Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC8162

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/7853 RIOOLR
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rioolrecht. Als een bepaling in de gemeentelijke verordening kan leiden tot een willekeurige en onredelijke heffing, heeft dit niet de onverbindheid van de gehele verordening tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/7853 RIOOLR

Uitspraakdatum: 12 september 2007

.

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [P.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 7 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde aanslag rioolrechten woningen voor het jaar 2006.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen. Verweerder is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1 Bij besluit van 20 december 2004 heeft de raad van de gemeente [P.] (hierna: de Raad) de Verordening rioolrechten 2005 (hierna: de Verordening 2005) vastgesteld. Artikel 2, eerste lid, en artikel 4, eerste en tweede lid, van de Verordening 2005 luiden als volgt:

“Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

1 Onder de naam ‘rioolrechten’ wordt geheven een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.”

“Artikel 4 Maatstaf van heffing

1 Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

2 Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar vooraf-gaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van een jaar, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.”

2.2 Bij besluit van 19 december 2005 heeft de Raad de Verordening rioolrechten 2006 (hierna: de Verordening 2006) vastgesteld. In de Verordening 2006 zijn artikel 2, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, gelijkluidend aan de corresponderende artikelleden in de verordening 2005. Het tweede lid van artikel 4 luidt in de Verordening 2006 echter als volgt:

“2 Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal naar het eigendom toegevoerde of opgepompte kubieke meters water dat bij het laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande belastingjaar als heffingsmaatstaf gold. Ingeval de bij dat vorige belastingjaar gehanteerde verbruiksperiode niet gelijk is aan de periode van een jaar, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.”

2.3 In artikel 11, eerste en derde lid, van de Verordening 2006 is bepaald dat de Verordening 2005 per 1 januari 2006 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan.

2.4 Eiser is gebruiker van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [P.]. Het waterverbruik in deze woning over de verbruiksperiode 17 febru-ari 2003 tot en met 16 februari 2004 was 106 m³ en over de verbruiksperiode 17 februari 2004 tot en met 31 december 2004 93 m³. Met dagtekening 28 februari 2006 is aan eiser voor het jaar 2006 een aanslagrioolrecht opgelegd, berekend naar een waterverbruik van 94 m³. Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder de aanslag bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.5 In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Verordening 2006 geheel of gedeeltelijk onverbindend is. Eiser heeft daartoe betoogd dat artikel 4, tweede lid, van de Verordening 2006 tot gevolg heeft dat de heffing geen objectieve grondslag heeft en daarmee in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Omdat dit een essentiële bepaling in de Verordening 2006 is, is eiser van mening dat de gehele verordening onverbindend is. Omdat daarmee ook de werking van artikel 11, eerste lid, van de Verordening 2006, vervalt, dient het rioolrecht te worden vastgesteld volgens het daartoe bepaalde in de Verordening 2005.

2.6 Het bepalen van de heffingsmaatstaf en het tarief waarnaar een recht kan worden geheven is, zoals volgt uit de artikelen 216, 217, 219, tweede lid, en 229, tweede lid, van de Gemeentewet, voorbehouden aan de Raad, met dien verstande dat het bedrag van een recht niet afhankelijk mag zijn van het inkomen, de winst of het vermogen. Voorts mogen de maatstaf van heffing en het tarief niet leiden tot een willekeurige en onredelijke heffing die de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van rechten niet op het oog kan hebben gehad.

2.7 Op zich biedt de bepaling in artikel 4, tweede lid, van de Verordening 2006, die tot gevolg heeft dat voor zowel voor het jaar 2006 als het jaar 2005 het waterverbruik over de verbruiksperiode 2003/2004 als heffingsmaatstaf geldt, geen grond voor het oordeel dat de Raad daarmee een regeling heeft getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel,

dan wel het oordeel dat de Raad daarbij buiten de grenzen is getreden van de vrijheid die artikel 219, tweede lid, hem biedt. Dit is, naar het oordeel van de rechtbank, slechts anders, indien een belastingplichtige in die verbruiksperiode een waterverbruik had dat belangrijk hoger was dan in andere verbruiksperioden. In dat geval leidt de regeling voor het jaar 2006 tot een onjuiste lastenverdeling over de belastingplichtigen en daarmee tot een willekeurige en onredelijke heffing.

2.8 Anders dan eiser betoogt heeft het onder 2.7 overwogene niet tot gevolg dat de Verordening 2006 onverbindend is. Alleen in die gevallen waarin het bepaalde in artikel 4, tweede lid, leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing dient dit artikellid buiten toepassing te blijven en dient het rioolrecht te worden geheven volgens het eerste lid, oftewel naar het werkelijke gebruik in het jaar 2006. Dit betekent dat als een belastingplichtige aannemelijk maakt dat zijn verbruik in 2006 belangrijk lager is dan het verbruik dat zou moeten worden aangehouden ingevolge artikel 4, tweede lid, dat lagere verbruik als heffingsmaatstaf heeft te gelden.

2.9 Vaststaat dat het waterverbruik van eiser over de verbruiksperiode 17 februari 2003 tot en met 16 februari 2004 106 m³ was en over de verbruiksperiode 17 februari 2004 tot en met 31 december 2004 93 m³. Bij zijn bezwaar heeft eiser voor 2005 een waterverbruik genoemd van 91,8 m³. Dat eisers waterverbruik in 2006 veel afwijkt van dat in de daaraan voorafgaande perioden is door eiser niet gesteld en is, gelet op het voorgaande, ook niet aannemelijk. Nu de aanslag is opgelegd naar een waterverbruik van 94 m³ kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden geoordeeld dat de gehanteerde heffingsmaatstaf in dit geval heeft geleid tot een willekeurige en onredelijk heffing en is er geen reden de aanslag te verminderen of te vernietigen.

2.10 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.11 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 12 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T. van Rij, in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.