Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC5647

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/44181, 07/44180
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / homoseksuele geaardheid / nieuw feit of omstandigheid

Verzoeker heeft de Angolese nationaliteit en heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het betreft een herhaalde asielaanvraag. Tijdens het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden heeft verzoeker verklaard dat hij een jaar geleden ontdekte dat hij homoseksueel was en dat hij deswege vreest om in Angola te worden vervolgd. Niet in geschil is de homoseksuele geaardheid van verzoeker. Aangenomen dat die geaardheid genetisch is bepaald, is er in zoverre geen sprake van een nieuw feit of omstandigheid die eerst is voorgevallen na het afwijzende besluit op verzoekers eerste aanvraag. De kern van het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoeker zich bij zijn eerste asielaanvraag al zodanig bewust kon zijn van zijn seksuele geaardheid dat hij dit in het kader van het onderzoek naar die aanvraag naar voren had kunnen en moeten brengen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en acht daartoe het volgende redengevend. Bij binnenkomst in Nederland was verzoeker vijftien jaar. Tijdens zijn eerste asielprocedure heeft hij nog niet over zijn homoseksuele geaardheid verklaard, omdat hij daar toen nog niet zeker van was. In Angola had hij al wel gevoelens voor jongens, maar tevens had hij daar een vaste vriendin. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verzoeker zich ten tijde zijn eerste asielprocedure nog in een proces bevond waarin hij zoekende was naar zijn seksuele geaardheid, waarbij gevoelens van twijfel, schaamte en angst een rol hebben gespeeld. Dat verzoeker zich tijdens zijn eerste asielaanvraag nog niet (ten volle) bewust was van zijn homoseksuele geaardheid blijkt wel uit de verklaringen dat hij aanvankelijk ook in Nederland relaties met vrouwen heeft gehad en eerst in januari 2007 openlijk een homoseksuele relatie is aangegaan. Mitsdien is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers bewustwording van zijn homoseksualiteit heeft plaatsgevonden na zijn eerste asielprocedure. Verweerder heeft derhalve de aanvraag ten onrechte afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit. Beroep gegrond. Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers:

AWB 07 / 44181 (voorlopige voorziening)

AWB 07 / 44180 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 december 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1986, van Angolese nationaliteit, verblijvende in de Detentieboot te Dordrecht,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. van Veelen - de Hoop, advocaat te Rotterdam,

tegen:

staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 20 november 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 november 2007 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 25 november 2007 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 25 november 2007 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 december 2007. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft eerder op 2 april 2002 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 14 november 2002 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 11 december 2002 beroep ingesteld. Tegen het deel van het besluit van 14 november 2002 dat ertoe strekt verzoeker een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige’ te onthouden heeft verzoeker op 11 december 2002 bezwaar gemaakt. Op 27 maart 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 23 april 2003 beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 11 juni 2004 (AWB 03/24428 en AWB 02/92264) zijn de beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend, zodat met deze uitspraak de besluiten van 14 november 2002 en 27 maart 2003 onherroepelijk zijn geworden.

2.6 Naar aanleiding van de asielaanvraag van 20 november 2007 is verzoeker op 22 november 2007 gehoord. Uit het rapport van dat gehoor blijkt dat verzoeker heeft verklaard dat hij een herhaalde aanvraag doet omdat hij een jaar geleden ontdekte dat hij homoseksueel is en dat hij deswege vreest om in Angola vervolgd te worden.

2.7 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking, omdat de onderhavige aanvraag niet is gestoeld op nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

2.8 Verzoeker heeft hier tegen ingebracht dat zijn homoseksualiteit als een nieuw gebleken feit of omstandigheid beschouwd dient te worden. Eerst in Nederland is hij zich bewust geworden van zijn seksuele gevoelens en is hij er openlijk voor uitgekomen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager ingevolge artikel 4:6, eerste lid Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.10 Beoordeeld dient te worden of hetgeen verzoeker bij zijn nieuwe asielaanvraag van 20 november 2007 heeft aangevoerd met betrekking tot zijn homoseksualiteit een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid (novum) in de zin van artikel 4:6 Awb is.

2.11 Volgens vast jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moeten onder nova worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.12 Niet in geschil is de homoseksuele geaardheid van verzoeker. Aangenomen dat die geaardheid genetisch is bepaald, is er in zoverre geen sprake van een feit of omstandigheid die eerst is voorgevallen na het afwijzende besluit op eisers eerste asielaanvraag. De vraag is wel of eiser zich bij zijn eerste asielaanvraag al zodanig bewust kon zijn van zijn seksuele geaardheid dat hij dit in het kader van het onderzoek naar die aanvraag naar voren had kunnen en moeten brengen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en acht daarbij het volgende van belang.

2.13 Verzoeker was ten tijde zijn binnenkomst in Nederland, naar gesteld en niet bestreden, nog maar vijftien jaar oud. Tijdens het gehoor op zijn nieuwe asielaanvraag heeft hij verklaard dat hij tijdens zijn eerste asielprocedure nog niet over zijn homoseksuele geaardheid heeft verteld, omdat hij daar toen nog niet zeker van was. In Angola had hij wel gevoelens voor jongens, maar tevens had hij er een vaste vriendin. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat verzoeker zich ten tijde zijn eerste asielprocedure nog in een proces bevond waarin hij zoekende was naar zijn seksuele geaardheid, bij welk proces gevoelens van twijfel, schaamte en angst een rol hebben gespeeld. De verklaring van verzoeker dat hij in Angola op acht-, negen- en tienjarige leeftijd enkele seksuele ervaringen met jongens heeft gehad, kan aan die conclusie niet afdoen. Dat verzoeker zich ten tijde van de eerste asielaanvraag nog niet (ten volle) bewust was van zijn homoseksuele geaardheid blijkt wel uit de verklaringen van eiser dat hij aanvankelijk ook in Nederland relaties met vrouwen heeft gehad en eerst in januari 2007 openlijk een homoseksuele relatie is aangegaan.

2.14 Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers bewustwording van zijn homoseksualiteit heeft plaatsgevonden na zijn eerste asielprocedure. Verweerder heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet is gestoeld op nieuw gebleken feiten of omstandigheden en heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit.

2.15 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Verweerder heeft ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, Awb, zodat het besluit voor

vernietiging in aanmerking komt.

2.16 De voorzieningenrechter zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.17 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.18 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan verzoeker in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 322,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 7 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S. Rabbering, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.