Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC5942

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/2310 en 07/3534 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet ambulancevervoer. Beroep tegen afgeven vergunning voor het verrichten van buitenlandvervoer ongegrond. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nrs. AWB 07/2310 en 07/3534 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en in de hoofdzaak van

de Regionale Dienst Openbare Gezondheidszorg Hollands Midden (hierna: de RDOG) en de Regionale Brandweer en GHOR Hollands Midden (hierna: de Regionale Brandweer), beide zetelend te Leiden, verzoekers, tevens eisers in de hoofdzaak,

ten aanzien van het besluit van 8 februari 2007 van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder, waarbij ingevolge de Wet ambulancevervoer aan de Ambulance Service Nederland, gevestigd te Moerkapelle, gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: ASN), een vergunning is verleend voor het verrichten van buitenlandvervoer.

Tegen dit besluit hebben de RDOG en de Regionale Brandweer bij brief van 21 maart 2007, aangevuld bij brief van 24 april 2007, beroep ingesteld. Tevens hebben zij bij brief van 3 mei 2007, aangevuld bij brief van

30 mei 2007, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 18 juli 2007 gelijktijdig met de beroepen van Stichting Medicare (AWB 07/2289 BESLU) en Broeder de Vries Dutch Medical Services (AWB 07/2293 BESLU) ter zitting behandeld, alwaar namens de RDOG P. Haasbeek is verschenen, bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden. De Regionale Brandweer werd vertegenwoordigd door mr. F.P. Galen. Verweerder heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door

E. Boonstra. Namens ASN is M.A. Brinckman verschenen, bijgestaan door mr. F. Bonefaas, advocaat te Leiden.

I. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83,

eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

2.1. Bij brief van 14 oktober 2006 heeft Village Green Safety Support U.A. te Moerkapelle verweerder verzocht om verlening van een vergunning buitenlandvervoer met twee bijbehorende aanhangsels. Bij brief van

3 december 2006 is namens Village Green Safety Support U.A. de nieuwe naam van het bedrijf doorgegeven, te weten ASN.

2.2. Bij het thans bestreden besluit van 8 februari 2007 heeft verweerder vervolgens ingevolge de Wet ambulancevervoer aan ASN een vergunning verleend voor het verrichten van buitenlandvervoer. Daarbij is het voorschrift opgenomen dat voor het verrichten van ambulancevervoer slechts van twee ambulanceauto’s gebruik mag worden gemaakt, welke worden genoemd in de bij de vergunning behorende aanhangels.

3. De RDOG en de Regionale Brandweer kunnen zich niet met dit besluit verenigen en stellen dat de vergunning is verleend in strijd met het vigerende provinciale spreidingsplan, waarin een maximum aantal ambulances voor de regio is vastgesteld. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet op voorhand onderzocht of de vergunninghouder zal kunnen voldoen aan de eisen die door de centrale post ambulancevervoer worden gesteld aan de samenwerking, terwijl dit essentieel is voor het waarborgen van de vereiste kwaliteit van het ambulancevervoer. ASN maakt geen deel uit van van de Regionale Ambulancedienst (hierna: RAD), die een Regionaal Ambulance-plan heeft vastgesteld. Er is alle reden om aan te nemen dat ASN niet aan de eisen zal kunnen voldoen. Door de vergunning aan ASN te verlenen worden de overige vervoerders, waaronder de RDOG, rechtstreeks in hun belang getroffen, omdat het beschikbare aantal ritten thans over een groter aantal vervoerders verdeeld dient te worden. Dit terwijl de RDOG, waarvan de RAD onderdeel uitmaakt, grote investeringen heeft moeten doen om aan alle eisen van de centrale post ambulancevervoer te kunnen voldoen.

4.1. Artikel 2, eerst lid, van de Wet Ambulancevervoer (hierna: WAV) bepaalt dat het verboden is ambulancevervoer te verrichten:

a. zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie waar de centrale post is gelegen voor het gebied waarop de aanvrage betrekking heeft;

b. zonder opdracht, in het gegeven geval verstrekt door degene die belast is met de leiding van de in de vergunning aangewezen centrale post.

4.2. Ingevolge artikel 4, eerst lid, van de WAV bepalen gedeputeerde staten het aantal ambulanceauto’s, waarmede tenminste aan het ambulancevervoer moet en ten hoogste mag worden deelgenomen, alsmede de spreiding hiervan.

Ingevolge het derde lid kan Onze Minister ter zake van de in dit artikel opgedragen taken beleidsregels geven.

4.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de WAV beslist ten aanzien van elke aanvrage om ambulancevervoer degene die is belast met de leiding van de centrale post binnen welker gebied het aangevraagde vervoer aanvangt, of ambulancevervoer nodig is, alsmede door wie en op welke wijze het zal worden verricht. Zo nodig kan hij degene die met de leiding van een andere centrale post is belast verzoeken een opdracht tot het verrichten van het aangevraagde ambulancevervoer te verstrekken. Ingeval van vervoer vanuit het buitenland wordt de beslissing genomen door degene die is belast met de leiding van de in de vergunning van de vervoerder aangewezen centrale post.

4.4. Ingevolge artikel 10 van de WAV moet en mag een vergunning voor het verrichten van ambulancevervoer slechts worden geweigerd indien:

a. de verlening niet in overeenstemming zou zijn met de omvang van de behoefte aan ambulancevervoer en de spreiding hiervan, zoals deze zijn vastgesteld krachtens artikel 4;

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat niet of niet op de juiste wijze gevolg zal worden gegeven aan de beslissingen van degene die met de leiding van de centrale post is belast.

4.5. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de WAV kan een vergunning onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften kunnen worden gewijzigd of ingetrokken en nieuwe voorschriften kunnen worden gesteld.

5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu de omvang van de regionale behoefte aan buitenlandvervoer niet is vastgesteld krachtens artikel 4 van de WAV, de vergunning zonder beperkingen die aan de RDOG is verleend niet mede het buitenlandvervoer omvat.

Voor dit standpunt biedt de wet geen aanknopingspunten. De wet kent geen onderscheid naar internationaal ambulancevervoer. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de WAV kan een vergunning onder beperkingen worden verleend. Hieruit moet worden afgeleid dat indien dat niet is gebeurd de vergunning is verleend voor al het ambulancevervoer als bedoeld in artikel 2 van de WAV. Verder kan uit artikel 7, eerste lid, derde volzin, van de WAV, dat een regeling voor vervoer vanuit het buitenland bevat, niet worden afgeleid dat het buitenlandvervoer slechts is toegestaan voor houders van een tot dit onderwerp beperkte vergunning.

5.2. Dit betekent overigens niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door aan ASN een vergunning te verstrekken. Niet in geschil is dat de omvang van de behoefte aan buitenlandvervoer en de spreiding ervan niet nader zijn vastgesteld. Dat betekent dat het in het spreidingsplan 1995 vastgesteld maximum aantal van 29 ambulances alleen ziet op het ambulancevervoer waarvan de behoefte wel is berekend, te weten spoedeisende ambulancezorg en besteld vervoer, alsmede werkzaamheden in het kader van geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

De conclusie is dat artikel 10, aanhef en sub a, van de WAV geen grondslag biedt voor een afwijzing van de aanvraag.

5.3. Betreffende de weigeringsgrond genoemd in artikel 10, aanhef en sub b, van de WAV heeft verweerder gemotiveerd dat hij ervan uit gaat dat "het al dan niet deel uitmaken van eenzelfde organisatie bij de huidige wetgeving niet per definitie zal/mag leiden tot het niet op de juiste wijze gevolg geven" door ASN aan de beslissingen van degene die is belast met de leiding van de centrale post.

Deze uitleg is niet onjuist. Op grond van deze bepaling is verweerder niet bevoegd verdergaand te onderzoeken of de vergunningaanvrager met de centrale post zal kunnen samenwerken.

In het kader van de behandeling van vergunningaanvraag zijn geen omstandigheden gesteld noch aan verweerder gebleken op grond waarvan het voor verweerder aannemelijk moet zijn dat een situatie als bedoeld in artikel 10, aanhef en sub b, van de WAV zich zal voordoen. De omstandigheid dat de centrale post tot op heden alleen met de RAD als enige ambulancevervoerder te maken had, maakt dit niet anders.

5.4. De stelling van de RDOG dat hij door de vergunningverlening aan ASN in zijn belang wordt getroffen, omdat het beschikbare aantal ritten thans over een groter aantal vervoerders verdeeld dient te worden, treft geen doel. Daarbij is van belang dat ter zitting namens de RDOG is toegelicht dat er eigenlijk nagenoeg geen buitenlandvervoer plaatsvindt, nu buitenlandvervoer aanvangt in de regio waar de melding binnenkomt en de regio Hollands Midden nauwelijks dergelijke meldingen ontvangt.

6. Het beroep is derhalve ongegrond. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. Molemans.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.