Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC7235

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/170 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afschaffing zalmsnip met terugwerkende kracht leidt niet tot onverbindendheid verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 781
FutD 2008-0647

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/170 WOZ

Uitspraakdatum: 30 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [P.] verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft bij besluit van 28 februari 2005 (hierna: de beschikking) krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1], te [Z.] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op € 302.484. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen (hierna: de aanslagen) voor het jaar 2005 bekend gemaakt. Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslagen.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2005 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 28 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [...]. De zaken AWB 06/352 WOZ ([A.]), AWB 06/407 WOZ ([B.]), AWB 06/373 WOZ ([C.]), AWB 06/353 WOZ (de erven van

[D.]) en AWB 06/549 WOZ ([E.]) zijn met instemming van partijen gelijktijdig ter zitting behandeld.

1.6. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Vervolgens heeft tussen de rechtbank en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een appartement met terras, berging en een parkeerplaats.

2.2. De woning is gelegen naast het [A-park]. Eind 2002 is de gemeente begonnen met de voorbereiding van de aanleg van een jongerenontmoetingsplek (hierna: JOP) in het [A-park]. In 2005 is de JOP in het [A-park] gereedgekomen. De JOP bestaat uit een achthoekige overkapping op palen.

Verordeningen

2.3. In zijn openbare vergadering van 7 december 2004 heeft de raad van de gemeente [Z.] de “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2005” (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekendgemaakt in het [huis aan huis blad] van 15 december 2004. De Verordening bevat onder meer de volgende bepalingen:

“Artikel 5 Belastingtarieven

1 Het tarief van de belasting is voor elke volle € 2.268,-- van de heffingsmaatstaf

a bij de gebruikersbelasting

1 voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen € 1,67

2 voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen € 2,55

b bij de eigenarenbelasting

1 voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen € 2,02

2 voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen € 3,18

2 Indien de heffingsmaatstaf beneden € 2.268,-- blijft, wordt geen belasting geheven.

(…)

Artikel 6A Lokale lastenvermindering

1 Het bedrag van de gebruikersbelasting wordt voor het gebruik van onroerende zaken, steeds voorzover het betreft zaken die geheel of gedeeltelijk tot woning dienen, verminderd met een bedrag van € 45,38.

(…)

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

1 De ‘Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2004 van 2 december 2003, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

3 Indien het bij Koninklijke boodschap van 21 juli 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de afschaffing van de lokale lastenverlichting van € 45,38 (29 701) tot wet wordt verheven en in werking treedt met ingang van 1 januari 2005, komt artikel 6A te vervallen.”

3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2005.”.

2.4. De eerste wijziging van de Verordening (hierna: de Wijzigingsverordening) is vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 februari 2005. De Wijzigingsverordening is bekendgemaakt in het [huis aan huis blad] van 16 februari 2005. De Wijzigingsverordening bevat onder meer de volgende bepalingen:

“Artikel 1

Artikel 6A en lid 3 van artikel 10 vervallen.

Artikel 2

1 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking en werkt terug met ingang van 1 januari 2005.

2 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2005.”

3. Geschil

3.1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Voorts is in geschil of eiser voor het jaar 2005 voor de lokale lastenverlichting van € 45,38 (hierna: de Zalmsnip) in aanmerking komt.

3.2. Eiser bepleit uiteindelijk een waarde van € 199.351 en heeft onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

- Het is onduidelijk op welke wijze verweerder de waarde van de woning heeft bepaald. In de uitspraak op bezwaar komt verweerder ineens met nieuwe vergelijkingsobjecten.

- Verweerder is bij de waardering van de woning ten onrechte van een inhoud van 400 m³ uitgegaan, aangezien hij bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2001, betreffende de vorige WOZ-waarde van de woning, de bruto-inhoud van de woning op 375 m³ heeft vastgesteld. Op grond van het vertrouwensbeginsel dient van een inhoud van 375 m³ te worden uitgegaan. Verweerder heeft met betrekking tot de inhoud een andere berekeningsmethodiek toegepast dan bij andere woningen. Hierdoor ontstaat er rechtsongelijkheid.

- Bij de waardering is onvoldoende rekening gehouden met de naast de woning gelegen JOP. Ter zake dient de vastgestelde waarde met € 30.000 te worden verminderd.

- Het terras is ten onrechte in de waardering betrokken. Het terras is in eigendom van de vereniging van eigenaren. Daarnaast heeft verweerder van drie appartementencomplexen – [b-straat, c-straat en a-straat] – slechts vier van de vijftig terrassen in de WOZ-waardering meegenomen, zodat ook hier sprake is van rechtsongelijkheid. Voorts dient in verband met de inkijk op het terras de waarde, zoals ook verweerder blijkens zijn matrix voorstaat, met € 7.000 te worden verminderd.

- De waarde van een appartement hangt sterk af van de verdieping waarop het is gelegen. Per etage is er een prijsverschil van € 3.000 tot € 5.000. Aangezien de woning op de beletage is gelegen, dient de waarde met € 12.000 te worden verminderd.

- Bij zeventig aan de [b-straat] gelegen vergelijkbare woningen heeft verweerder een lagere kubieke meterprijs van € 625 gehanteerd. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dient deze prijs per m³ ook bij de waardebepaling van de woning te worden gebruikt.

- De waarde van alle onroerende zaken dient als heffingsgrondslag voor de tarieven van de OZB te worden genomen. Het is niet correct om, zoals verweerder heeft gedaan, op deze waarde een risico voor leegstand en een risico wegens bezwaar en beroep in mindering te brengen. Neutralisatie van deze effecten dient via het tarief plaats te vinden. Andere gemeenten doen het juist anders. De aanslagen zijn dan ook nietig. Niet duidelijk is welke kosten verweerder heeft gemaakt en of er sprake is van een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet.

- Verweerder heeft zich met betrekking tot de Zalmsnip geconformeerd aan de uitspraak van het Hof Arnhem van 16 februari 2007. Verweerder dient tot een teruggave van

€ 45,38 over te gaan.

3.3. Verweerder heeft onder meer verwezen naar een door hem bij het verweerschrift overgelegd taxatieverslag met daarin de gegevens van een drietal vergelijkingsobjecten alsmede naar een door hem opgestelde matrix, waarin dezelfde vergelijkingsobjecten zijn opgenomen. Verweerder heeft zich uiteindelijk op het standpunt gesteld dat de waarde van de woning eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Verweerder berekent, uitgaande van een inhoud van 400 m³, de waarde nader op € 311.776. Verweerder is voorts van mening dat de Zalmsnip terecht niet op het bedrag van de aanslagen in mindering is gebracht.

3.4. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op het bezwaar, vermindering van de vastgestelde waarde tot € 199.351, vernietiging van de aanslagen OZB, en toekenning van de Zalmsnip ten bedrage van € 45,38. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Uitspraak op bezwaar

4.1. In de uitspraak op bezwaar is verweerder onvoldoende inhoudelijk ingegaan op de door eiser in het bezwaarschrift aangedragen argumenten. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop is het beroep gegrond en dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd.

4.2. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Dienaangaande overweegt zij het volgende.

WOZ-waarde

4.3. Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.4. De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij verweerder. Met het hiervoor vermelde taxatieverslag, de door verweerder overgelegde matrix en de daarop gegeven toelichting heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. Naar volgt uit het taxatieverslag en de matrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van de vergelijkingsmethode, waarbij is gebruik gemaakt van een drietal vergelijkingsobjecten. Deze werkwijze is in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken. In hetgeen partijen hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om de vergelijkingsmethode in dit geval ongeschikt te achten. Daarbij staat het verweerder vrij om in iedere fase van de procedure nieuwe vergelijkingsobjecten aan te dragen. De vergelijkingsobjecten, met name [a-straat] 39, zijn voldoende vergelijkbaar met de woning. Eiser heeft niet betwist dat deze objecten vergelijkbaar zijn met de woning. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten op bepaalde punten verschillen met de woning en zijn de vergelijkingsobjecten één dan wel twee jaar vóór de waardepeildatum verkocht, maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank bij de bepaling van de waarde van de woning in voldoende mate met deze verschillen en met het tijdsverloop tussen de verkoopdata en de waardepeildatum rekening gehouden. Derhalve kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde van de woning in een onjuiste verhouding staat tot de verkooprijzen van de vergelijkingsobjecten. In dit verband is mede de in april 2004 behaalde verkoopprijs van de woning [a-straat] van € 365.000 van belang. Ook in vergelijking met deze verkoopprijs is de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

4.5. Aan het vorenstaande kan hetgeen eiser aanvoert met betrekking tot de inhoud van de woning en de vergelijkingsobjecten niet afdoen. De rechtbank stelt voorop dat de inhoud slechts één van de variabelen is waarmee verweerder bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten rekening kan houden. Zo er in deze variabele een fout is geslopen, volgt daaruit niet zondermeer dat de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Voorts neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Bij het vaststellen van zowel de inhoud van de woning als die van de vergelijkingsobjecten is verweerder uitgegaan van brutomaten. Van een rechtsongelijkheid op dit punt is dan ook geen sprake. De door verweerder uiteindelijk berekende inhoud van de woning van 400 m3 acht de rechtbank aannemelijk. Het stond verweerder vrij de inhoud van de woning in de loop van de procedure opnieuw te bepalen.

4.6. Evenmin kan aan het onder 4.4. gegeven oordeel afdoen dat verweerder bij de bepaling van de inhoud tot een andere uitkomst is gekomen dan die, waarvan hij in een eerdere uitspraak op bezwaar is uitgegaan. Een schending van het vertrouwensbeginsel is daarin niet gelegen. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, naar de staat van de woning op de waardepeildatum en aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum hebben voorgedaan. Bij deze waardebepaling behoeft verweerder zich niet te laten leiden door de in een eerdere taxatieronde naar een vroegere waardepeildatum voor de woning en/of andere objecten vastgestelde waarde(n). Hierin ligt besloten dat verweerder de bij een waardebepaling gebruikte gegevens over de inhoud van de woning bij een latere waardebepaling niet opnieuw behoeft te gebruiken. Voorts toetst de rechter niet de juistheid van de inhoud van de woning en/of de bij de herleiding van de waarde van de woning uit verkooprijzen van vergelijkingsobjecten aan een m3 toegekende prijs, doch uitsluitend die van de (uiteindelijk) vastgestelde waarde van de woning.

4.7. Anders dan eiser betoogt, hoefde verweerder de vastgestelde waarde van de woning niet te verminderen in verband met het voornemen tot de bouw, dan wel de aanwezigheid van de JOP. De in april 2004 gerealiseerde verkoopprijs van de woning [a-straat] geeft geen grond voor de veronderstelling dat de bouw of de aanwezigheid van de JOP tot een waardedaling van nabijgelegen woningen heeft geleid. Eiser heeft geen feiten gesteld op grond waarvan vastgesteld zou kunnen worden dat sprake is van een dergelijke waardedaling. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, de aanwezigheid van de JOP en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, niet tot de indiening van klachten van omwonenden of anderen bij de politie heeft geleid.

4.8. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld doordat hij ten onrechte ervan is uitgegaan dat eiser de eigenaar van het terras bij de woning is. Anders dan eiser stelt, kan uit artikel 9 van de splitsingakte niet worden afgeleid dat het terras eigendom is van de vereniging van eigenaren. De rechtbank acht aannemelijk dat, zoals verweerder heeft gesteld, het appartementsrecht van eiser hem het exclusieve gebruiksrecht van de woning inclusief het terras geeft. Verweerder mocht bij de bepaling van de waarde van de woning met dit exclusieve gebruiksrecht rekening houden. Dat, naar verweerder heeft gesteld, bij de waardebepaling van appartementen uitsluitend grote terrassen, zoals die van eiser, in aanmerking zijn genomen en kleine terrassen buiten beschouwing zijn gebleven, kan eisers stelling dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen niet dragen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder op dit punt een begunstigend beleid heeft gevoerd of met een oogmerk van begunstiging heeft gehandeld. Een schending van de meerderheidsregel - welke ziet op de situatie waarin, zonder dat sprake is van een begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging, in een meerderheid van de met het geval van de belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven (HR 17 juni 1992, nr. 26 777 en 27 048, BNB 1992/294 en 295) – doet zich evenmin voor. Een appartement met een groot terras is niet identiek aan een appartement met een klein terras in die zin dat de verschillen tussen beide appartementen verwaarloosbaar zijn; zij kunnen voor de toepassing van de meerderheidsregel dan ook niet als gelijke gevallen worden aangemerkt (vergelijk HR 8 juli 2005, nr. 39 953, BNB 2005/299). Voorts is gesteld noch gebleken dat verweerder bij een meerderheid van de appartementen met een groot terras het terras niet in de waardebepaling heeft meegenomen.

4.9. Ook de stelling van eiser dat verweerder bij de bepaling van de waarde van de woning onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woning op de beletage is gelegen, faalt omdat zij geen steun vindt in de feiten. De door eiser ingebrachte koopsommenlijst van kennelijk een ander in [Z.] gelegen appartementencomplex (Nieuw Dorrestein) houdt onvoldoende verband met de waarde van de woning om daaraan voor de bepaling van die waarde gevolgen te verbinden.

4.10. Eisers stelling dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden doordat bij de waardebepaling van woningen aan de [b-straat] is uitgegaan van een lager bedrag per m³ faalt. Gesteld noch gebleken is dat verweerder op dit punt een begunstigend beleid heeft gevoerd of met een oogmerk van begunstiging heeft gehandeld. Van een schending van de meerderheidsregel is evenmin sprake, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning identiek is aan de woningen aan de [b-straat] in die zin dat de verschillen tussen de met elkaar vergeleken woningen verwaarloosbaar zijn.

4.11. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, kan evenmin afdoen aan het onder 4.4. gegeven oordeel.

4.12. Gelet op het vorenwogene heeft verweerder de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

Tarieven OZB

4.13. De gemeenteraad is bevoegd de tarieven van de OZB met inachtneming van de artikelen 220f en 220g van de Gemeentewet naar eigen inzicht vast te stellen, mits de tarieven niet leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het invoeren van een onroerende-zaakbelasting niet op het oog kan hebben gehad. De gemeenteraad is dan ook niet gehouden om de tarieven af te stemmen op, of op één lijn te brengen met die van andere gemeenten. Gelet op de door verweerder bij het verweerschrift overgelegde stukken en in aanmerking nemend hetgeen verweerder hieromtrent overigens heeft verklaard, is niet aannemelijk dat de wijze waarop de gemeenteraad gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de tarieven van de OZB vast te stellen in strijd is met algemene rechtsbeginselen of leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Eisers grieven met betrekking tot de vaststelling van de tarieven falen derhalve.

Zalmsnip

4.14. Anders dan eiser heeft gesteld, valt uit de gedingstukken niet op te maken dat verweerder zich met betrekking tot de Zalmsnip aan de uitspraak van het Hof Arnhem van

16 februari 2007, nr. 06/00089, Belastingblad 2007/441, heeft geconformeerd.

4.15. Ingevolge artikel 229d, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet (tekst tot 2005) kan een gemeenteraad het belastingbedrag dat is verschuldigd uit hoofde van de onroerende-zaakbelastingen voor gebruikers, het rioolafvoerrecht, de afvalstoffenheffing of de reinigingsrechten voor huishoudelijk afval verminderen met ten hoogste € 45,38. Voornoemd artikel is, gelet op het bepaalde in artikel I, onderdeel A, van de Wet van 23 december 2004, houdende wijziging van de Gemeentewet in verband met de afschaffing van de lokale lastenverlichting van 45,38 euro, Staatsblad 2004, nr. 731, (hierna: de Wijzigingswet), komen te vervallen. In artikel III van die wet is bepaald dat de datum van inwerkingtreding

1 januari 2005 is. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet is de inwerkingtreding van de Wijzigingswet opgeschort tot 5 februari 2005.

4.16. Uit het voorgaande volgt dat bij aanvang van het jaar 2005 niet aan het bepaalde in artikel 10, derde lid, van de Verordening is voldaan. Artikel 6A van de Verordening is pas door de werking van de Wijzigingsverordening van 1 februari 2005 komen te vervallen. Artikel 2, eerste lid, van de Wijzigingsverordening heeft hieraan terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2005. Nu deze terugwerkende kracht in het nadeel van de belastingplichtigen werkt, dient te worden beoordeeld of de afschaffing van de Zalmsnip voor hen in zodanige mate voorzienbaar was dat in dezen sprake is van een bijzondere omstandigheid die een inbreuk wettigt op het op de eisen van de rechtszekerheid berustende rechtsbeginsel dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden (vergelijk Hoge Raad 7 maart 1979, nr. 19 017, BNB 1979/125 en Hoge Raad 24 oktober 1984, nr. 22 456, BNB 1985/59).

4.17. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wijzigingswet is ten aanzien van de afschaffing van de Zalmsnip – onder meer – het volgende opgemerkt:

Memorie van toelichting van 21 juli 2004, Kamerstukken II, 2003/04, 29 701, nr. 3, blz. 1 en 2, Belastingblad 2004/1101:

“1. Inleiding

(…)

In het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende I is een meerjarige aanpak van de armoedeval aangegeven. Deze armoedevalproblematiek - de keerzijde van het beleid gericht op bestrijding van armoede en achterstanden - zou met kracht worden aangepakt, zonder evenwel de positie van degenen die op ondersteunende (inkomensafhankelijke) regelingen zijn aangewezen uit het oog te verliezen. De meerjarige aanpak betrof onder andere een beperking van het aantal inkomensafhankelijke regelingen, waardoor het algemeen, generiek inkomensbeleid weer voorbehouden zou zijn aan het Rijk. De beleidsruimte voor gemeenten om een eigen inkomensbeleid te voeren zou hierdoor worden beperkt. De lokale lastenverlichting van € 45,38 doet, mede gegeven de variëteiten in de uitvoering door gemeenten (zie het Leidse Model in paragraaf 2 van deze memorie) afbreuk aan het voeren van inkomensbeleid door de centrale overheid. Voor het bereiken van een evenwichtig inkomensbeeld werd, mede in samenhang met de toen gewenste invoering van een nieuw zorgstelsel in 2005, een samenstel van financiële maatregelen ingezet waaronder de afschaffing van de onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor woningen en in het verlengde daar weer van het vervallen van de lokale lastenverlichting van € 45,38. In het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II is deze aanpak met de afschaffing van alleen het bewonersdeel van de OZB in samenhang met de afschaffing van de lokale lastenverlichting van € 45,38 overgenomen. In de Hoofdlijnenbrief met betrekking tot de afschaffing van het bewonersdeel van de OZB is aangegeven, dat de afschaffing van de lokale lastenverlichting van € 45,38 via een afzonderlijk wettelijk traject zal lopen. Dit wetsvoorstel is dus - los van het wetgevingstraject met betrekking tot de afschaffing OZB - opgezet ter afschaffing van de lokale lastenverlichting van € 45,38 per 1 januari 2005.

(…)

3. Financiële gevolgen van de wetswijziging

In verband met de afschaffing van de lokale lastenverlichting van € 45,38 zal er in 2005 € 325 miljoen uit het gemeentefonds worden genomen. Deze uitname zal worden verwerkt in de begroting van het gemeentefonds voor 2005 die op Prinsjesdag zal worden aangeboden. In 2004 is het gemeentefonds al gekort met € 100 miljoen zijnde de afroming van het accres ter zake van de lokale lastenverlichting van € 45,38. Door het Rijk is in 1998 een toevoeging van f 680 miljoen in het gemeentefonds gedaan omdat de lokale lastenverlichting van € 45,38 een tegemoetkoming van het Rijk is en dus niet ten koste moet gaan van de gemeentelijke begrotingen.”.

Nota naar aanleiding van het verslag van 27 oktober 2004, Kamerstukken II, 2004/05,

29 701, nr. 5, blz. 1, Belastingblad 2004/1341:

“De voorstellen tot afschaffing van de € 45,38-maatregel en het gebruikersdeel van de OZB woningen liggen in die zin in elkaars verlengde dat beide betrekking hebben op lokale lasten. Dit betekent niet dat zij aan elkaar gekoppeld zijn. Het betreft verschillende wetsvoorstellen, met afzonderlijk te onderscheiden lasteneffecten. De afschaffing van de € 45,38-maatregel vloeit voort uit de behoefte de mogelijkheden tot lokaal inkomensbeleid te reduceren, mede gezien de verschillende toepassing die in de praktijk aan de € 45,38-maatregel wordt gegeven. Deze doelstelling kan ook worden bereikt zonder dat het gebruikersdeel van de OZB woningen in 2005 wordt afgeschaft.

Afschaffing van de € 45,38-maatregel vormt sinds het strategisch akkoord onderdeel van een totaal lastenpakket. Tegenover de lastenverzwaring voor burgers als gevolg van de afschaffing van de € 45,38-maatregel staan tal van andere lastenmaatregelen. Deze maatregelen dienen in samenhang en niet geïsoleerd te worden bezien. Dat sprake zou zijn van een lastenverzwaring van

€ 45,38 waarvoor gemeenten nu compensatie zou moeten bieden aan haar inwoners, bestrijdt de regering. Hiervoor wordt immers landelijk al gecompenseerd. De fractie van de VVD vraagt of de regering een alternatief heeft overwogen voor wat zij noemt de lastenverzwaring van 325 miljoen euro. Uit het bovenstaande moge blijken dat naar het oordeel van de regering deze maatregel niet geïsoleerd bezien moet worden. Van belang is wat het koopkrachteffect is van het totale pakket aan lastenmaatregelen.

De regering gaat er niet van uit dat gemeenten na de afschaffing van de € 45,38-maatregel deze vorm van lastenverlichting continueert uit eigen middelen, al dan niet via de bijzondere bijstand. In het huidige budgettaire beeld levert de afschaffing van de € 45,38 maatregel een positieve bijdrage aan de rijksbegroting voor 2005 in orde van grootte van € 325 miljoen. Wanneer de afschaffing van de € 45,38-maatregel zou worden uitgesteld tot 2006, dan resulteert voor 2005 een budgettair gat van € 325 mln.”.

Nota naar aanleiding van het verslag van 20 december 2004, Kamerstukken I, 2004/05,

29 701, nr. B, blz. 1, Belastingblad 2005/97:

“De voorstellen tot afschaffing van de € 45,38-maatregel en het gebruikersdeel van de OZB-woningen liggen in die zin in elkaars verlengde, dat beide betrekking hebben op lokale lasten. Dit betekent niet dat zij in het wetgevingsproces aan elkaar gekoppeld zijn. Het betreft verschillende wetsvoorstellen met afzonderlijke, te onderscheiden effecten op de lokale lasten. De afschaffing van de € 45,38-maatregel vloeit voort uit de behoefte de mogelijkheden tot lokaal inkomensbeleid te reduceren, mede gezien de verschillen in toepassing die in de praktijk aan de € 45,38-maatregel wordt gegeven. Deze doelstelling kan ook worden bereikt zonder dat het gebruikersdeel van de OZB-woningen in 2005 wordt afgeschaft.

Afschaffing van de € 45,38-maatregel vormt sinds het Strategisch Akkoord onderdeel van een totaalpakket van lastenmaatregelen. Tegenover de lastenverzwaring voor burgers als gevolg van de afschaffing van de € 45,38-maatregel staan tal van andere lastenmaatregelen. Deze maatregelen dienen in samenhang en niet geïsoleerd te worden bezien. In het Strategisch Akkoord is ingegaan op het geheel van lastenverzwarende en verlichtende maatregelen. Deze zijn aangegeven in bijlage 3 van het Strategisch Akkoord.”.

4.18. In overeenstemming met de onder 4.17 opgenomen passages uit de memorie van toelichting en de nota’s naar aanleiding van het verslag behorende bij het wetsontwerp dat geleid heeft tot de Wijzigingswet, heeft de gemeenteraad beslist de Zalmsnip in 2005 niet te continueren. Deze beslissing is neergelegd in artikel 10, derde lid, van de op 7 december 2004 vastgestelde en op 15 december 2004 bekendgemaakte Verordening onroerendezaakbelastingen 2005.

4.19. Naar het oordeel van de rechtsbank volgt uit de Wijzigingswet, de onder 4.17 aangehaalde passages uit de memorie van toelichting en de nota’s naar aanleiding van het verslag en de onder 4.18 genoemde, vóór 1 januari 2005 bekendgemaakte beslissing van de gemeenteraad dat eiser reeds vóór het tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld bekend had kunnen zijn met de afschaffing van de Zalmsnip per 1 januari 2005. Dat voor de afschaffing van de Zalmsnip nog een tweede beslissing van de gemeenteraad nodig was in de vorm van de Wijzigingsverordening van 7 februari 2005, vindt uitsluitend zijn oorzaak in de omstandigheid dat de Wijzigingswet op een zó laat tijdstip is vastgesteld dat inwerkingtreding daarvan per 1 januari 2005, gelet op het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet, niet meer mogelijk was.

4.20. Op grond van hetgeen onder 4.15 tot en met 4.19 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het vervallen van de Zalmsnip per 1 januari 2005 reeds vóór die datum in zodanige mate voorzienbaar was dat in dezen sprake is van een bijzondere omstandigheid die een inbreuk wettigt op het beginsel dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden. Uit dit oordeel volgt dat de gemeenteraad aan de wijziging van de Verordening onroerendezaakbelasting 2005 waardoor de Zalmsnip kwam te vervallen, zonder schending van enige rechtsregel terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 heeft kunnen verlenen. Derhalve komt eiser voor het jaar 2005 niet voor de Zalmsnip in aanmerking.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- gelast dat de gemeente [Z.] het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.M. Vink en mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.