergoeding. Tevens dient aan eiser het gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op opnieuw uitspraak op de bezwaren van eiser te doen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 805 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiser dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. E.J.W. Heithuis en mr. M.A. Dirks in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.