Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC7226

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/5590 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eiser kan niet met vrucht een beroep doen op aan zijn partner toekomende heffingskorting.Geen fiscaal partnerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1022
FutD 2008-0649

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5590 IB/PVV

Uitspraakdatum: 28 augustus 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 22 mei 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde voorlopige aanslag en aanslag (hierna: de primitieve aanslag) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, alsmede tegen de bij het opleggen van de primitieve aanslag opgelegde boete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2007.

Namens eiser is [...] daar verschenen. Namens verweerder is [...] verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1 Eiser is operazanger en treedt als zodanig voornamelijk op in het buitenland. Voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003 is hem een aangiftebiljet, een zogenoemd M-biljet (migratie), uitgereikt. Eiser heeft echter aangifte gedaan door middel van een zogenoemd Q-biljet (computerbiljet), dat op 29 augustus 2005 bij verweerder is ingekomen.

2.2 Met dagtekening 2 maart 2006 is aan eiser de voorlopige aanslag ter grootte van € 7.117 opgelegd. Op 27 april 2006 is de primitieve aanslag opgelegd. De primitieve aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.984, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 211, een aftrek wegens elders belast inkomen van € 49.841, een heffingskorting van nihil en een bedrag aan te verrekenen voorheffing van € 5.165. Omdat de aangifte niet binnen de daartoe gestelde termijn was ingediend, is bij het opleggen van de primitieve aanslag bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 113. Het aanslagbiljet vermeldt een teruggaaf, exclusief vergoede heffingsrente, van € 6.577.

2.3 Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag, de primitieve aanslag en de boetebeschikking. Op 22 mei 2006 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan op het bezwaar tegen de primitieve aanslag en de boetebeschikking. Daarbij is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.555, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 211, een aftrek wegens elders belast inkomen van € 48.984, een heffingskorting van € 148 en een bedrag aan te verrekenen voorheffing van € 10.330. Bij de uitspraak op bezwaar is de boete verminderd tot € 22.

2.4 Eiser is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen gezamenlijk verklaard dat de uitspraak op bezwaar tevens moet worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar tegen de voorlopige aanslag en dat het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen zowel de voorlopige als de primitieve aanslag.

2.5 In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting van zijn partner ter grootte van € 2.869. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij gedurende het jaar 2003 een gezamenlijk huishouden heeft gevoerd met [Y.]. [Y.] is operazangeres en treedt uitsluitend op in het buitenland zodat zij geen Nederlandse inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen betaalt. Eiser heeft daarvoor verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 6 februari 2006, zaaknummer 03/00243 en gepubliceerd als LJN AV1346. Voor wat betreft de boete heeft eiser ter zitting zich aangesloten bij het standpunt van verweerder dat de boete terecht is opgelegd.

2.6 Ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) geldt de verhoging van de gecombineerde heffingskorting als de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft. Op grond van artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wordt onder partner onder meer verstaan de ongehuwde meerderjarige die met de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijk huishouden voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) en samen met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest als kwalificatie als partner. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Wet wordt de gezamenlijke keuze voor kwalificatie als partner gedaan bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte. Totdat de aanslag onherroepelijk vaststaat kan echter, op grond van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2002, nr. CPP2002/ 3166M, BNB 2003/98, alsnog de keuze worden gemaakt.

2.7 Uit hetgeen eiser in geding heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser en [Y.] op enig moment gezamenlijk de keuze voor het fiscaal partnerschap hebben gemaakt. Eiser heeft in zijn aangifte vermeld dat hij meer dan zes maanden ongehuwd samenwoonde met een huisgenoot maar dat niet werd gekozen voor het fiscale partnerschap. [Y.] heeft voor het jaar 2003 geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend en in geding is niets aangevoerd of overgelegd op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij op andere wijze de keuze voor het fiscaal partnerschap kenbaar heeft gemaakt. Eerst in beroep maakt eiser aanspraak op de verhoogde heffingskorting. Het beroepschrift, dat namens eiser door diens adviseur is ingediend, kan, gelet op de inhoud daarvan, naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als het kenbaar maken van en gezamenlijk keuze eiser en [Y.]. Eiser en [Y.] kunnen voor het jaar 2003 dus niet worden aangemerkt als fiscale partners in de zin van artikel 1.2 van Wet.

2.8 Indien er al van uit zou worden gegaan dat eiser en [Y.] de partnerkeuze hebben gemaakt en [Y.] aanspraak zou kunnen maken op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting ingevolge artikel 8.9 van de Wet, dan nog kan de algemene heffingskorting van [Y.] niet aan eiser worden toegekend. Hiervoor dient [Y.] zelf aangifte te doen en daarbij aanspraak te doen gelden op toepassing van de verhoging van de gecombineerde heffingskorting.

2.9 Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat [Y.] geen partner is van eiser omdat zij in de GBA gedurende het gehele jaar 2003 op een ander adres stond ingeschreven dan eiser. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat de GBA-gegevens waarover verweerder beschikt kennelijk onjuist zijn en dat hij die wil verifiëren. De rechtbank gaat aan dit bewijsaanbod van eiser voorbij omdat de uitkomst daarvan, hoe die ook zou luiden, niet kan afdoen aan hetgeen is overwogen onder 2.7 en 2.8.

2.10 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.11 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.