Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC8399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/8653 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergoeding van proceskosten in een bouwvergunningsprocedure van een carport afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder is niet aan eiser tegemoetgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr. AWB 06/8653 GEMWT

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:75a juncto artikel 8:54

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van proceskosten in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 september 2006 waarbij het verzoek van eiser aan verweerder om handhavend op te treden tegen de bouw van een carport op het perceel [adres] te [woonplaats], is afgewezen.

Bij brief van 23 november 2006 heeft verweerder de rechtbank een gewijzigd besluit van 17 november 2006 toegezonden.

Eiser heeft vervolgens bij brief van 26 juni 2007 het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Verweerder is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en heeft zijn reactie kenbaar gemaakt bij brief van 23 juli 2007.

Eiser heeft hierop bij brief van 29 augustus 2007 een nadere reactie ingediend.

Motivering

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van die wet veroordelen in de proceskosten.

Blijkens de stukken heeft eiser bij brief van 29 november 2005 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de bouw van een carport op het perceel [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 3 april 2006 heeft verweerder bedoeld verzoek afgewezen. Tegen dat besluit is namens eiser een bezwaarschrift ingediend. De Commissie bezwaar- en beroepschriften, die eisers bezwaarschrift heeft behandeld, heeft in haar advies opgemerkt dat de carport op een aantal punten afwijkend is gebouwd ten opzichte van de destijds in 1997 verleende bouwvergunning. Deze afwijkingen konden volgens de commissie niet als ondergeschikt worden aangemerkt.

De Commissie heeft vervolgens op 31 juli 2006 aan verweerder het advies uitgebracht om het verzoek om handhavend op te treden af te wijzen aangezien voor het gerealiseerde bouwwerk een bouwvergunning kan worden verleend op grond waarvan concreet zicht op legalisering bestaat. Dit advies is door verweerder in het bestreden besluit van 12 september 2006 overgenomen.

Naderhand is verweerder tot het inzicht gekomen dat wél handhavend is opgetreden, in die zin dat de overtreder is aangespoord om alsnog een bouwvergunning aan te vragen waarmee de afwijkingen aan de carport alsnog kunnen worden (en inmiddels zijn) gelegaliseerd. Dit standpunt is neergelegd in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 november 2006.

De rechtbank is van oordeel dat het in de gewijzigde beslissing op bezwaar neergelegde standpunt niets afdoet aan de strekking van die beslissing. Het bestreden besluit komt er op neer dat er geen aanleiding bestaat om de in afwijking van de bouwvergunning gerealiseerde carport te (doen) verwijderen, omdat de geconstateerde afwijkingen door middel van een nieuwe bouwvergunning kunnen worden gelegaliseerd. Daarmee is niet tegemoetgekomen aan hetgeen eiser met zijn verzoek om handhaving de daarop volgende procedure heeft beoogd, namelijk verwijdering van de carport. Het enige verschil tussen het besluit van 12 september 2006 en het (gewijzigde) besluit van 17 november 2006 is dat verweerder bij nader inzien tot het (juiste) inzicht is gekomen dat de overtreder naar aanleiding van het bezwaar is aangespoord om alsnog een bouwvergunning aan te vragen met het oog op legalisering van de afwijkingen, hetgeen betekent dat verweerder tegen deze carport handhavend heeft opgetreden. Het betreft hier slechts een verschil in terminologie. Met deze gewijzigde beslissing is verweerder in de beroepsprocedure niet aan eiser tegemoetgekomen.

Eiser is immers opgekomen tegen de “gedoogbeslissing” van verweerder en in dit opzicht bracht het gewijzigde besluit van 17 november 2006 geen enkele verandering. Voor zover eiser heeft willen betwisten dat voor de gewijzigde carport een bouwvergunning kon worden verleend stond voor eiser de mogelijkheid van bezwaar tegen die nieuwe bouwvergunning open.

Aangezien derhalve niet kan worden geoordeeld dat verweerder aan eiser is tegemoetgekomen, wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007, in tegenwoordigheid van de griffier S.J.W. Stort.