Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC8525

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/7026 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking/terugvordering bijstandsuitkering WWB. Onjuist toetsingskader. Ondeugdelijke motivering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/7026 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) ingaande 1 oktober 2005 opgeschort.

Bij besluit van 29 oktober 2005 heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de WWB met ingang van 1 oktober 2005 ingetrokken.

Bij besluit van 4 november 2005 heeft verweerder het recht op bijstand ingevolge de WWB over de periode van 1 april 2000 tot en met 30 oktober 2005 herzien (lees: ingetrokken) en van eiser een bedrag van € 13.867,76 teruggevorderd.

Bij besluit van 21 november 2005 heeft verweerder het besluit van 4 november 2005 herzien in die zin dat de daar genoemde periode is gewijzigd in 1 april 2000 tot en met 30 september 2005.

Op 7 maart 2006 heeft eiser opnieuw een uitkering ingevolge de WWB aangevraagd. Bij besluit van 5 april 2006 is deze aanvraag afgewezen.

Het tegen de besluiten van 29 oktober 2005, van 4 november 2005 en 11 november 2005, alsmede tegen dat van 5 april 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juli 2006 ongegrond verklaard.

Hiertegen is bij brief van 18 augustus 2006 beroep ingesteld.

Het beroep is op 23 augustus 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. G.L. Gijsberts, advocaat te Den Haag en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.

Tussenbeslissing

Eisers raadsman heeft ter zitting verzocht een tweetal meegebrachte getuigen te horen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar artikel 8:63, tweede lid, van de Awb, op grond van de overweging dat het horen van deze getuigen, nu van de zijde van de gemachtigde is erkend dat zij niets aan de reeds overgelegde schriftelijke verklaringen zouden kunnen toevoegen, niet kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.

Motivering

Het bestreden besluit van 6 juli 2006 behelst de handhaving van het intrekkingsbesluit van 29 oktober 2005, het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 4 en 11 november 2005 en het besluit tot afwijzing van 5 april 2006.

De intrekking met ingang van 1 oktober 2005

Vastgesteld wordt dat verweerder bij de heroverweging in bezwaar heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand ingevolge de WWB terecht is ingetrokken, omdat eiser onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn financiële situatie waardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld.

Hiermee is verweerder naar het oordeel van de rechtbank van een onjuist toetsingskader uitgegaan.

Het betreft hier een intrekking van het recht op bijstand ingevolge de WWB nadat dit recht is opgeschort. Een besluit dat berust op artikel 54, vierde lid, van de WWB derhalve. Ingevolge die bepaling is verweerder bevoegd om met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort tot intrekking ervan over te gaan, indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de gestelde termijn. De vraag die verweerder had moeten beantwoorden was of in eisers geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon worden gemaakt.

In dat verband is van belang dat tegen het met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB genomen opschortingsbesluit van 14 oktober 2005 geen rechtsmiddel is aangewend. Dat besluit stond in bezwaar derhalve niet ter beoordeling. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) (gewezen wordt op de uitspraak bekend onder LJN: BA7275) staat bij de heroverweging van het intrekkingsbesluit uitsluitend ter beoordeling of betrokkene (verwijtbaar) heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de gevraagde informatie te verstrekken. Die vraag heeft verweerder, door van een onjuist toetsingskader uit te gaan, voor zover het de verwijtbaarheid betreft onbeantwoord gelaten. Ter zitting heeft verweerder nog wel aangevoerd dat er bij het opvragen van bankafschriften altijd van wordt uitgegaan dat de belanghebbende daarover binnen de gestelde termijn redelijkerwijs kan beschikken en dat daarmee de verwijtbaarheid gegeven is, maar een overweging in die bewoordingen is in het bestreden besluit niet terug te vinden.

Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 54, vierde lid van de WWB genomen. Het beroep is alleen al om deze reden gegrond.

De herziening en terugvordering

Vooropgesteld wordt hierbij dat het besluit van 11 november 2005 een wijzigingsbesluit is in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Dit besluit houdt een verbetering in van het besluit van 4 november 2005. Omdat dit besluit niet volledig aan eisers bezwaar tegemoetkomt, moet het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2005 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen dit wijzigingsbesluit. Omdat het wijzigingsbesluit het besluit van 4 november 2005 niet geheel vervangt, behield eiser ook nog belang bij zijn bezwaar tegen laatstgenoemd besluit. Verweerder heeft derhalve terecht aangenomen dat eisers bezwaar beide besluiten omvat.

Vanaf 1 januari 2004 ontleent verweerder aan artikel 54 en artikel 58 van de WWB zijn bevoegdheid het recht op bijstand te herzien of in te trekken en de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand terug te vorderen. De rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen daarbij in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Het voorgaande betekent dat voor wat betreft de inlichtingenplicht artikel 65, eerste lid, van de Abw in de periode van 1 april 2000 tot 1 januari 2005 van toepassing is. De periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 wordt beheerst door artikel 17, eerste lid, van de WWB.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten onrechte slechts artikel 17 van de WWB aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het beroep is in zoverre eveneens gegrond.

In artikel 65, eerste lid, van de Abw, is bepaald dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand (...). Artikel 17, eerste lid, van de WWB is vrijwel gelijkluidend.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, kan verweerder het recht op bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Deze bepaling ziet ook op situaties waarin de inlichtingenplicht van artikel 65, eerste lid, van de Abw is geschonden.

Ingevolge artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB, kan verweerder de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Vastgesteld wordt vervolgens dat eiser sinds 1 april 1988 van verweerder bijstand ontvangt. Bijzonder onderzoek naar aanleiding van rentesignalen van de fiscus heeft opgeleverd dat er - naast de bij verweerder bekende bankrekening - nog een tweetal rekeningen bestonden die eiser bij bijstandsaanvang noch tijdens de bijstandsperiode heeft opgegeven. Met name is hier van belang de niet opgegeven ABN/AMRO-rekening met nummer [nummer]. Uit de overgelegde afschriften van die rekening blijkt gedurende het in geding zijnde tijdvak van aanzienlijke kasstortingen en -opnames.

Naar vaste rechtspraak van de CRvB (verwezen wordt naar JWWB 2005, 7) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een uitkeringsgerechtigde staat de veronderstelling dat het op die rekening staande saldo een bestanddeel is van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Het is in zo'n geval aan de betrokkene om afdoende aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Uit de door eiser overgelegde afschriften blijkt dat sprake is van stortingen en opnames van veelal aanzienlijke bedragen. Eiser heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare stukken inzichtelijk gemaakt op welke wijze de gestorte geldbedragen zijn verkregen, en op welke wijze de opgenomen bedragen zijn besteed. De schriftelijke verklaringen die van [A] en [B] met betrekking tot de gestorte bedragen van € 9.075,60 en van € 12.275,76 zijn overgelegd, zijn naderhand opgemaakt en evenmin met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Daarnaast heeft eiser ter zake tegenstrijdige verklaring afgelegd. Aanvankelijk heeft hij verklaard dat hij deze rekening voor zijn zoon [A] heeft geopend, maar tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiser zijn verklaring gewijzigd en aangegeven dat hij de rekening heeft geopend om een kluis te kunnen huren. Ter zitting heeft eiser zich werderom andersluidend uitgelaten.

Het voorgaande betekent dat de op de ABN/AMRO-rekening aanwezige tegoeden over de periode in geding tot eisers vermogen gerekend dienen te worden en dat hij geacht moet worden gedurende deze periode redelijkerwijs over die tegoeden te hebben kunnen beschikken.

Door niet al zijn (bank)rekeningen aan verweerder op te geven, noch verweerder in voldoende mate helderheid te verschaffen over de herkomst van de gestorte en de besteding van opgenomen bedragen, heeft eiser verweerder informatie onthouden waarvan hij redelijkerwijs kon begrijpen dat deze van invloed was op zijn recht op bijstand. Eiser is daarmee naar het oordeel van de rechtbank de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenplicht niet naar behoren nagekomen.

Dat dientengevolge eisers recht op bijstand gedurende de gehele periode van 1 april 2000 tot en met 30 september 2005 niet langer kon worden vastgesteld, wordt door de rechtbank niet onderschreven. Verweerder is er immers blijkens de berekening van het terugvorderingsbedrag van uitgegaan dat eiser in de bewuste periode over in aanmerking te nemen middelen beschikte. De hoogte van deze middelen was bekend en daaruit kan worden afgeleid dat eiser in de bewuste periode in het geheel geen recht op bijstand had.

Daarmee is, zij het op andere grondslag, gegeven dat verweerder ingevolge artikel 54, derde lid en onder a, van de WWB, bevoegd was het recht op bijstand over de desbetreffende periode te herzien. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Doordat eiser zijn inlichtingenplicht niet naar behoren is nagekomen is er ten onrechte of te veel bijstand verstrekt. Ingevolge artikel 58, eerste lid, en onder a, van de WWB mocht verweerder het ten onrechte of te veel betaalde over de desbetreffende periode van eiser terugvorderen.

Verweerder voert met betrekking tot de bevoegdheid tot terugvordering een beleid. Dit beleid, dat de rechtbank niet kennelijk onredelijk acht, houdt in dat in alle gevallen van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en dat op grond van dringende redenen daarvan kan worden afgezien. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Verweerder heeft met zijn besluit tot terugvordering conform zijn beleidsregels gehandeld. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van de beleidsregels had moeten afwijken.

Ook uit hetgeen met betrekking tot de herziening en terugvordering is overwogen volgt dat het beroep gegrond is.

De afwijzing

Artikel 11, eerste lid, van de WWB, bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand ten tijde van de aanvraag niet kon worden vastgesteld en dat door het ontbreken van nieuwe feiten evenmin kon worden geoordeeld dat eiser nu wel recht op bijstand had.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de beschikbare gegevens in ieder geval had kunnen vaststellen dat er ten tijde van de aanvraag geen recht op bijstand bestond. Gewezen wordt in dit verband op verweerders rapportage van 29 maart 2006. Daarin wordt vastgesteld dat eiser ten tijde van de aanvraag nog over vermogen beschikte dat het voor hem vrij te laten bescheiden vermogen te boven ging.

Het bestreden besluit berust op dit onderdeel niet op een deugdelijke motivering. Ook om deze reden is het beroep gegrond.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00, te weten € 322,00 voor het indienen van het beroepschrift en € 322,00 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht. Omdat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 6 juli 2006;

draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, welke kosten de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan de griffier dient te vergoeden;

bepaalt dat voornoemde rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 38,00, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer in het openbaar uitgesproken op 26 september 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.