Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC5610

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/6134 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen weigering schadevergoeding vanwege onjuiste betaling WAO uitkering ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/6134 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 23 januari 2006 heeft eiser verweerder verzocht hem de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de onjuiste uitbetaling van zijn WAO-uitkering in de periode van 1999 tot 2005 te vergoeden.

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder eiser die schadevergoeding geweigerd.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 juni 2006 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 juli 2006, van gronden voorzien bij brief van 25 augustus 2006, beroep ingesteld.

Het beroep is op 16 augustus 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser niet verschenen, maar heeft hij zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Jankie, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

Motivering

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of verweerder het besluit tot afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding na heroverweging terecht heeft gehandhaafd.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding een zuiver schadebesluit is. Bij de beoordeling van een dergelijk besluit dient hetzelfde materiële schadevergoedingsrecht te worden toegepast als bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (verwezen wordt naar RSV 2002, 61) dient bij dergelijke verzoeken zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Dat dient derhalve ook bij de beooordeling van het in geding zijnde zelfstandige schadebesluit te gebeuren.

Vastgesteld wordt dat artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de schadevergoedingsverplichting wegens vertraging in de voldoening van een geldsom normeert. Voor zover het immateriële schade betreft, wordt aansluiting gezocht bij artikel 6:106 van het BW.

Eiser zegt schade te hebben geleden als gevolg van het te laat uitbetalen van zijn WAO-uitkering.

Ingevolge artikel 6:119, eerste lid, van het BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

Vastgesteld moet worden dat verweerder bij besluit van 11 oktober 2005 eiser die vertragingsschade reeds heeft toegekend. Het beroep tegen de handhaving van dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2006 (AWB 06/1430 WAO) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk.

Dit betekent dat eiser geen te honoreren aanspraak heeft op een zelfstandige vergoeding van de (overige) uit de vertraagde uitbetaling van de WAO voortgevloeide schadeposten zoals de kosten van leningen, nog daargelaten of dergelijke kosten voldoende aannemelijk zijn gemaakt.

Voor zover het de vergoeding van immateriële schade betreft, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade geleden heeft. Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van zulke schade dan moet aannemelijk zijn dat er sprake is geweest van een als aantasting van eisers persoon aan te merken geestelijk letsel, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het BW. Daarvan is, nu eiser dit onderdeel van zijn beroep niet nader heeft geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, in zijn geval niet kunnen blijken.

Het beroep is ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.