Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC8831

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/4706 MAWKLA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BI5310, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 28 Voorzieningenstelsel buitenlands defensiepersoneel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/4706 MAWKLA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats A.] (Duitsland), eiser,

en

de Commandant der Landstrijdkrachten, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft bij rekest van 3 februari 2007 verzocht om verlenging van de periode van het aan hem toegekende behoud van emolumenten verbonden aan de plaatsing in Duitsland.

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2007 tot de dag dat hij zijn woning in Nederland kan betrekken – doch uiterlijk tot 1 mei 2007 – aanspraak verleend op de toelage-buitenland en de overige financiële voorzieningen ter zake van een plaatsing in Duitsland. In het besluit is opgenomen dat deze termijn niet nogmaals zal worden verlengd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 maart 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 30 oktober 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is met bericht niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot.

II. Motivering

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiser is voor onbepaalde tijd in dienst als burgermedewerker van verweerder en was sinds 1 januari 1995 voor onbepaalde tijd geplaatst op de legerplaats [B.] te Duitsland. In verband met die overplaatsing heeft eiser zich gevestigd in [woonplaats A.] (Duitsland). In het kader van de (aanstaande) sluiting van de legerplaats per 1 januari 2007 is eiser met ingang van 1 juli 2006 geplaatst in [plaats C.]. Bij rekest van 24 maart 2006 heeft eiser voor de periode dat hij na 1 juli 2006 nog in Duitsland woont verzocht om behoud van de toelage-buitenland en de overige financiële voorzieningen ter zake van een plaatsing in Duitsland. Bij besluit van 15 september 2006 heeft verweerder met toepassing van artikel 28 van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) eiser vanaf de datum plaatsing in Nederland tot de datum dat eiser naar verweerders oordeel passende woonruimte heeft kunnen verkrijgen doch uiterlijk tot en met 31 december 2006 aanspraak verleend op de toelage-buitenland en de overige financiële voorzieningen ter zake van een plaatsing in dat gebied. Blijkens dat besluit is de aanspraak verleend omdat eiser heeft aangetoond meerdere pogingen te hebben ondernomen om in Nederland een (huur)woning te verkrijgen. Voorts is in dat besluit opgenomen dat de gestelde termijn niet zal worden verlengd, tenzij eiser door middel van aanvullende schriftelijke verklaringen aantoont dat hij – ondanks de door hem aangetoonde pogingen – binnen deze termijn niet heeft kunnen verhuizen.

Bij rekest van 3 februari 2007 heeft eiser het onderhavige verzoek ingediend.

Blijkens het thans bestreden besluit van 11 juni 2007 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 28 van het VBD tot 1 mei 2007 in het genot gelaten van de buitenlandtoelage en overige voorzieningen ter zake van een plaatsing in Duitsland. Verweerder is tot dit besluit gekomen omdat eiser korter dan één jaar voor zijn overplaatsing te horen heeft gekregen dat hij in [plaats C.] zou worden geplaatst.

2. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat hij van mening is dat verweerder hem ook na 1 mei 2007 in het genot van de buitenlandtoelage moet laten, nu hij laat is geïnformeerd over zijn overplaatsing naar [plaats C.] en het moeilijk is om in die omgeving een huurwoning te vinden. Voorts betwist eiser dat hij heeft aangegeven af te zien van de mogelijkheid zijn bezwaar nader toe te lichten tijdens een hoorzitting.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1. In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren van eiser tegen de beëindiging van zijn aanspraak op een buitenlandtoelage en overige voorzieningen ter zake van plaatsing in Duitsland per 1 mei 2007 ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers aanspraak op een buitenlandtoelage en overige voorzieningen ter zake van een plaatsing in Duitsland op grond van artikel 5 is vervallen, omdat eiser met ingang van 1 juli 2006 in [plaats C.] is geplaatst. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of verweerder in het geval van eiser toepassing had moeten geven aan het bepaalde in artikel 28 van het VBD.

3.3. Ingevolge artikel 28 van het VBD is de Minister bevoegd te beslissen in die gevallen waarin deze regeling naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet.

3.4. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 28 van het VBD neergelegde bevoegdheid een discretionaire bevoegdheid betreft, waarbij aan verweerder beoordelingsruimte wordt gelaten. Deze bevoegdheid brengt vervolgens mee dat voor de rechtbank ter toetsing staat of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

3.5. De rechtbank overweegt dat de bewuste bepaling ziet op individuele gevallen waarin de bijzondere omstandigheden van het geval een afwijking van het bepaalde in het VBD kunnen rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat er in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheid van het moeilijk kunnen vinden van een woning in de omgeving van [plaats C.] onvoldoende argumenten kunnen worden gevonden om te oordelen dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat verweerder hem laat heeft geïnformeerd over zijn overplaatsing naar [plaats C.]. Immers van verweerder kan in redelijkheid niet worden gevraagd de kosten, verbonden aan het verblijf van zijn gezin in Duitsland na eindiging van zijn plaatsing aldaar, blijvend voor zijn rekening te nemen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, eiser als burgermedewerker de unieke gelegenheid heeft geboden om op de kazerne te overnachten en eiser daarnaast een reiskostenvergoeding heeft toegekend.

3.6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van de toepassing van artikel 28 van het VBD voor wat betreft de periode na 1 mei 2007.

3.7. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, overweegt de rechtbank dat op grond van de gedingstukken moet worden vastgesteld dat verweerder in dit geval niet heeft afgezien van een hoorzitting, maar dat verweerder eiser telefonisch heeft gehoord. Tijdens het telefoongesprek van 27 april 2007 heeft eiser, blijkens de gespreksnotitie van dezelfde datum, aangegeven af te zien van een hoorzitting en gesteld alles schriftelijk te hebben toegelicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze gespreksnotitie.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kon verweerder dan ook in redelijkheid besluiten om van het horen van eiser af te zien. Daaruit volgt dat de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte hoorplicht niet is geschonden.

3.8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C. Fetter en in het openbaar uitgesproken op

10 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier Y.E. de Loos.