Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC7798

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/5118 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art.3.90, 3.92, 3.95 Wet IB 2001; art. I, onderdeel M, eerste lid, van de Invoeringswet IB 2001.

Boekverlies op terbeschikkinggesteld pand.

In geschil is of, en zo ja tot welk bedrag, eiseres bij de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden rekening mag houden met een boekverlies op een terbeschikking gesteld pand. Eiseres slaagt er niet in tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder aannemelijk te maken dat zich in de periode van 1 januari 2001 (begin terbeschikkingstelling) tot 20 april 2001 (einde terbeschikkingstelling) omstandigheden hebben voorgedaan die tot een waardevermindering van het pand hebben kunnen leiden van een omvang als die van het door eiseres gestelde boekverlies. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank wel aannemelijk gemaakt dat er tussen 1 januari 2001 en 20 april 2001 enige waardevermindering van het pand is opgetreden. Nu exacte gegevens daaromtrent ontbreken stelt de rechtbank het boekverlies in goede justitie vast op € A.

zie ook LJN BC7797 en BC7795

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 736
FutD 2008-0701

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5118 IB/PVV

Uitspraakdatum: 19 april 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.-Y.], wonende te [Z.], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een verzamelinkomen van € 11.756 (hierna: de aanslag).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 29 november 2005, ontvangen bij de rechtbank te Haarlem op 1 december 2006, beroep ingesteld. De rechtbank te Haarlem heeft het beroepschrift en de op17 januari 2006 bij haar ingekomen nadere motivering van het beroep op 16 mei 2006 doorgezonden naar de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen zijn gemachtigde, [...]. Namens verweerder zijn verschenen [...]

2. Feiten

2.1. Eiseres en haar echtgenoot [X.] zijn tezamen voor 50% eigenaar van het pand [adres] (hierna: het pand). Mede-eigenaar van het pand, eveneens voor 50%, is [X 2], een zakenpartner van [X.].

2.2. Het pand is in 1998 in opdracht van [X.] en [X 2.] gebouwd. De kostprijs bedroeg € 2.447.000. Het pand is na oplevering voor een jaarlijkse huursom van € 272.268 verhuurd aan [BV I]). [X.] en [X 2.] waren ieder voor 50% middellijk aandeelhouder van BV I. BV I heeft voor een bedrag van € 540.974 in het pand geïnvesteerd.

2.3. Het pand is gelegen op een terrein van ca. 5.936 m2 en bestaat uit een kantoor van twee verdiepingen met een vloeroppervlakte van 464 m2 (begane grond) en 451 m2 (verdieping) en een bedrijfshal met een vloeroppervlakte van 2.405 m2. De bedrijfshal is specifiek ingericht voor de bedrijfsactiviteiten van BV I, die bestonden uit de productie en verwerking van vleeswaren. Bij het pand behoren 48 parkeerplaatsen.

2.4. In december 2000 heeft [X.], handelende als directeur van BV I, [Makelaar A.]) opdracht gegeven de onderhandse verkoopwaarde en de executiewaarde van het pand te bepalen. Het taxatierapport, dat is opgemaakt op 21 december 2000, vermeldt een onderhandse verkoopwaarde van ƒ 7.500.000 (€ 3.403.351).

2.5. Op 18 april 2001 is BV I failliet verklaard. De onderneming van BV I is in het kader van een doorstart op 20 april 2001 overgenomen door [BV II]. Vanaf die datum was BV II huurder van het pand. Eiseres noch haar echtgenoot was aandeelhouder van BV II. BV II is op 9 februari 2005 failliet verklaard.

2.6. In haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 heeft eiseres ter zake van de terbeschikkingstelling van het pand aan BV I een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 179.889 vermeld. Dit resultaat is het saldo van opbrengsten ad € 2.531 en kosten en lasten ad € 182.420. Naar blijkt uit de bijlage bij de aangifte behoort tot de zo-even vermelde kosten en lasten een bij het einde van de terbeschikkingstelling van het pand geleden boekverlies van € 170.519.

2.7. Op verzoek van verweerder heeft de [Belastingdienst Q], het pand getaxeerd. Het taxatierapport, dat is opgemaakt op 30 juni 2004, vermeldt als waarde in het economisch verkeer van het pand op 1 januari 2001 en op 20 april 2001 € 2.500.000. Bij het vaststellen van de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde aanslag is verweerder ervan uitgegaan dat de waarde van het pand tussen 1 januari 2001 en 20 april 2001 niet is gedaald. Hij heeft het door eiser behaalde resultaat uit overige werkzaamheden in afwijking van de aangifte berekend op € 4.049 negatief.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of bij de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden rekening moet worden gehouden met een boekverlies van € 220.517.

3.2. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend. Ter onderbouwing van dit standpunt voert zij - samengevat - het volgende aan.

Niet in geschil is dat de waarde van het pand op 18 april 2001 € 2.500.000 bedraagt. Omdat in de aangifte is uitgegaan van een waarde op 18 april 2001 van € 2.699.992, dient het in de aangifte vermelde boekverlies van € 170.519 met € 49.998 te worden verhoogd tot € 220.517. De waarde van het pand op 1 januari 2001 dient overeenkomstig de door [Makelaar A.] uitgevoerde taxatie te worden gesteld op € 3.403.351. Deze taxatie verdient de voorkeur boven de door [Belastingdienst Q] uitgevoerde taxatie omdat:

- zij dateert van december 2000, dus van vlak vóór 1 januari 2001, terwijl de taxatie van [Belastingdienst Q] 3½ jaar na 1 januari 2001 is uitgevoerd;

- [Makelaar A.] met toepassing van de huurwaardekapitalisatiemethode de objectieve waarde van het pand heeft geschat, terwijl de taxatie van [Belastingdienst Q] is uitgevoerd met behulp van de BAR-methode (BAR: Bruto Aanvangs Rendement), waarin de hoedanigheid van de huurder een grote rol speelt. Dit verschil in benadering leidt ertoe dat [Belastingdienst Q] van een lagere huurwaarde en een lagere huurwaardekapitalisatiefactor is uitgegaan dan die, welke [Makelaar A.] in aanmerking heeft genomen;

- in de taxatie van [Makelaar A.] de parkeerplaatsen zijn betrokken, terwijl daaraan in de taxatie van [Belastingdienst Q] wordt voorbijgegaan.

In de periode van 1 januari tot 18 april 2001 had de vleesverwerkende industrie te maken met de gevolgen van een uitbraak van mond- en klauwzeer (hierna: de MKZ-crisis). De MKZ-crisis leidde ertoe dat de waarde van het pand, dat specifiek is ingericht voor de vleesverwerkende industrie, in de eerste maanden van 2001 aanzienlijk daalde.

3.3. Verweerder beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan.

Eiseres dient aannemelijk te maken dat tussen 1 januari 2001 en 20 april 2001 sprake was van omstandigheden sprake was van omstandigheden die tot een substantiële vermindering van de waarde van het pand konden leiden. Nu eiseres niet méér aanvoert dan de MKZ-crisis, is zij daarin niet geslaagd. Anders dan eiseres stelt hebben [Makelaar A.] en [Belastingdienst Q] niet van verschillende taxatiemethoden gebruik hebben gemaakt. Zowel [Makelaar A.] als [Belastingdienst Q] hebben de huurwaardekapitalisatiemethode gebruikt. [Belastingdienst Q] heeft geen rekening gehouden met het op 1 januari 2001 lopende (niet-zakelijke) huurcontract met BV I. Het nadien met BV II gesloten contract was wél zakelijk. Uitgaande van de daarbij bedongen, zakelijke huur, de omstandigheid dat de huurder diverse verhuurderslasten voor zijn rekening diende te nemen en een lagere kapitalisatiefactor, bedroeg de waarde rond 18 april 2001 ca. € 3.000.000. Als er al een waardemutatie was tussen 1 januari 2001 en 18 april 2001, kan deze derhalve niet anders dan positief zijn geweest.

3.4. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het verlies uit werk en woning op € 214.082. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiseres heeft voor het onderhavige jaar een aangifte ingediend waarin een verlies uit werk en woning van € 164.084 is vermeld. Verweerder heeft het aangegeven verlies uit werk en woning gecorrigeerd en in de aanslag het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 11.756. Naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2005, nr. 41 587, BNB 2006/73, ligt in de aanslag besloten de beschikking dat het verlies van 2001 nihil bedraagt (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking). De rechtbank vat het bezwaar van eiseres tegen de aanslag tevens op als een bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking. In aanmerking genomen dat verweerder op laatstbedoeld bezwaar niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat in de bestreden uitspraak op bezwaar ook het bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking ongegrond is verklaard (vergelijk HR 16 december 2005, nr. 41 588, BNB 2006/74).

4.2. Met ingang van 1 januari 2001 behoort tot het belastbare inkomen uit werk en woning van een belastingplichtige het resultaat dat deze behaalt met één of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren (artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, hierna: de Wet). Onder een werkzaamheid wordt mede verstaan, voor zover hier van belang, de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft (hierna ook: terbeschikkingstelling) (artikel 3.92 van de Wet). Het resultaat uit een werkzaamheid wordt, een aantal hier niet van belang zijnde uitzonderingen daargelaten, bepaald alsof de werkzaamheid een onderneming vormt (artikel 3.95 van de Wet). De belastingplichtige stelt voor het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid in de hier bedoelde zin, vermogensbestanddelen die per 1 januari 2001 zijn gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, bij het begin van het kalenderjaar te boek voor de waarden in het economische verkeer op dat tijdstip (artikel I, onderdeel M, eerste lid, van de Invoeringswet inkomstenbelasting 2001). Bij beëindiging van de terbeschikkingstelling wordt het verschil tussen de waarden in het economische verkeer en de boekwaarden van de tot het vermogen van de werkzaamheid behorende vermogensbestanddelen tot het resultaat uit overige werkzaamheden van het desbetreffende jaar gerekend.

4.3. Desgevraagd hebben partijen ter zitting verklaard dat naar hun beider opvatting de terbeschikkingstelling van het pand door eiser aan BV I eindigde bij de doorstart van de in het pand gedreven onderneming op 20 april 2001. De rechtbank sluit zich aan bij deze gemeenschappelijke opvatting van partijen, waarvan niet is gebleken dat zij op een onjuiste rechtsopvatting berust.

4.4. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiseres, die stelt dat bij de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden een boekverlies van € 220.517 in aanmerking moet worden genomen, welk boekverlies het gevolg is van een substantiële vermindering van de waarde van het pand tussen 1 januari 2001 en 20 april 2001, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, aannemelijk maakt dat zich in de genoemde periode omstandigheden hebben voorgedaan die tot een waardevermindering van die omvang hebben kunnen leiden.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in het van haar verlangde bewijs geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Eiseres stelt dat het pand dat specifiek is ingericht voor de vleesverwekende industrie, substantieel in waarde is gedaald als gevolg van de MKZ-crisis. Zij heeft echter nagelaten deze stelling te onderbouwen met gerealiseerde verkoopcijfers, huurcijfers of andere voor de waardebepaling relevante marktgegevens. Uit hetgeen is komen vast te staan over de inrichting van het pand en de voor het pand bedongen huur kan evenmin worden afgeleid dat de waarde van het pand in drieënhalve maand is gedaald met (€ 3.403.351 - € 2.500.000 = ) € 903.351 oftewel ca. 27%.

4.6. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank echter wel aannemelijk gemaakt dat de MKZ-crisis tussen 1 januari 2001 en 20 april 2001 enige invloed op de waarde van het pand heeft gehad. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, in het bijzonder dat omvangrijke investeringen zijn gedaan om het pand specifiek geschikt te maken voor de vleesverwerkende industrie en dat de MKZ-crisis juist voor deze branche een grote impact heeft gehad, wettigen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, het vermoeden dat zich tussen 1 januari 2001 en 20 april 2001 een zekere daling van de waarde van het pand heeft voorgedaan. Hetgeen verweerder dienaangaande heeft aangevoerd, is onvoldoende om dit vermoeden te ontzenuwen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het resultaat uit een werkzaamheid, bestaande uit de terbeschikkingstelling van het pand aan BV I, niet juist heeft berekend. Nu objectieve gegevens inzake de omvang van de waardedaling ontbreken, is een exacte berekening van de gevolgen daarvan voor het met de terbeschikkingstelling van het pand behaalde resultaat niet mogelijk. Gelet hierop en op de overige van belang zijnde feiten en omstandigheden, stelt de rechtbank het bij de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking te nemen boekverlies in goede justitie vast op € 100.000 en het aandeel van eiseres daarin op € 25.000. Dit brengt mee dat de aanslag dient te worden herroepen en de verliesvaststellingsbeschikking dient te worden gewijzigd.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: BPB) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-, een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak en een factor van 1 voor het aantal samenhangende zaken). Nu de onderhavige zaak en de zaak met het procedurenummer AWB 06/5117 IB/PVV zijn aan te merken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het BPB, zal de rechtbank in elk van beide zaken een kostenvergoeding van € 322 toekennen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de aanslag;

- wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking in dier voege dat het verlies uit werk en woning wordt vastgesteld op € 13.244;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 april 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.P.F. Slijpen en mr. J.A. Booij in tegenwoordigheid van mr. C.D. Loen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.