Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC4728

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
rolnr 06/5957 eindvonnis
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie tussenvonnis AZ4957. Ongewijzigde toepassing van de tussen partijen overeengekomen 75%-regel met betrekking tot de vergoeding van ziektekosten is thans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden behoeven door de invoering van de Zvw. thans niet te worden gewijzigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector kanton – locatie Delft

JW/THV

rolnr 06/5957

15 maart 2007

Vonnis in de zaak van:

de stichting Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering,

gevestigd te Zoetermeer,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.A.A. Duk,

tegen

[gedaagde],

wonende te Amsterdam,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Procedure:

- tussenvonnis van 30 november 2006;

- akte uitlaten producties aan zijde van SRK;

- antwoord aan zijde van [gedaagde].

Partijen worden aangeduid als SRK en [gedaagde].

1. De kantonrechter neemt hier over hetgeen hij in zijn tussen partijen gewezen en op 30 november 2006 ex artikel 96 Rv. uitgesproken vonnis heeft overwogen en beslist.

2. In dat vonnis werd in rechtsoverweging 14. bepaald dat SRK een nadere toelichting diende te geven in verband met de beantwoording van de vraag of ongewijzigde instandhouding van de 75%-regel er toe zou leiden dat de kosten van SRK - mede gelet op de precedentwerking tegenover andere werknemers van

SRK - op onaanvaardbare wijze zouden stijgen.

3. SRK werd in dat verband in de gelegenheid gesteld bij akte:

a) berekeningen in het geding te brengen waaruit blijkt wat de financiële effecten voor SRK zouden zijn bij integrale handhaving van de 75%-regel;

b) de (financiële) gevolgen op langere termijn toe te lichten - zoals door haar verzocht - die zouden ontstaan indien zij de 75%-regel zou moeten blijven nakomen;

c) om berekeningen in het geding te brengen waaruit blijkt welke kosten zij in de jaren 2000 tot en met 2004 heeft gedragen in verband met ziektekostenverzekeringen (zowel de verplichte premie ingevolge de Ziekenfondswet als ook de werkgeversbijdrage aan de particulier verzekerden);

d) te reageren op de door [gedaagde] genoemde mogelijkheden om de pijn van de "schrijnende gevallen" te verzachten en het mogelijke voorstel dat SRK in zijn ogen aan hem en die andere schrijnende gevallen zou kunnen doen, alsmede de gevolgen die de eventuele effectuering van een dergelijk voorstel zou hebben.

4. SRK heeft ter beantwoording van de hiervoor bedoelde kwestie een "Tweede nadere toelichting" gegeven ter zitting van 18 januari 2007. [gedaagde] heeft gereageerd ter zitting van 15 februari 2007.

5. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

Nadere beoordeling

6. Zoals in het tussenvonnis van 30 november 2006 reeds werd overwogen (rechtsoverweging 13.) zal invoering van de nieuwe Zorgverzekeringswet (verder: Zvw.) in 2006 een extra last voor SRK opleveren van € 28.952,-- (lees gecorrigeerd: € 28.957,--) ten opzichte van 2005.Voorts brengt de betaling van de gewenningsbijdrage van € 10,-- per werknemer per maand een totaalbedrag van € 28.800,-- extra per jaar met zich. De totale extra kosten bedragen aldus

€ 56.957,--. De totale kosten voor 2006 belopen een bedrag van € 803.767,--, hetgeen een stijging van de kosten met iets meer dan 7% (lees: 7,35%) ten opzichte van 2005 (€ 774.810,--) betreft.

7. Terecht heeft [gedaagde] opgemerkt dat de extra kosten in verband met de gewenningsbijdrage niet gelden per jaar, althans niet voor ieder jaar. Immers, deze bijdrage is SRK verschuldigd gedurende 17 maanden vanaf 1 januari 2006.

Daarvan uitgaande geldt het “jaarlijkse” bedrag ad € 28.800,-- uitsluitend voor het jaar 2006; in 2007 beloopt dit bedrag (5/12 x € 28.800,-- =) € 12.000,--, terwijl in 2008 geen sprake meer zal zijn van een extra bedrag in verband met de gewenningsbijdrage.

8. Vooralsnog abstraherend van alle overige mogelijke verhogende en/of verlagende factoren - zie daaromtrent later - en uitgaande van dezelfde extra last voor SRK van € 28.957,-- ten opzichte van 2006 en een gewenningsbijdrage van € 12.000,-- brengt het vorenstaande met zich dat de stijging van de kosten in 2007 (€ 28.957,-- + € 12.000,-- =) € 40.957,-- zou belopen. Dat is (€ 40.957,-- : € 803.767,-- x 100%) een stijging van (afgerond) 5,1%. Uitgaande van dezelfde premissen bedraagt de stijging dan voor 2008 afgezet tegen 2007 (€ 28.957,-- : (€ 803.767,-- + € 40.957,-- =) € 844.724,-- x 100 %=) 3,4%.

De conclusie van een en ander is, dat vooralsnog uitgaande van een gelijkblijvend bedrag aan gestegen kosten van € 28.957,-- en rekening houdend met het verminderen c.q. vervallen van de gewenningsbijdrage, de kostenstijging door de invoering van de Zvw. beperkt genoemd kan worden, te weten 7,35% in 2006, 5,1% in 2007 en 3,4% in 2008.

9. SRK heeft in haar tweede nadere toelichting een overzicht gegeven van de ontwikkelingen van de werkgeversbijdragen voor zowel de ziekenfondsverzekerden (vanaf 2000), als de particulier verzekerden (vanaf 2002). Daaruit blijkt dat de gemiddelde stijging voor de eerste groep 2,48% bedraagt, terwijl dat voor de tweede groep 2,06% is.

SRK heeft echter verzuimd - zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt - inzicht te geven in welke kosten dit voor haar met zich heeft gebracht, hoewel dit wel met zoveel woorden aan haar was gevraagd en hoewel een dergelijke opgave wel van haar had mogen worden verwacht, nu zij die kosten immers in haar eerdere stukken wel heeft vermeld over 2005 en 2006. SRK heeft voor het ontbreken van deze gegevens ook geen verklaring gegeven.

Indien echter zuiver van de - niet nader onderbouwde - percentages wordt uitgegaan, dan blijkt dat de stijging van de particuliere kosten in 2003 4,95% heeft bedragen en in 2004 zelfs 10,75%. Weliswaar zijn de kosten daarna in 2005 (door verandering van verzekeraar) gedaald met 7,47%, maar dat laat onverlet dat percentages in de orde van grootte van ongeveer 5% (en meer) voor particulier verzekerden zeker niet ongebruikelijk zijn (geweest). Afgezet daartegen kunnen de hiervoor in rechtsoverweging 8. vermelde percentages niet onaanvaardbaar genoemd worden.

10. SRK heeft voorts betoogd, dat de kostenverhoging voor 2006 ten opzichte van 2005 bij handhaving van de 75%-regeling niet € 56.975,-- (lees: € 56.957,--) zou bedragen, maar zelfs € 66.623,--, hetgeen een stijging van 8,6% ten opzichte van 2005 zou betekenen. Zij voert daartoe aan dat de kans dat zij, indien de stellingen van [gedaagde] zouden worden gevolgd, de 75%-regeling niet alleen aan haar voormalig particulier verzekerden zou moeten vergoeden, maar aan al haar medewerkers, aanzienlijk is. Indien die extra bijdrage wordt gesaldeerd met de wettelijke werkgeversbijdrage zou dit voor het jaar 2006 nog een extra kostenpost van € 10.688,94 voor haar opleveren en tot een stijging in 2006 van 8,6% leiden ten opzichte van de kosten van 2005.

11. Dit betoog gaat niet op, reeds nu niet valt in te zien waarom de kans aanzienlijk is dat de door SRK gevreesde situatie zich zal voordoen. Immers, de aanspraken die door [gedaagde] en een deel van de overige collectief verzekerden worden gemaakt, zijn gebaseerd op een regeling die is vastgelegd in de individuele arbeidsovereenkomst(en) van die deelnemers. Zie sub 12. onder e. van het tussenvonnis van 30 november 2006. Op welke gronden die regeling ook zou moeten gelden voor alle overige personeelsleden van SRK valt zonder nadere toelichting - welke echter niet, althans onvoldoende (duidelijk) is gegeven - niet te begrijpen. In ieder geval is daarvoor onvoldoende dat de Zvw. voor alle werknemers geldt, nu dat onverlet laat dat voor sommige werknemers op grond van hun individuele arbeidsovereenkomst(en) een afwijkende regeling van toepassing is.

Met het bedrag van € 10.688,94 dient mitsdien geen rekening te worden gehouden. Bovendien gaat SRK er bij haar berekeningen, zoals uit hetgeen hiervoor onder 7. is overwogen, ten onrechte aan voorbij dat de gewenningsbijdrage slechts gedurende 17 maanden van toepassing is.

12. De tussenconclusie van een en ander moet zijn, dat de financiële effecten voor SRK bij integrale handhaving van de 75%-regel, niet onaanvaardbaar zijn. Daarbij dient mede in acht te worden genomen dat SRK de aan [gedaagde] te betalen vergoeding kan en mag salderen met de voor hem te betalen inkomensafhankelijke bijdrage, terwijl [gedaagde] er geen bezwaar tegen heeft geuit, dat die verrekening tevens kan plaatsvinden met de voor hem geldende gewenningsbijdrage. In het midden kan dan nog blijven of en zo ja in hoeverre bij de door SRK genoemde kosten telkens mede rekening is gehouden met de bij de invoering van de Zvw. tevens doorgevoerde (compenserende) maatregelen, zoals verlaging van de WW-premie en verlaging van de vennootschapsbelasting (zoals dat wordt genoemd in het door [gedaagde] genoemde artikel van mr. K.P.D. Vermeulen (Arbeidsrecht 2006/4).

13. Bezien dient vervolgens te worden of voormeld oordeel anders kan komen te luiden, indien de financiële gevolgen van handhaving op de langere termijn worden bezien.

De kantonrechter stelt in dat verband voorop dat op grond van hetgeen sub 8. en 9. is overwogen als uitgangspunt dient te gelden, dat de stijgingen voor de jaren 2006 tot en met 2008 - op grond van de financiële gegevens tot en met 2006 - niet als onaanvaardbaar kunnen worden aangemerkt

14. SRK heeft in verband met de financiële gevolgen voor de langere termijn aangevoerd, dat de maximale inkomensafhankelijke bijdrage van 6,5% in 2006 in 2007 is verhoogd met 2%, in die zin - zo begrijpt de kantonrechter - dat niet het percentage van de maximale eigen bijdrage is verhoogd met 2%, maar het bedrag waarover dit (gelijkblijvende) percentage mag worden geheven. Waar in 2006 een bijdrage van 6,5% van maximaal € 30.015,-- per verzekerde gold (zijnde de maximale bijdrage € 1.950,90), was dat in 2007 6,5% van € 30.623,-- (zijnde de maximale bijdrage € 1.990,50). In een percentage uitgedrukt bedraagt de verhoging aldus 6.63%.

Deze verhoging is naar het oordeel van de kantonrechter relatief beperkt te noemen en leidt mitsdien niet tot het oordeel dat de gevolgen alsnog als onaanvaardbaar zijn aan te merken.

15. SRK heeft in bedoeld verband voorts opgemerkt dat als gevolg van de CAO-verhogingen en beoordelingsverhogingen de werkgeversbijdrage van SRK niet is gestegen met 2%, maar met 6,33%. Werd in 2006 per werknemer gemiddeld € 1.755,-- aan werkgeversbijdrage betaald, in 2007 bedroeg die bijdrage € 1.866,--.

Indien het standpunt van [gedaagde] zou worden gevolgd, aldus SRK, dan zou SRK naast de werkgeversbijdrage, ook 75% van de (stijging van de) nominale premie moeten vergoeden; ten opzichte van 2006 is die nominale premie in 2007 2,33% gestegen.

16. Eerstgenoemd argument snijdt naar het oordeel van de kantonrechter geen hout, nu - zonder nadere, maar niet gegeven toelichting - niet valt in te zien wat die verhoging - die verder niet is onderbouwd - van doen heeft met het handhaven van de 75%-regel.

Ten aanzien van het tweede argument geldt, dat een verhoging in deze orde van grootte niet als buitensporig valt aan te merken en in feite minder is dan diverse verhogingen die in het verleden plachten plaats te vinden. Onaanvaardbaar acht de kantonrechter die verhoging in ieder geval niet.

17. SRK heeft op dit punt verder nog betoogd dat op dit moment niet bekend is wat de (maximale) wettelijke werkgeversbijdrage en de nominale premie de komende jaren zullen bedragen. Indien wordt uitgegaan van de stijging zoals die zich in 2007 heeft voorgedaan (6,33 + 2,33 =) 9,66%, dan staat dit percentage volgens SRK echter niet in verhouding tot de jaarlijkse kostenstijging van voor de invoering van de Zvw, te weten 2,06% respectievelijk 2,48% per jaar.

18. Dit betoog faalt, reeds omdat - zoals hiervoor sub 16. reeds werd overwogen

- zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet valt te begrijpen, wat de verhoging van 6,33% - al aangenomen dat een dergelijke verhoging zich in de toekomst zal voordoen - van doen heeft met het al dan niet handhaven van de 75%-regel, terwijl een percentage van 2,33% als verhoging van de nominale ziektekosten geenszins kan leiden tot het oordeel dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

19. Tenslotte heeft SRK op dit punt aangevoerd dat zo de kostenstijging niet onaanvaardbaar zou zijn, dat SRK dan in ieder geval de mogelijkheid zou moeten hebben een redelijke overgangsregeling (bijvoorbeeld met een afbouw van drie jaar) in te voeren, om te voorkomen dat zij jaar in jaar uit geconfronteerd zou worden met een aanzienlijke kostenstijging oplopend tot zo’n 9,66% per werknemer per jaar. Het spreek naar haar mening voor zich dat een dergelijke stijging invloed zal hebben op de bedrijfsvoering van SRK: ofwel de prijs van haar product zal stijgen, ofwel dezelfde werkzaamheden zullen met een kleiner personeelsbestand moeten worden verricht. Beide gevolgen zijn volgens SRK onaanvaardbaar en niet in overeenstemming met de gedachte achter de salderingsregeling uit de Invoerings- en Aanpassingswet Zvw.

20. Of en in hoeverre een kostenstijging in verband met de invoering van de Zvw. invloed zal hebben op de bedrijfsvoering van SRK en op welke wijze dat dan zou gebeuren, is naar het oordeel van de kantonrechter door SRK onvoldoende onderbouwd om daaromtrent een gefundeerd oordeel te kunnen geven. In ieder geval is onvoldoende onderbouwd en mitsdien niet komen vast te staan dat de negatieve invloed van de stijging van de ziektekosten voor SRK veroorzaakt wordt door de handhaving van de 75%-regel binnen de onderneming van SRK. Dat handhaving van die regel deswege als onaanvaardbaar zou moeten worden bestempeld is daarom niet aannemelijk geworden. De gedachte achter de invoering van de Zvw. - dat de invoering daarvan zoveel mogelijk kostenneutraal voor de werkgever zou moeten geschieden - maakt dat niet anders, nu dat slechts één van de factoren is die meeweegt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onaanvaardbaarheid (zie tussenvonnis van 30 november 2006 sub 12.). Afgezet tegen alle daar gemelde factoren is de kantonrechter op grond van al het vorengaande van oordeel dat geen sprake is van onaanvaardbaarheid.

21. De vraag of aan SRK in ieder geval een mogelijkheid dient te worden geboden een redelijke overgangsregeling te treffen staat in deze procedure niet ter beoordeling van de kantonrechter. Vanzelfsprekend staat het partijen vrij daaromtrent alsnog in onderhandeling te treden, waarbij de kantonrechter opmerkt, dat door [gedaagde] bij zijn toelichting op het inleidend verzoekschrift reeds (subsidiair) is verzocht SRK op te dragen een redelijk voorstel te doen tot wijziging van de contractuele vergoeding van de ziektekosten; enige bereidheid om tot een overgangsregeling te komen kan op grond daarvan wellicht wel worden aangenomen.

Op bedoeld verzoek van [gedaagde] zal overigens niet worden ingegaan, gelet op hetgeen sub. 8 van het tussenvonnis van 30 november 2006 is overwogen.

22. De slotsom van al het vorenstaande is dat geoordeeld moet worden dat ongewijzigde toepassing van de tussen partijen overeengekomen 75%-regel met betrekking tot de vergoeding van ziektekosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans niet onaanvaardbaar is. Beslist zal dan ook worden dat de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden door de invoering van de Zvw. thans niet behoeven te worden gewijzigd.

23. De kosten van de procedure zullen, zoals door partijen verzocht, worden gecompenseerd als na te melden.

24. Op hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd gaat de kantonrechter niet nader in, nu een inhoudelijke beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

Beslissing ex artikel 96 Rv.:

De kantonrechter:

1. bepaalt, dat de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden door de invoering van de Zvw. thans niet gewijzigd dienen te worden;

2. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

3. wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gewezen door mr. J. van der Windt, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.