Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC5651

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
269480 - FA RK 06-4380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie van een kind dat door middel van hoogtechnologisch draagmoederschap in het buitenland is verwekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Adoptie

rekestnummer : FA RK 06-4380

zaaknummer : 269480

datum beschikking : 10 december 2007

BESCHIKKING op het op 17 juli 2006 ingekomen verzoekschrift van:

T. [ X] en F. [ X],

[woonplaats],

verzoekers, dan wel verzoeker of verzoekster,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat: mr. M.M. Schoots te Naarden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende],

[woonplaats], Verenigd Koninkrijk,

de draagmoeder.

Als informanten worden aangemerkt:

1. de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

2. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de ambtenaar.

PROCEDURE

Bij beschikking van 29 augustus 2007 van deze rechtbank is bepaald dat de behandeling van het verzoek zal worden voortgezet op de terechtzitting van de Meervoudige Kamer van 1 oktober 2007 en is de zaak verwezen naar die kamer.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

-de brief d.d. 27 september 2007 van de zijde van verzoekers, met als bijlage een instemmingsverklaring d.d. 20 september 2007 van de draagmoeder.

Op 1 oktober 2007 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

verzoekers vergezeld van mr. S.C.A. van Vlijmen, kantoorgenoot van hun advocaat.

Namens de raad was mevrouw M. Mooijman aanwezig.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

-het faxbericht d.d. 10 oktober 2007 van de zijde van verzoekers;

-de brief d.d. 16 oktober 2007, ingekomen ter griffie op 6 november 2007, van de zijde van de ambtenaar;

-het faxbericht d.d. 19 november 2007 van de zijde van verzoekers.

BEOORDELING

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

De rechtbank stelt voorop dat zij de opmerkingen van de ambtenaar ten aanzien van het verzoek tot adoptie buiten beschouwing laat, nu de ambtenaar slechts is verzocht zich uit te laten omtrent de vaststelling van de geboortegegevens van de minderjarige.

Toepasselijkheid Wobka / Beginseltoestemming

Vast staat dat de minderjarige Brits burger is, dat verzoeker de Nederlandse en de Oostenrijkse nationaliteit heeft en dat verzoekster de Oostenrijkse nationaliteit heeft. Gelet hierop dient allereerst te worden beoordeeld of de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) op de onderhavige zaak van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1 Wobka wordt verstaan onder de term 'buitenlands kind':

een buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende minderjarige in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke wordt of zal worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers in feite de plaats van de ouders innemen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2 Wobka is de opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie uitsluitend toegestaan, indien van de Minister van Justitie een voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel voor zodanige opneming toestemming verleent (beginseltoestemming). De aspirant-adoptiefouders zijn niet in het bezit van een dergelijke beginseltoestemming.

Nu de [minderjarige] buiten Nederland is geboren en de Nederlandse nationaliteit niet bezit, is de Wobka naar de letter van de wet op het onderhavige geval van toepassing.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze wet buiten toepassing dient te blijven in gevallen zoals het onderhavige waarin een in het buitenland geboren minderjarige vanwege de toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap genetisch volledig afkomstig is van de in Nederland gevestigde aspirant-adoptiefouders. Uit de wettekst van de Wobka noch uit de toelichtingen hierop blijkt dat men bij de totstandkoming van deze wet, naast de 'klassieke adoptie', namelijk adoptie van een kind dat zowel biologisch als genetisch afstamt van andere ouders dan de wensouders, heeft willen voorzien in gevallen waarin sprake is van adoptie van een buitenlands kind dat genetisch volledig afkomstig is van aspirant-adoptiefouders die in Nederland woonachtig zijn. Dat deze wet slechts is geschreven met het oog op gevallen van 'klassieke adoptie' blijkt reeds uit het feit dat in artikel 8 van die wet, aanhef en sub c, als voorwaarde bij de binnenkomst in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie wordt gesteld dat de aspirant-adoptiefouders dienen aan te geven op welke wijze gebruik is gemaakt van de bemiddeling van een vergunninghouder als bedoeld in artikel 15 en 16 van die wet. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat uit bovenstaande definitie van het begrip 'buitenlands kind' van artikel 1 Wobka moet worden afgeleid dat waar wordt gesteld dat het kind in een ander gezin dan het ouderlijk gezin zal worden verzorgd, de wetgever niet het oog kan hebben gehad op een situatie als zich in deze zaak voordoet.

Uit het vorenstaande volgt dat in het onderhavige geval geen beginseltoestemming is vereist. Dit neemt niet weg dat, naar het oordeel van de rechtbank, in gevallen van adoptie van een middels de toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap in het buitenland geboren kind aanvullende voorwaarden moeten worden gesteld. Deze aanvullende voorwaarden moeten naar het oordeel van de rechtbank inhouden dat de (wettelijke) vereisten die in Nederland worden gesteld aan het verkrijgen van een kind middels hoogtechnologisch draagmoederschap ook in het buitenland zijn nageleefd.

De rechtbank overweegt hiertoe dat het niet naleven van deze vereisten althans het niet op uiterst zorgvuldige wijze uitvoeren van een hoogtechnologisch draagmoederschap en de daarbij behorende procedures strijd kan opleveren met het belang van de minderjarige.

In het navolgende zal de rechtbank bezien of in onderhavige zaak is voldaan aan de (wettelijke) vereisten die in Nederland worden gesteld aan de toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap.

Voorwaarden hoogtechnologisch draagmoederschap

1. Wettelijk vereiste: verbod op commercieel draagmoederschap

Het op enigerlei wijze medewerking verlenen aan commercieel draagmoederschap is in Nederland verboden. Dit verbod is neergelegd in artikel 151b van het Wetboek van Strafrecht.

Verzoekers hebben verklaard dat van commercieel draagmoederschap geen sprake was. Omdat zij in Nederland niemand kenden die voor hen als draagmoeder wilde optreden, hebben zij zich gewend tot de stichting Childlessness Overcome Through Surrogacy (COTS). Verzoekers hebben gesteld dat dit een ideële organisatie is die zonder winstbejag mensen die ongewenst kinderloos zijn wil helpen met het krijgen van eigen kinderen. Via de stichting COTS zijn zij in contact gebracht met de draagmoeder die zich bereid heeft verklaard een kind voor hen te dragen. Verzoekers hebben verklaard dat zij slechts de kosten hebben betaald voor de medische ingrepen en de onkosten die de draagmoeder heeft moeten maken tijdens de zwangerschap en de geboorte.

Gelet op het rapport van de raad d.d. 17 juni 2005 waaruit blijkt dat de raad niet heeft kunnen constateren dat er sprake is geweest van enige vorm van mensenhandel of commercieel draagmoederschap, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van verzoekers dat geen sprake is geweest van commercieel draagmoederschap.

2. Richtlijn NVOG

De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie heeft in januari 1999 (nr. 18) een richtlijn hoogtechnologisch draagmoederschap (hierna: de richtlijn) uitgevaardigd. In deze richtlijn wordt onder meer ingegaan op de juridische aspecten van hoogtechnologisch draagmoederschap en worden een aantal voorwaarden gesteld aan de uitvoering van hoogtechnologisch draagmoederschap in Nederland.

Juridische aspecten

In paragraaf 2.3 van de richtlijn wordt ingegaan op de juridische aspecten van hoogtechnologisch draagmoederschap:

'Volgens geldend Nederlands recht is de vrouw uit wie het kind geboren is in afstammingsrechtelijke zin de moeder(..) en haar eventuele echtgenoot de wettelijke vader. Om het kind uiteindelijk het wettig kind van de wensouders te doen zijn, zal de normale adoptieprocedure gevolgd moeten worden. Dit betekent dat het kind door de wensouders daadwerkelijk moet worden verzorgd en opgevoed. Direct na de bevalling zal de draagmoeder een verzoek tot ontheffing uit de ouderlijke macht indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming en het kind overdragen aan de wensouders. Hiervoor is echter toestemming vereist van de Raad voor de Kinderbescherming terwijl melding aan de burgemeester en toezicht door de Raad voorzien zijn in de Pleegkinderenwet. Daarbij geldt dat in het geval van afstand door de moeder een termijn van drie maanden van verzorging ‘op neutraal terrein’ geldt voordat het kind wordt overgedragen aan de beoogde pleegouders. In het geval van draagmoederschap zijn er goede argumenten om te betogen dat het in het belang van het kind is om het terstond aan de zorg van de wensouders toe te vertrouwen. Overleg vooraf met de Raad voor de Kinderbescherming dient plaats te vinden.'

Voorwaarden en vuistregels

In paragraaf 3.4 van de richtlijn zijn - onder meer - de volgende voorwaarden opgenomen die worden gesteld aan de wensouders en aan de draagmoeder:

-voor de wensmoeder geldt de bij IVF gebruikelijke leeftijdsgrens van ongeveer 40 jaar;

-voor de draagmoeder geld een leeftijdsgrens van 44 jaar;

-de draagmoeder dient bij voorkeur zelf een voltooid gezin te hebben, maar in ieder geval reeds een eigen kind te hebben gebaard.

In paragraaf 4 van de richtlijn is tot slot een aantal vuistregels opgenomen:

1.Draagmoederschap dient beschouwd te worden als een ultimum remedium.

2.De behandeling wordt beperkt tot een aantal medische indicaties.

3.Medische, psychologisch en juridische counseling dient een integraal onderdeel uit te maken van de behandeling.

4.(...)

Hoewel het de voorkeur verdient dat de raad voorafgaand aan de uitvoering van een hoogtechnologisch draagmoederschap wordt geconsulteerd, is de rechtbank van oordeel dat verzoekers zich in voldoende mate hebben ingespannen om de in de richtlijn aangegeven vereiste juridische stappen te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Gebleken is dat verzoekers driemaal contact hebben gehad met de raad voor de kinderbescherming in Engeland, die ermee heeft ingestemd dat verzoekers de minderjarige meenamen naar Nederland. Voorts is gebleken dat de advocaat van verzoekers de raad in november 2004 heeft verzocht om schriftelijk toestemming te verlenen voor opname van de minderjarige in het gezin van verzoekers en dat de raad deze toestemming op 7 december 2004 heeft verleend. Vervolgens is bij beschikking van deze rechtbank d.d. 1 februari 2006 de draagmoeder op verzoek van de raad ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en zijn verzoekers benoemd tot voogd over de minderjarige.

De rechtbank is voorts voldoende gebleken dat het hoogtechnologisch draagmoederschap in Engeland is uitgevoerd conform de voorwaarden die zijn opgenomen in de richtlijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat:

-er in onderhavige zaak een duidelijke medische indicatie voor behandeling aanwezig is nu verzoekster het syndroom van Mayer-Rokitansky-Küster heeft;

-verzoekers hebben verklaard dat zij alle mogelijkheden voor het krijgen van een eigen kind hebben onderzocht;

-zowel verzoekster (geboren op [datum] 1976) als de draagmoeder (geboren op [datum] 1969) voldoen aan de gestelde leeftijdsvereisten;

-gebleken is dat de draagmoeder reeds eigen kinderen heeft gebaard;

-uit het stuk Memorandum of Agreement relating to Surroggacy Arrangement d.d. 8 maart 2003 blijkt dat er in een bepaalde vorm van counseling door een medewerker van het COTS heeft plaatsgevonden (paragraaf 1).

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat in onderhavig zaak is voldaan aan de (wettelijke) vereisten die in Nederland worden gesteld aan kindsverkrijging middels hoogtechnologisch draagmoederschap.

Adoptie naar Nederlands recht

De rechtbank zal in het navolgende bezien of aan de vereisten van artikel 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan.

Verzoeker, geboren op [datum] 1975 te [plaats], en verzoekster, geboren op [datum] 1976 te [plaats] (Oostenrijk), zijn met elkaar gehuwd op 29 juni 2002 te Eisenerz (Oostenrijk). Blijkens de overgelegde uittreksels uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Gouda wonen zij sinds 10 september 2002 op hun huidige adres. Verzoekers hebben derhalve ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het adoptieverzoek met elkaar samengeleefd.

Blijkens het overgelegde uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente hebben verzoekers de minderjarige op 19 juli 2004 in hun gezin opgenomen. Verzoekers hebben de minderjarige derhalve gedurende ten minste één jaar verzorgd en opgevoed.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 1 februari 2006 is de draagmoeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige ontheven en zijn verzoekers benoemd tot voogd over de minderjarige. De draagmoeder heeft derhalve niet langer het gezag over de minderjarige.

De draagmoeder heeft schriftelijk ingestemd met het verzoek tot adoptie van de minderjarige ten gunste van verzoekers.

Gelet op het feit dat bij de draagmoeder de wil ontbreekt om voor de minderjarige te zorgen terwijl het bovendien haar uitdrukkelijke wens is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan verzoekers over te laten, hetgeen ook blijkt uit de op 8 maart 2003 gesloten overeenkomst 'Memorandum of Agreement relating to Surrogacy Arrangements', staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de minderjarige niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van moeder te verwachten heeft.

Uit het rapport van de raad d.d. 17 juni 2005 blijkt dat de belangen van de minderjarige het meest zijn gediend en gewaarborgd in het gezin van verzoekers. Volgens de raad maken verzoekers een betrokken indruk en zijn zij erg blij met de minderjarige. De raad acht het in het hoogste belang van de minderjarige dat zij bij haar wensouders wordt opgevoed en dat zij door hen wordt geadopteerd.

Gelet op het rapport van de raad en de omstandigheid dat de minderjarige volledig genetisch afkomstig is van verzoekers, acht de rechtbank adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige.

Nu aan de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - voor zover in deze zaak van toepassing - is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie toewijzen.

Namen

De namen van de minderjarige luiden volgens de Engelse geboorteakte: [minderjarige]. Deze naamsvaststelling dient volgens artikel 1 Wet conflictenrecht namen (WCN) in Nederland te worden erkend.

Nu de minderjarige ten gevolge van de Engelse geboorteakte reeds de geslachtsnaam van verzoekers draagt en verzoekers geen wijziging van de geslachtsnaam hebben verzocht, komt aan artikel 1:5 lid 3 juncto artikel 1:5 lid 8 BW geen betekenis toe en behoudt de minderjarige de geslachtsnaam [X]. Daarbij merkt de rechtbank op dat het vorenstaande niet af doet aan hetgeen bij beschikking van heden door deze rechtbank is beslist en overwogen met betrekking tot de vaststelling van de geboortegegevens van de minderjarige.

Geboortegegevens

Bij afzonderlijke beslissing van heden zullen ambtshalve de geboortegegevens van de minderjarige worden vastgesteld.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de adoptie van:

[minderjarige],

geboren op [datum] 2004, te [plaats], Verenigd Koninkrijk,

door [verzoekers].

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G.J. Brink, J.M.J. Keltjens en A.C. Olland, kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2007.