Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC3660

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
299220 / JE RK 07-2764, 299226 / 07-2765, 300340 / JE RK 07-2920
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing verzoek beëindiging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Kinderrechter

1. VERZOEK BEËINDIGING UITHUISPLAATSING,

2. VERZOEK VERVANGING GEZINSVOOGDIJ-INSTELLING,

3. VERZOEK UITBREIDING BEZOEKREGELING,

4. VERZOEK VERVANGENDE TOESTEMMING MEDISCHE BEHANDELING,

5. VERZOEK VERVANGENDE TOESTEMMING AANVRAAG REISDOCUMENTEN

zaak/rekestnummer : 299220 / JE RK 07-2764, 299226 / 07-2765, 300340 / JE RK 07-2920

datum uitspraak : 21 december 2007

BESCHIKKING

op de voornoemde ingekomen verzoekschriften onder 1, 2 en 3 van

[de vader A.] en [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader en de moeder,

en

op de voornoemde ingekomen verzoekschriften onder 4 en 5 van

LEGER DES HEILS JEUGDZORG & RECLASSERING,

kantoorhoudende te [plaats],

hierna te noemen: LHJ&R.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- de Stichting Bureau Jeugdzorg [locatie], hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg.

De voornoemde verzoekschriften hebben betrekking op de onder toezicht staande minderjarigen:

1. [minderjarige A 1], geboren te [plaats B.] op [geboortedatum] 2001,

2. [minderjarige A 2], geboren te [plaats B.] op [geboortedatum] 2003,

3. [minderjarige A 3], geboren te [plaats B.] op [geboortedatum] 2006,

kinderen uit het huwelijk van de vader en de moeder voornoemd.

De minderjarigen verblijven in een voorziening voor pleegzorg.

PROCEDURE

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

- het beroep tegen de overdracht naar een andere gezinsvoogdij-instelling met bijlagen, van 14 oktober 2007 van de zijde van de vader en de moeder;

- de bezoekregeling kinderen [A.] met bijlagen, van 13 november 2007 van de zijde van de vader en de moeder;

- het verzoek beëindiging uithuisplaatsing naar aanleiding van het niet naleven van de afspraak door het LHJ&R met bijlagen, van 25 november 2007 van de zijde van de vader en de moeder;

- de aanvullende informatie en bijlagen van 11 december 2007, van de zijde van de vader en de moeder;

- het faxbericht van 14 december 2007, van de zijde van het LHJ&R;

- de reactie van 16 december 2007, van de zijde van de vader en de moeder;

- het faxbericht van 12 december 2007, ingekomen bij de rechtbank op 17 december 2007, van de zuster van de vader.

De verzoekschriften zijn op 18 december 2007 ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat mr. A.H. Westendorp;

- mevrouw [P.], namens Bureau Jeugdzorg;

- de heer [Q.], namens LHJ&R;

- de heer De Jong, psychiater/psychoanalyticus als informant.

BEOORDELING

De kinderrechter begrijpt de verzoeken van de vader en de moeder aldus:

- het beroep tegen de overdracht naar een andere gezinsvoogdij-instelling als een verzoek vervanging van de gezinsvoogdij-instelling (zie 2);

- het verzoek beëindiging uithuisplaatsing naar aanleiding van het niet naleven van de afspraak door het LHJ&R als het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing (zie 1);

- de bezoekregeling kinderen [A.] als het verzoek tot uitbreiding van de bezoekregeling (zie 3).

Voorts zal de kinderrechter in zijn beoordeling het verzoekschrift onder 3 beschouwen als het subsidiaire verzoek van het verzoekschrift onder 1. Verder zal hij het faxbericht van 14 december 2007 van de zijde van het LHJ&R beschouwen als het verweerschrift tegen het verzoekschrift onder 1 tevens voorwaardelijke zelfstandige verzoeken (zie 4 en 5). De rechtbank ziet aanleiding eerst het verzoekschrift onder 2 te behandelen, alvorens het verzoekschrift onder 1 te behandelen.

Verzoek vervanging gezinsvoogdij-instelling

De vader en de moeder hebben gesteld dat zij zich niet kunnen verenigen met het besluit van Bureau Jeugdzorg tot overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen naar het LHJ&R en dat zij derhalve verzoeken te bepalen dat Bureau Jeugdzorg, vestiging [vestiging C.] voortaan toeziet op de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarigen. De vader en de moeder hebben aangevoerd dat zij zijn verhuisd naar [vestiging C.] zodat een overdracht naar Bureau Jeugdzorg, vestiging [vestiging C.] in de rede ligt.

Bureau Jeugdzorg heeft ter terechtzitting verklaard dat de verstoorde relatie tussen Bureau Jeugdzorg enerzijds en de vader en de moeder anderzijds de reden vormt voor de overdracht naar het LHJ&R. De vestiging [vestiging C.] had daarnaast niet onmiddellijk een gezinsvoogd beschikbaar die de vader en de moeder kon begeleiden.

De kinderrechter is van oordeel dat zij de vader en de moeder in hun verzoek niet kan ontvangen, nu Bureau Jeugdzorg op grond van de Mandateringsregeling Landelijk Werkende Instellingen bevoegd is de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing over te dragen aan een landelijk werkende instelling als het LHJ&R en tegen een dergelijke beslissing in beginsel geen rechtsgang openstaat. Overigens, ingevolge artikel 1:254 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die het toezicht heeft, vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie. Echter, nu de vader en de moeder nadrukkelijk hebben verzocht te bepalen dat Bureau Jeugdzorg, vestiging [vestiging C.] de gezinsvoogdij-instelling is die belast wordt met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van hun minderjarige kinderen en deze vestiging deel uitmaakt van de voormalige gezinsvoogdij-instelling Bureau Jeugdzorg in dezelfde provincie, is de kinderrechter van oordeel dat op grond van artikel 1:254 lid 5 BW het verzoek evenmin kan worden ingewilligd.

Verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing

De vader en de moeder hebben gesteld dat de uithuisplaatsing onmiddellijk dient te worden beëindigd.

Zij hebben betoogd dat zij in staat zijn de opvoeding en verzorging van hun kinderen te dragen, nu er bij de vader noch bij de moeder sprake is van psychische problematiek. Ook hebben zij aangevoerd dat bij de minderjarigen geen ontwikkelingsachterstand is gesignaleerd.

Ter onderbouwing hebben zij onder meer de volgende bijlagen bij de bescheiden genaamd Aanvullende info & bijlagen van 11 december 2007 overgelegd:

- de brief van 28 respectievelijk 30 augustus 2007 van H. de Jong aan de vader en de moeder betreffende de resultaten van het psychiatrisch onderzoek van de vader en de moeder, verricht door de heer H. de Jong, psychiater/psychoanalyticus (bijlage 1);

- de resultaten van het psychologisch onderzoek van de vader en de moeder, verricht door de heer dr. F.W. Schalkwijk, gezondheidszorgpsycholoog/psychoanalyticus (bijlage 2);

- de brief van 23 augustus 2007 van J.H. Bent aan de huisarts van de vader en de moeder, L.M. Voorkamp betreffende de conclusie van psychiatrisch onderzoek van de vader en de moeder, verricht door J.H. Bent, psychiater (bijlage 3);

- de brief van 9 mei 2007 van drs. M.J. Bruna aan de huisarts van de vader en de moeder, L.M. Voorkamp betreffende de resultaten van het psychiatrisch onderzoek van de vader en de moeder, verricht door drs. M.J. Bruna, psychiater (bijlage 4);

- de brief van 6 juni 2007 van drs. M.J.W. Hartgers, klinisch psycholoog/psychotherapeut aan de Raad voor de Kinderbescherming betreffende de beantwoording van de door de Raad voor de Kinderbescherming gestelde vragen over de vader en de moeder (bijlage 5);

- de brief van 19 april 2007 van D. de Gram en M. van den Brekel-Heeris namens MEAVITA Opgroeiende Kinderen, aan de vader en de moeder betreffende de uithuisplaatsing van de kinderen (bijlage 6);

- de brief van 5 maart 2007 van T.M. Nijdam, namens Meer en Bosch Kinderfysiotherapie aan mevrouw I. Hofmeijer, kinderarts in het [ziekenhuis] Ziekenhuis betreffende de leeftijds- en motorische ontwikkeling van de minderjarige [A 1.] (bijlage 7);

- de brief van 13 augustus 2007 van mw. I. Hofmeijer, kinderarts in het [ziekenhuis] Ziekenhuis aan de vader en de moeder betreffende de ontwikkeling van de minderjarigen [A 1.] en [A 2.] (bijlage 8);

- de brief van 17 september 2007 van L.M. Voorkamp, huisarts aan de moeder betreffende de psychische toestand van de moeder (bijlage 10).

Met betrekking tot de noodzaak van onderzoek van de kinderen zoals eerder gesteld door het LHJ&R, zijn de vader en de moeder van mening dat er thans geen reden is voor een interactieonderzoek, nu de kinderen reeds zeven maanden uit huis geplaatst zijn zodat niet langer is af te leiden uit het huidige contact tussen de vader en de moeder enerzijds en de kinderen anderzijds, hoe de thuissituatie was vóór de uithuisplaatsing. Nog afgezien hiervan verloopt het contact tussen hen en de kinderen goed, aldus de vader en de moeder. Ter ondersteuning van hun zienswijze hebben zij diverse foto-afdrukken overgelegd van de contacten tussen hen en de kinderen (bijlagen bij het verweerschrift op de verzoekschriften van 16 december 2007, van de zijde van de vader en de moeder).

Verder hebben de vader en de moeder naar voren gebracht dat het LHJ&R, anders dan hij garandeerde, de gemaakte afspraak ter terechtzitting van 7 november 2007 bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage, om de aanvraag voor het diagnostisch onderzoek bij het NPI te Amsterdam op 7 november 2007 in te dienen en aansluitend uiterlijk vrijdag 16 november 2007 alle daarbij behorende en benodigde vraagstellingen bij het NPI in te dienen, niet is nagekomen. Door deze handelwijze van LHJ&R is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen het LHJ&R enerzijds en de vader en de moeder anderzijds.

Tot slot zijn zij van mening dat het LHJ&R de band tussen hen en de kinderen probeert te verbreken.

Zij wijzen op de afwijzing tot uitbreiding van de bezoekregeling, het verzuim van het LHJ&R terzake van de informatieplicht en het feit dat de post voor de minderjarigen van de vader en de moeder door het LHJ&R wordt achtergehouden zodat de minderjarigen deze niet ontvangen.

Ter terechtzitting hebben zij het verzoek gehandhaafd en is namens hen door mr. A.W. Westendorp nog naar voren gebracht dat de vader en de moeder openstaan voor hulpverlening en begeleiding en dat zij hieraan hun onvoorwaardelijke medewerking verlenen.

De heer H. de Jong, informant, heeft ter terechtzitting verklaard dat het geplande interactieonderzoek door tijdsverloop geen betrouwbaar resultaat meer kan opleveren. Hij acht het in het belang van de minderjarigen dat zij onmiddellijk terugkeren naar de vader en de moeder aangezien er naar zijn mening, thans geen gronden voor uithuisplaatsing aanwezig zijn. Verder heeft hij verklaard dat er geen sprake is van een link tussen hem en het NPI, zoals door het LHJ&R is gesuggereerd.

De heer [Q.] heeft namens het LHJ&R ter terechtzitting verklaard dat uit het overleg met de pleegzorgmedewerkers en de pleegouders is gebleken dat de zorgen met betrekking tot de ontwikkeling van de minderjarigen nog immer bestaan. Desgevraagd heeft het LHJ&R verklaard dat dit overleg zonder de vader en de moeder heeft plaatsgevonden en dat de uitkomsten hiervan niet met de vader en de moeder zijn besproken. Daarnaast is door het LHJ&R verklaard dat de vader en de moeder alsmede de rechtbank te ‘s-Gravenhage per brief uitleg is gegeven over de beslissing de afspraak die tussen partijen is overeengekomen inzake het onderzoek door het NPI, niet na te komen. Het LHJ&R heeft verklaard dat na een telefonisch onderhoud met de directeur van het NPI de conclusie is getrokken dat het NPI geen neutraal, onpartijdig onderzoek kan verrichten aangezien de directeur al op de hoogte was van het onderhavige gezin en de uithuisplaatsing. Het LHJ&R heeft vervolgens het verzoek tot onderzoek niet bij het NPI ingediend maar bij een GGZ-instelling. De kinderen staan hiervoor thans op de wachtlijst. Het LHJ&R heeft het gebrek aan vertrouwen over en weer beaamd en tot slot gesteld dat er thans geen communicatie tussen de partijen is.

De kinderrechter overweegt als volgt.

In beginsel kleven er aan het verzoek van de vader en de moeder formele bezwaren, die normaliter ertoe leiden dat het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Immers, vaststaat dat aan de vereisten als bedoeld in de tweede volzin van artikel 1:263 lid 4 BW niet is voldaan, aangezien de kwestie niet eerst is voorgelegd aan het LHJ&R. De kinderrechter is echter van oordeel dat de vader en de moeder kunnen worden ontvangen in hun verzoek, nu het doel van de trapsgewijze behandeling zoals omschreven in de tweede volzin van voormeld artikel wèl is gerealiseerd. Hierbij is overwogen dat een afschrift van het verzoek van de vader en de moeder op 7 december 2007 door de kinderrechter aan het LHJ&R is toegezonden. Het LHJ&R heeft middels faxbericht van 14 december 2007 - onder meer - op dit verzoekschrift gereageerd. Hierop is vervolgens door de vader en de moeder op 18 december 2007 geantwoord.

De vraag waarvoor de kinderrechter zich gesteld ziet, is of uit de door de vader en de moeder overgelegde psychologische/psychiatrische rapportages van hen alsmede de minderjarigen kan worden afgeleid dat de gronden voor de uithuisplaatsing niet langer aanwezig zijn. Deze vraag moet naar het oordeel van de kinderrechter bevestigend worden beantwoord in die zin dat hij van oordeel is dat hij thans niet aannemelijk acht dat de voortduring van de uithuisplaatsing in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is. Dit leidt tot een stapsgewijze terugplaatsing die op 4 januari 2008 dient te zijn gerealiseerd. De kinderrechter overweegt hiertoe dat uit de voormelde rapportages niet is gebleken dat de status van de vader evenals de psychische toestand van de moeder thans nog dusdanige zorgen geven dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk blijft. De vader heeft desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat hij in aanmerking komt voor de zogenoemde pardonregeling en dat hij inmiddels de bevestiging van de burgermeester hiertoe heeft ontvangen. Voorts is naar het oordeel van de kinderrechter uit de overgelegde stukken niet gebleken van een zodanige zorgelijke ontwikkelingsachterstand bij de kinderen die eveneens noopt tot de voortzetting van de uithuisplaatsing, te meer nu het gesloten gezinssysteem lijkt te zijn opengebroken en zij openstaan voor opvoedingsondersteuning.

Niettemin acht de kinderrechter het nog immer noodzakelijk dat de vader en de moeder evenals de minderjarigen worden onderzocht.

Dat het onderzoek uitsluitend kan worden uitgevoerd bij voortduring van de uithuisplaatsing is niet gebleken. De kinderrechter gaat ervan uit dat de vader en de moeder, gelet op hun toezegging daartoe, hun volledige medewerking zullen verlenen aan het LHJ&R terzake van het door hem noodzakelijk geachte onderzoek en dat de hulpverlening in zijn geheel door de vader en de moeder wordt aanvaard. Anderzijds gaat de kinderrechter er van uit dat het LHJ&R de vragen dan wel opmerkingen van de vader en de moeder voortaan telkenmale in behandeling zal nemen en voorts de vader en de moeder zal betrekken bij de aangewezen hulpverlening. Naar het oordeel van de kinderrechter is het LHJ&R hierin vooralsnog schromelijk tekort geschoten en is door het LHJ&R bovendien geen blijk gegeven van de juiste inzet om het uitgangspunt van de ondertoezichtstelling: het herstel van de gezinssituatie, te verwezenlijken. Overigens vormt het geen gehoor geven aan de gemaakte afspraak terzake van het NPI-onderzoek op zich echter geen reden om de uithuisplaatsing te beëindigen. Tot slot acht de kinderrechter het hoogst noodzakelijk dat partijen uit de ontstane impasse geraken en acht hij het aangewezen dat Bureau Jeugdzorg op zeer korte termijn de communicatie tussen partijen opnieuw op gang brengt en het vertrouwen bij beide partijen herstelt.

Nu de kinderrechter het verzoek onder 1 zal toewijzen, komt hij aan de behandeling van de verzoeken 3, 4 en 5 niet meer toe.

BESLISSING

De kinderrechter:

verklaart het verzoek om vervanging van de gezinsvoogdij-instelling niet ontvankelijk;

beëindigt met ingang van 4 januari 2008 de uithuisplaatsing van de minderjarigen;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.G. Nijman, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Stoter als griffier.

Voor zover in deze uitspraak eindbeslissingen staan kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage.