Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC4919

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/42754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afghanistan / 1F / Hezb-i-Wahdat / personal and knowing participation

Verweerder heeft verzoeker vanwege zijn rang van opperofficier bij de Hezb-i-Wahdat artikel 1F tegengeworpen en verzoeker ongewenst verklaard. Verzoeker heeft o.a. gewezen op de kritiek die ondermeer vanuit Afghanistan is geleverd op het Nederlandse 1F-beleid inzake Afghanistan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van verzoeker sprake is van ‘personal and knowing participation’. Verzoeker was op de hoogte van de mensenrechten-schendingen door strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat en heeft deze mensenrechten- schendingen vanwege zijn rang en functie binnen de strijdkrachten van de Hezb i Wahdat ook gefaciliteerd. Verweerder heeft verzoeker in dat verband kunnen verwijten dat hij ondanks zijn wetenschap omtrent de mensenrechten- schendingen niets heeft ondernomen om deze misdrijven te voorkomen. Evenmin heeft hij zich van die misdrijven gedistantieerd. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat hij opperofficier is geweest voor de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat. Verzoeker heeft in de periode na 1992 nog carrière gemaakt en uiteindelijk de ook voor een opperofficier zeer hoge rang van luitenant-generaal verworven. Verzoeker was als hoofd operationele zaken verantwoordelijk voor de divisies 95, 96 en 98 en heeft vanwege deze functie verantwoordelijkheid gedragen voor de operationele inzet van de strijdkrachten van de Hezb i Wahdat. Verzoeker kan dan ook vanuit zijn functie verantwoordelijk worden gehouden voor het ongebreidelde geweld van de Hezb i Wahdat. Daarbij heeft verweerder voorts terecht van belang geacht dat verzoeker heeft verklaard dat hij een van de 14 à 15 militairen was die lid waren van het uitvoerend militair comité van de Hezb-i-Wahdat wat als onderdeel van het bestuur van de Hezb-i-Wahdat mede verantwoordelijk was voor de besluitvorming van de partij. Een en ander duidt er op dat aangenomen mag worden dat verzoeker tot de militaire top heeft behoord. Voorts blijkt uit de verklaringen van verzoeker dat hij zelf bij gevechtshandelingen betrokken is geweest en vanuit zijn functie verantwoordelijk kan worden gehouden voor het faciliteren van deze gevechten en de daarmee gepaard gaande schending van mensenrechten. De door verzoeker ingebrachte brief van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni, van 5 augustus 2007 en de brief van de UNHCR van 14 november 2007 ziet specifiek op het ambtsbericht van 29 februari 2000 over de veiligheidsdienst KhAD/WAD en de daarin opgenomen passage inzake de persoonlijke betrokkenheid van alle onderofficieren en officieren bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen. Weliswaar is de kritiek van de UNHCR op onderdelen algemener in die zin dat de ambtsberichtgeving de betrokken personen in een zeer moeilijke bewijspositie plaatst, maar het standpunt van verweerder in het onderhavige geval is niet louter gebaseerd op het feit dat verzoeker opperofficier is geweest maar ook op verzoekers eigen verklaringen en verklaringen van anderen over verzoekers functie bij de Hezb-i-Whadat en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/42754

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2007

inzake

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1954,

van Afghaanse nationaliteit,

verblijvende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. J.M.M. Verstrepen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M.J. Pieters.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij dit besluit is verzoeker tevens ongewenst verklaard.

Tegen het besluit voor zover dit ziet op de ongewenstverklaring heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Op 13 november 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank, wegens het aan het bezwaar onthouden van schorsende werking, verzocht om hangende de bezwaarschriftprocedure een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 december 2007, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,

op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoeker belang heeft bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat verzoeker hierbij geen belang heeft, nu de ongewenstverklaring voortduurt en verzoeker geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring niet is ingetrokken, vernietigd of is opgeheven. Nu de verzochte voorlopige voorziening er niet toe kan leiden dat het besluit tot ongewenstverklaring wordt ingetrokken of vernietigd, dan wel dat de ongewenstverklaring wordt opgeheven, dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen, aldus verweerder.

3. Ingevolge de hoofdregel van artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. De Vw 2000 kent geen bepalingen die in een geval zoals het onderhavige, in afwijking van artikel 6:16 van de Awb schorsende werking aan het instellen van bezwaar verlenen. Artikel 73 van de Vw 2000, waarin opschorting van de werking van vreemdelingrechtelijke besluiten door bezwaar is geregeld, ziet immers op besluiten tot afwijzing van een aanvraag of intrekking van een verblijfsvergunning en niet op een besluit tot ongewenstverklaring. Verzoeker kan derhalve op grond van het bestreden besluit uit Nederland worden verwijderd. Verzoeker heeft daarom belang bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

4. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2007 een redelijke kans van slagen heeft en heeft en gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

5. Verzoeker heeft op 29 november 2001 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 3 december 2003 is deze aanvraag afgewezen. Bij de behandeling ter zitting van het hiertegen gerichte beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen besloten tot aanhouding van de zaak. Bij schrijven van 26 maart 2007 heeft verweerder aangegeven dat het besluit van 3 december 2003 is ingetrokken. Bij uitspraak van 3 april 2007 (AWB 03/66480) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, is hierop het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder alsnog een besluit diende te nemen op de aanvraag. Op 16 mei 2007 heeft verweerder verzoeker aanvullend gehoord inzake de beoordeling of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing is. Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wegens de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Bij dit besluit is verzoeker tevens ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

6. Verweerder heeft bij het bestreden besluit gesteld dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Naar aanleiding hiervan is verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst verklaard.

7. Verweerder stelt – kort samengevat – dat verzoeker vanwege zijn functie en rang in dienst van de Hezb-i-Wahdat zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verzoeker is als opperofficier in de rang van luitenant-generaal werkzaam geweest voor de Hezb-i-Wahdat. Uit een ambtsbericht van 23 juni 2000 van het ministerie van Buitenlandse Zaken over mensenrechtenschendingen door de Hezb-i-Wahdat tussen 1992 en 1999 blijkt dat deze organisatie als een zeer gewelddadige politiek-militaire beweging kan worden beschouwd. Niet alleen vanwege de genadeloze afrekeningen met politieke tegenstanders, maar vooral ook vanwege de misdaden die de milities de burgerbevolking van Afghanistan hebben aangedaan. Haar bestuurs- en militaire functionarissen, hoge officieren en soldaten hebben zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht. In de periode 1992 tot 1995 heeft de Hezb-i-Wahdat in het gebied waar zij de macht had, een waar terreurregime gevoerd.

Vanwege zijn rang van luitenant-generaal behoorde verzoeker tot de opperofficieren van de Hezb-i-Wahdat. Reeds vanwege zijn positie in de organisatie acht verweerder de conclusie gerechtvaardigd dat verzoeker wist of had moeten weten van de misdrijven die door de organisatie zijn gepleegd. Verzoeker heeft dit ook erkend.

Verweerder merkt verder op dat niet is gebleken dat verzoeker geen andere keus had dan om zich aan te sluiten bij de Hezb-i-Wahdat. Verzoeker is vervolgens voor een periode van negen jaar werkzaam geweest voor de Hezb-i-Wahdat en heeft geen pogingen ondernomen de organisatie te verlaten. Tijdens deze periode heeft verzoeker voorts een opperofficiersrang gekregen, waaruit temeer zijn betrokkenheid bij de organisatie blijkt. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat hij een actieve rol speelde en een verantwoordelijke functie innam binnen de militaire organisatie van de Hezb-i-Wahdat.

Verweerder komt dan ook tot de conclusie dat ten aanzien van verzoeker sprake is van 'personal en knowing participation' met betrekking tot handelingen in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

8. Verzoeker heeft – kort samengevat – gesteld dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ongewenstverklaring van verzoeker noodzakelijk is in het belang van de internationale betrekkingen. Uit een analyse van het beleid van de Europese landen met betrekking tot de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag blijkt dat Nederland als enige veelvuldig de bedoelde verdragsbepaling toepast. Indien Nederland zich met betrekking tot de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag terughoudender zou opstellen zou dat de internationale betrekkingen niet schaden.

Verder heeft verweerder in de besluitvorming ten onrechte geen betekenis willen hechten aan de resultaten van het onderzoek verricht door dr. Daoud Najafi naar de door eiser beweerdelijk gepleegde schendingen van mensenrechten. Dr. Najafi is verbonden aan de APAMR , een mede door Nederland gesubsidieerde organisatie ter verdediging van mensenrechten en minderheden, en heeft in die hoedanigheid contact gehad met de Nederlandse ambassade in Afghanistan. Dr. Najafi heeft in zijn schrijven van 7 september 2004 laten weten dat geen bewijs is gevonden voor de betrokkenheid van verzoeker bij de oorlogsmisdaden in Afghanistan.

Voorts is verweerder onvoldoende ingegaan op de door verzoeker ingebrachte kritiek op de ambtsberichtgeving. Verzoeker is van mening dat niet zonder meer gesteld kan worden dat ieder lid van de Hezb-i-Wahdat zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-handelingen. Verzoeker stelt dat niet alleen dient te worden gekeken naar de rang, maar evenzeer naar de inhoud van de functie. Verzoeker heeft leiding gegeven aan de afdeling Opleiding en de afdeling Transport en is niet zelf actief geweest bij gevechtshandelingen.

Verzoeker heeft zich niet persoonlijk schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Verzoeker heeft in dat verband onder meer gewezen op een brief van M.Y. Qanooni, president van Wolesi Jirga, van 5 augustus 2007 aan mevrouw G. Verbeet, de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal alsmede op een brief van de UNHCR van 14 november 2007 waarin de UNHCR kritiek uit op het Nederlandse 1F-beleid in het algemeen en de categoriale uitsluiting van voormalige KhAD/WAD officieren uit Afghanistan in het bijzonder. In dat verband heeft verzoeker verder nog gewezen op de vragen die op 26 juli 2007 door de rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, zijn gesteld aan de minister van Buitenlandse zaken over het ambtsbericht van 29 februari 2000.

Verzoeker vreest voorts voor de Sayyaf-clan bij terugkomst in het land van herkomst. Daarnaast behoort hij, vanwege zijn bekering tot het christendom, tot een risicogroep in de zin van WBV 2007/33. Evenzo vreest hij voor de Taliban vanwege zijn vroegere militaire rang.

9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

10. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

11. Uit de nota naar aanleiding van het verslag van 21 februari 2000 inzake de parlementaire behandeling van de Vw 2000 (TK 1999-2000, 26732, nr.7, blz. 211) volgt dat met artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wordt bedoeld te waarborgen dat Nederland niet mag verworden tot een gastland van personen die elders de publieke orde ernstig verstoren door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. In het onderhavige geval heeft verweerder het gestelde gevaar voor de openbare orde gebaseerd op de conclusie dat verzoeker verdacht wordt van gedragingen als beschreven in artikel 1 (F) van het Verdrag. De handelingen waarvoor verzoeker verantwoordelijk kan worden gehouden zouden ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren. Ingevolge paragraaf A5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) vordert de toepasselijkheid van artikel 1 (F) van het Verdrag dat verzoeker in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst wordt verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

12. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 de juiste grondslag biedt voor de bevoegdheid van verweerder tot ongewenstverklaring van een vreemdeling die zich heeft schuldig gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De omstandigheid dat andere Europese landen aan de toepassing van dit artikel kennelijk minder prioriteit geven doet aan de geschetste grondslag voor de bevoegdheid tot ongewenstverklaring niet af.

13. Met het oog op die bevoegdheid is daarom thans de vraag aan de orde of verweerder op rechtens juiste gronden tot de conclusie is gekomen dat het bepaalde in artikel 1 (F) van het Verdrag op verzoeker van toepassing is.

14. In artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

- hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten, welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen:

- hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

- hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

15. Ingevolge paragraaf C4/3.11.3 van de Vc 2000 acht verweerder het zijn taak om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingverdrag valt. Teneinde te bepalen of verzoeker individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, past verweerder de ‘personal and knowing participation’-test toe. Op die manier wordt beoordeeld of ten aanzien van verzoeker kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan verzoeker artikel 1(F) worden tegengeworpen.

16. Ingevolge paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 is sprake van ‘knowing participation’ als aan één van de volgende situaties is voldaan:

- indien betrokkene werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan, bijvoorbeeld voor een onderdeel van het leger, de veiligheidsdienst of de politie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) heeft gepleegd in de periode dat betrokkene daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering;

- indien betrokkene werkzaam was voor een organisatie waarvan de staatssecretaris van Justitie op basis van informatie van de minister van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot bepaalde categorieën van deze organisatie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel 1(F) zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat sprake is van een significante uitzondering; of

- indien betrokkene heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier misdrijven betrof als bedoeld in artikel 1(F), zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als bedoeld onder 1 en 2.

17. Ingevolge paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 wordt onder ‘personal participation’ niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van een misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren hiervan.

Hiervan is sprake als zonder het handelen of nalaten van betrokkene het misdrijf niet zou zijn gepleegd of dat het aanzienlijk moeilijker zou zijn geweest het misdrijf te plegen. Indien aan één van de volgende situaties is voldaan is er sprake van ‘personal participation’:

- indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat betrokkene het misdrijf als bedoeld in 1(F) persoonlijk heeft gepleegd;

- indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) onder verantwoordelijkheid van betrokkene als meerdere is gepleegd;

- indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien iemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen; of

- indien betrokkene behoorde tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de staatssecretaris van Justitie op basis van informatie van de minister van Buitenlandse Zaken of ander hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel 1(F) zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

18. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat ten aanzien van verzoeker is voldaan aan het criterium ‘knowing participation’. Gelet op zijn hoge militaire positie moet verzoeker hebben geweten van de ernstige misdrijven die door Hezb-i-Wahdat werden gepleegd. Verzoeker heeft dit ook erkend. Verzoeker heeft bij het aanvullend gehoor op 13 mei 2003 zelf verklaard dat hem sinds omstreeks 1992 bekend was dat door de Hezb-i-Wahdat schendingen van mensenrechten werden gepleegd.

19. Met betrekking tot het criterium ‘personal participation’ heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker gelet op diens hoge rang en functie in ieder geval gerekend moet worden tot de in het ambtsbericht van 23 juni 2000 genoemde categorie van hoge officieren (commandant, generaal, kolonel, majoor) van de strijdkrachten van Hezb i Wahdat die verantwoordelijk worden gehouden voor de door die strijdkrachten gepleegde schendingen van mensenrechten. Deze personen hadden met anderen binnen Hezb-i-Wahdat een gezaghebbende positie en werden op concrete wijze betrokken bij militaire besluitvorming en veiligheidskwesties. Zij hadden derhalve op concrete wijze weet van de begane schendingen van de mensenrechten c.q. oorlogsmisdaden. Zij hadden hiertoe veelal opdracht gegeven dan wel stonden dergelijke misdaden oogluikend toe en hebben binnen Hezb-i-Wahdat bewust een meedogenloos gewelddadig klimaat jegens opponenten geschapen.

20. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat uit zijn verklaringen, zoals weergegeven in het voornemen van 27 juli 2007, blijkt dat verzoeker opperofficier is geweest voor de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat. Verzoeker heeft in de periode na 1992 nog carrière gemaakt en uiteindelijk de ook voor een opperofficier zeer hoge rang van luitenant-generaal verworven. De voorzieningenrechter deelt niet verzoekers opvatting dat de functie die hij in die rang heeft bekleed onvoldoende duidelijk zou zijn geworden. Verzoeker heeft zelf aangegeven in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor dat hij hoofd operationele zaken van het legercorps was. Hierbij heeft hij ook aangegeven dat de algehele bevelhebbers/ commandanten bestuurlijk verantwoordelijk zijn voor de divisies. Verzoeker was als hoofd [afdeling] verantwoordelijk voor de divisies [...]. Hoewel verzoekers exacte werkzaamheden in die functie weinig helder zijn gebleven biedt de verklaring van verzoeker voldoende grond om aan te nemen dat hij in zijn functie verantwoordelijkheid heeft gedragen voor operationele inzet van de strijdkrachten van de Hezb i Wahdat.

Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker hiermee vanuit zijn functie ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ongebreidelde geweld waarmee de inzet van de strijdkrachten van de Hezb i Wahdat gepaard ging. Daarbij heeft verweerder voorts terecht van belang geacht dat verzoeker bij het aanvullend gehoor van 13 mei 2003 heeft verklaard dat hij een van de 14 à 15 militairen was die lid waren van het uitvoerend militair comité van de Hezb-i-Wahdat. In dat verband is opmerkelijk dat ook het ambtsbericht van 23 juni 2000 melding maakt van het bestaan van een onder het centrale leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi, ressorterend militair comité, bestaande uit ongeveer tien leden. Een en ander duidt er op aangenomen mag worden dat verzoeker tot de militaire top heeft behoord.

21. Voorts blijkt uit de verklaringen van verzoeker dat hij zelf bij gevechtshandelingen betrokken is geweest. Zoals hierboven aangegeven heeft verzoeker verklaard dat hij in zijn functie van hoofd operationele zaken verantwoordelijk was voor een legerkorps. Verzoeker heeft in zijn verklaring tijdens het nader gehoor van 28 januari 2002 daaraan toegevoegd dat hij bij alle gevechtshandelingen waar de betreffende troepen aan deelnamen, persoonlijk betrokken was. Concreet heeft verzoeker verklaard dat hij betrokken is geweest bij de gevechten om Mazar-e-Sharif. Hij was een van de 10 à 12 officieren die verantwoordelijk waren voor het vervoer van troepen naar Mazar-e-Sharif. Verzoeker kan derhalve vanuit zijn functie verantwoordelijk worden gehouden voor het faciliteren van deze gevechten en de daarmee gepaard gaande schending van mensenrechten, zoals die in het meergenoemde ambtsbericht concreet met betrekking tot de gevechten om Mazar-e-Sharif zijn vermeld.

22. Gezien vorenstaande is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van verzoeker sprake is van ‘personal and knowing participation’. Verzoeker was op de hoogte van de mensenrechtenschendingen door strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat en heeft deze mensenrechtenschendingen vanwege zijn rang en functie binnen de strijdkrachten van de Hezb i Wahdat ook gefaciliteerd. Verweerder heeft verzoeker in dat verband kunnen verwijten dat hij ondanks zijn wetenschap omtrent de mensenrechtenschendingen niets heeft ondernomen om deze misdrijven te voorkomen. Evenmin heeft hij zich van die misdrijven gedistantieerd. In plaats daarvan heeft verzoeker gedurende een lange periode zijn functie bekleed en carrière gemaakt. Dat verzoeker hierin geen keuze zou hebben gehad heeft verweerder niet aannemelijk hoeven achten.

23. Hetgeen hiertegen door verzoeker is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

24. Met betrekking tot de door verzoeker overgelegde verklaring van dr. Najafi is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat uit deze verklaring niet kan worden opgemaakt op basis van welke bronnen en informatie dr. Najafi tot zijn conclusie is gekomen. Evenmin kan uit de verklaring worden afgeleid dat voor het ontbreken van de betrokkenheid van verzoeker bij oorlogsmisdaden hetzelfde criterium is gehanteerd als de ‘knowing en personal participation’-test zoals die door verweerder is uitgevoerd. In dat verband verdient opmerking dat verweerder naar aanleiding van de genoemde verklaring van dr. Najafi een individueel ambtsbericht heeft gevraagd aan het ministerie van Buitenlandse zaken. In de onderliggende stukken bij het uitgebrachte individuele ambtsbericht van 10 januari 2006 en de aanvulling hierop van 28 maart 2006 worden onder meer verklaringen van een aantal bronnen over de activiteiten van verzoeker en diens broer weergegeven. Weliswaar verklaren de bronnen dat verzoekers banden met de Wahdat-partij zijn te verklaren uit diens etnische affiniteit, dat verzoeker en diens broer alleen bij verdedigende acties betrokken zijn geweest, dat zij met een schoon geweten hun volk en stamgenoten hebben beschermd en dat zij geen mensenrechten hebben geschonden. De bronnen verklaren echter tevens dat verzoeker deel uitmaakte van het bestuur van de Wahdat-partij, dat hij samen met andere leiders verantwoordelijk was voor de besluitvorming van de partij en dat hij bij een enkele gelegenheid in het veld was om de strijders steun te betuigen. Deze laatste verklaring kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan als een bevestiging van de hoge positie die verzoeker ook volgens zijn eigen verklaringen heeft bekleed. Tegen deze achtergrond was verweerder niet gehouden om nog een nader individueel ambtsbericht over verzoeker te vragen alvorens het bestreden besluit te nemen.

25. Met betrekking tot de overige door verzoeker ingebrachte informatie is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat daaraan niet de door verzoeker gewenste betekenis kan worden toegekend. De bedoelde informatie ziet specifiek op het ambtsbericht van 29 februari 2000 over de veiligheidsdienst KhAD/WAD en niet op het ambtsbericht van 23 juni 2000 over de Hezb-i-Wahdat. Het gaat daarbij met name om de kritiek op de passage in het ambtsbericht van 29 februari 2000, waarin wordt gesteld dat alle onderofficieren en officieren (van de KhAD/WAD) werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen. Zo zouden blijkens de brief van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni, van 5 augustus 2007 volgens nauwkeurig verzamelde informatie voormalige militaire officieren van lagere rang die in de jaren tachtig werkten voor het communistische regime geen schending van de mensenrechten hebben begaan. In casu betreft het echter geen militaire officier van lagere rang maar een hoge opperofficier, terwijl verzoeker voorts niet werkzaam is geweest voor de KhAD/WAD maar voor de Hezb-i-Whadat.

26. Hetzelfde kan worden gezegd van de brief van de UNHCR van 14 november 2007. Ook die brief bevat kritiek op het ambtsbericht van 29 februari 2000 over de KhAD/WAD en de daarin opgenomen passage inzake de persoonlijke betrokkenheid van alle onderofficieren en officieren bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen. Weliswaar is de kritiek van de UNHCR op onderdelen algemener in die zin dat het hanteren van de – op zich toelaatbaar geachte – vooronderstelling van schuld ten aanzien van een bepaalde categorie personen in combinatie met vrijwel onaantastbare ambtsberichten de betrokken persoenen in een zeer moeilijke bewijspositie plaatst. Daar staat echter tegenover dat het standpunt van verweerder in het onderhavige geval niet louter is gebaseerd op het feit dat verzoeker opperofficier is geweest en alleen om die reden op grond van het ambtsbericht van 23 juni 2000 van betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen is beticht. De hieruit voortvloeiende vooronderstelling van betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen is in casu bevestigd door verzoekers eigen verklaringen en verklaringen van anderen over verzoekers functie bij de Hezb-i-Whadat en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden.

Uit die verklaringen blijkt dat verzoeker opperofficier was van de strijdkrachten van de Hezb-i-Whadat in de rang van luitenant-generaal, dat hij werkzaam is geweest in de functie van hoofd operationele zaken van een legerkorps en dat hij lid was van het (uitvoerend) militair comité als onderdeel van het bestuur van de Hezb-i-Wahdat en samen met de andere leiders verantwoordelijk was voor de besluitvorming van de partij. Daarnaast blijkt uit de verklaringen dat verzoeker zelf heeft deelgenomen aan en/of in operationele zin betrokken is geweest bij gevechtshandelingen.

27. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat er ten aanzien van verzoeker ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

28. Verweerder heeft dan ook terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan verzoeker tegengeworpen en was op grond daarvan bevoegd verzoeker met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. Verweerder heeft deze bevoegdheid overeenkomstig het ter zake gevoerde beleid toegepast.

29. Ten aanzien van het beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

30. Volgens het arrest van het EHRM van 30 oktober 1991 inzake Vilvarajah, no. 13163/87 (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid (mere possibility) van schending is onvoldoende. In het arrest van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh heeft het EHRM ook naar deze jurisprudentie verwezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan, in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 12 oktober 2007 (200701023, LJN:BB5779) en de uitspraak van 31 oktober (200701759; LJN BB7262), van een vreemdeling worden verlangd dat deze aan de hand van hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk maakt dat ook hij het hierboven genoemde risico loopt.

31. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat hij reeds hierom een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De verwijzing naar WBV 2007/33 gaat hierbij niet op nu bij deze WBV bekeerde christenen niet als zodanig als risicogroep worden aangemerkt. Overigens vermeldt ook WBV 2007/33 dat het enkele behoren tot een religieuze minderheid niet voldoende is om een schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.

Ook de vrees van verzoeker voor de Taliban is niet nader geconcretiseerd en ook overigens is niet aannemelijk dat verzoeker bij terugkeer in de belangstelling zal staan van de Taliban en hij gegronde reden heeft te vrezen voor de Taliban.

Met betrekking tot de vrees van verzoeker voor de Sayyaf-clan wordt tenslotte overwogen dat de familievete tussen de familie van verzoeker en de familie Sayyaf reeds bestond ten tijde van het verblijf van verzoeker in Afghanistan. Verzoeker heeft echter nimmer persoonlijk problemen ondervonden van de Sayyaf-clan, zodat ook niet aannemelijk is dat verzoeker dergelijke problemen heeft te vrezen bij terugkeer. Verzoeker heeft dit ook niet kunnen aantonen.

32. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

33. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 78 van de Vw 2000.

34. De voorzieningenrechter ziet verder evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

35. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. drs. C.R. Jansen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.