Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC3680

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2007
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
07/56 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser beroept zich op het gestelde in artikel 11 MP 31/400 op grond waarvan de waarnemingstoelage gelijk dient te zijn aan het verschil tussen de huidige bezoldiging en de bezoldiging bij de aan de waargenomen functie toebehorende rang. Aan de functie van Hoofd Squadron Staf Bureau hoort de rang van eerste luitenant toe. Dat is hoger dan de huidige bezoldiging van eiser.

Gelijkheidsbeginsel.

Beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/56 MAW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commandant der Luchtstrijdkrachten, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser is op 27 juli 2005 geplaatst op de functie Hoofd Squadron Staf Bureau 940 Squadron.

Bij brief van 11 oktober 2005 is aan eiser kenbaar gemaakt dat hij van 1 september 2005 tot en met uiterlijk 31 augustus 2006 belast is met de waarneming van de functie Hoofd Squadron Staf Bureau, rang tweede luitenant.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 november 2005 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 17 november 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 december 2006 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 15 maart 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 12 juli 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Boter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.D. Jansen.

II. Motivering

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan:

1. Eiser is sinds december 1978 aangesteld bij de Koninklijke Luchtmacht als onderofficier onbepaalde tijd. Sinds 2001 is hij adjudant-onderofficier.

2. Eiser is van 1 september 2005 tot en met uiterlijk 31 augustus 2006 belast geweest met de volledige waarneming van de functie Hoofd Squadron Staf Bureau, rang tweede luitenant. Om die reden is aan eiser een waarnemingstoelage, rang tweede luitenant toegekend.

3. Eiser is van mening dat hij recht heeft op een waarnemingstoelage, rang eerste luitenant, omdat aan de door hem waargenomen functie de rang van eerste luitenant is verbonden.

4. In beroep heeft eiser – kort samengevat – aangevoerd dat niet van belang is welke rang hij thans heeft maar welke rang gekoppeld is aan de waargenomen functie. Volgens de Formatie en Bezetting per Afdeling (het zogenaamde stoelenboek) is aan de waargenomen functie de rang van eerste luitenant verbonden. Daarnaast beroept eiser zich op het gestelde in artikel 11 MP 31/400 op grond waarvan de waarnemingstoelage gelijk dient te zijn aan het verschil tussen de huidige bezoldiging en de bezoldiging bij de aan de waargenomen functie toebehorende rang. Aan de functie van Hoofd Squadron Staf Bureau hoort de rang van eerste luitenant toe. Dat is hoger dan de huidige bezoldiging van eiser. Het verschil dient eiser derhalve toegekend te worden. De logische opbouw van een militaire carrière doet niet ter zake. Tot slot beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Op grond van artikel 37, eerste lid van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (BAFBD) wordt de militair bevorderd tot eerste luitenant nadat hij in de rang van tweede luitenant gedurende 2 jaar ervaring heeft opgebouwd.

Ingevolge het vierde lid van artikel 37 BAFBD wordt de militair die in het verlengde van de door hem als onderofficier beklede functies een functie op officiersniveau gaat vervullen vrijgesteld van de in het eerste lid bedoelde eis met betrekking tot de ervaringsopbouw. Deze militair wordt bevorderd tot eerste luitenant, nadat hij de daartoe bestemde opleiding heeft afgerond, op het tijdstip waarop hem voor de eerste maal een officiersfunctie wordt toegewezen.

Artikel 11, eerste lid, van MP 31-400 Inkomensbesluit Militairen (IBM) geeft aan dat de militair die is belast met de volledige waarneming van een functie, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, aanspraak heeft op een waarnemingstoelage voor de duur van de waarneming, indien aan die functie een hogere rang is verbonden. Ingevolge het derde lid van artikel 11 is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging waarop de militair aanspraak heeft en de bezoldiging waarop hij aanspraak zou hebben, indien de waargenomen functie hem zou zijn toegewezen en hij dientengevolge zou zijn bevorderd tot de aan die functie verbonden rang.

Ingevolge artikel 26, zesde lid, sub b, van de BAFBD, wordt de militair die reeds is aangesteld bij het beroepspersoneel en bestemd was voor het vervullen van onderofficiersfuncties en als gevolg van een bestemmingswijziging wordt opgeleid tot officier, bevorderd tot de rang behorende bij de functie die wordt toegewezen na succesvolle afronding van de opleiding.

7. Aan de orde is de vraag welke rang is verbonden aan de door eiser waargenomen functie van Hoofd Squadron Staf Bureau. Aannemelijk kan worden geacht dat door verweerder in de organisatietabel aan functies enkel de rang van luitenant wordt verbonden. Er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen de rang van eerste en tweede luitenant. Zoals verweerder heeft aangegeven is het hierdoor mogelijk om militairen met behoud van dezelfde luitenantfunctie, gelet op ervaring en verdiensten, een hogere rang toe te kennen.

8. Nu aan de functie enkel de rang van luitenant is verbonden dient vervolgens beoordeeld te worden of eiser na het behalen van de OKMV bevorderd wordt tot eerste dan wel tweede luitenant.

9. Uitgangspunt is artikel 37, eerste lid, van de BAFBD. Een militair wordt bevorderd tot eerste luitenant nadat hij in de rang van tweede luitenant 2 jaar ervaring heeft opgedaan. Dit wordt wel de instroomofficier genoemd. Het vierde lid van artikel 37 maakt hier een uitzondering op voor de militair die in het verlengde van de door hem als onderofficier beklede functies een functie op officiersniveau gaat vervullen. In dat geval is sprake van een doorstroomofficier. Het onderscheid in eerste of tweede luitenant heeft dan ook te maken met ervaringsopbouw.

10. Na het volgen van een HBO-opleiding heeft eiser geopteerd en toegewezen gekregen de algemene functie Hoofd Squadron Staf Bureau. Aan deze functie is de rang van luitenant verbonden en om die reden diende eiser de Opleiding Kort Model Verkort (OKMV) te volgen. Na afronding van deze opleiding is eiser niet langer bestemd om functies te verrichten in het verlengde van de door hem als onderofficier beklede functies. Hij voldoet dan ook niet aan het gestelde in artikel 37, vierde lid, van de BAFBD. Er is sprake van omscholing. Om die reden wordt eiser aangemerkt als een instroomofficier en zal hij na afronding van de OKMV bevorderd worden tot tweede luitenant.

11. Dat uit het stoelenboek blijkt dat aan de functie Hoofd Squadron Staf Bureau de rang van eerste luitenant is verbonden maakt het voorgaande niet anders nu hier enkel uit afgeleid kan worden dat eiser na een periode van ervaringsopbouw bevorderd kan worden tot eerste luitenant op deze functie.

12. Nu eiser na succesvolle afronding van de OKMV bevorderd zal worden tot tweede luitenant heeft hij op grond van artikel 11, derde lid, van het IMP en artikel 26, zesde lid, sub b van de BAFBD gedurende de waarneming recht op de waarnemingstoelage in de rang van tweede luitenant.

13. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van eiser kan niet slagen nu verweerder heeft aangegeven dat in de door eiser genoemde gevallen fouten zijn gemaakt in de toepassing van het beleid. Volgens vaste jurisprudentie strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De Rechtbank ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier R.A.A. Strietman.